Beginsel en begrip van verdeling
Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.8:5.8 Slotbeschouwing
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/5.8
5.8 Slotbeschouwing
Documentgegevens:
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS351695:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Houwing in zijn noot onder HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559, p. 1000. Zie ook: Colin-Capitant 1950, nr. 1153 e.v.; Planiol-Ripert-Boulanger 1951, nr. 3129 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De fundamentele rechtsvraag naar de mate waarin de onverdeeldheid na een (verkrijging krachtens) verdeling moet worden opgeheven, is een vraag met oude wortels. Het niet op systematische wijze benaderen van deze vraag lijkt in de loop van de tijd de beantwoording daarvan niet ten goede te zijn gekomen, getuige ook de volgende opmerking van Houwing in zijn noot onder HR 20 juni 1951, NJ 1952, 559:
‘Het standpunt van den H.R. is ogenschijnlijk ruimer dan dat van de Franse jurisprudentie. De H.R. eist immers slechts, dat de handeling den mede-eigendom van althans één der deelgerechtigden en ten aanzien van enig bestanddeel van de onverdeeldheid doet eindigen. In de Franse jurisprudentie wordt daarentegen in beginsel aan een handeling, wil zij als scheiding worden aangemerkt, niet alleen de eis gesteld, dat zij verricht wordt door alle mede-gerechtigden, maar tevens, dat zij de onverdeeldheid geheel en ten aanzien van allen doet ophouden. Maar deze jurisprudentie, door de doctrine vrij algemeen om haar onvastheid en gebrek aan systeem bestreden, laat zoveel uitzonderingen toe, dat het resultaat in verschillende opzichten dat van den H.R. nadert.’1
In dit hoofdstuk heb ik getracht op een systematische wijze te komen tot de vaststelling van het beginsel dat – althans naar Nederlands recht – ten grondslag ligt aan de verdeling en dat het effect van de verkrijging krachtens verdeling in zijn essentie beschrijft.
Bij vergelijking van het Belgische met het Nederlandse recht blijkt dat in de Belgische rechtsleer nadrukkelijk(er) aandacht wordt besteed aan het beginsel dat aan verdeling ten grondslag ligt. In de Belgische rechtsleer ontbreekt het echter aan een voldoende eenduidige afbakening van dit beginsel.
Voor het Nederlandse recht kan inmiddels worden aangenomen dat onder oud recht gewezen jurisprudentie door de Hoge Raad significant is gebleken voor de mogelijkheid de maatstaf voor verdeling naar huidig recht te kunnen vaststellen. De door de Hoge Raad in zijn arrest van 20 juni 1951 gegeven afbakening heeft in het onderzoek naar de maatstaf voor verdeling als basis gediend voor de doordenking van het – op dit punt lastig te lezen – wettelijke verdelingsbegrip. Op grond daarvan heeft naar mijn overtuiging een ‘rechts-zekere’ vaststelling van de maatstaf voor verdeling kunnen plaatsvinden.