De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.4.4.4:3.4.4.4 Verzekeringsplicht en aanhangers
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.4.4.4
3.4.4.4 Verzekeringsplicht en aanhangers
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394806:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met betrekking tot aanhangers, opleggers en caravans doet zich een probleem voor, dat het gevolg is van een onjuiste implementatie van de 1e Richtlijn, of liever van het niet aanpassen van de Wam bij de inwerkingtreding van deze richtlijn. De Richtlijn, art. 1 onder 1, dat woordelijk is overgenomen uit de 1e Richtlijn, omschrijft het begrip voertuig als volgt:
“Artikel 1
Voor de toepassing van deze richtlijn moet worden verstaan onder:
1. “voertuigen”: alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers; (…).”
Deze bepaling valt moeilijk anders te lezen dan dat aanhangwagens en opleggers, ongeacht of zij aan een trekkend voertuig zijn gekoppeld, onder de verzekeringsplicht vallen. DeWam daarentegen hanteert in art. 1 een enerzijds ruimer, anderzijds beperkter begrip:
“Voor de toepassing van deze wet worden verstaan onder motorrijtuigen: alle rij- of voertuigen bestemd om anders dan langs spoorstaven over de grond te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het rij- of voertuig zelf aanwezig dan wel door electrische tractie met stroomtoevoer van elders; als een deel daarvan wordt aangemerkt al hetgeen aan het rij- of voertuig is gekoppeld of na koppeling daarvan is losgemaakt of losgeraakt, zolang het nog niet buiten het verkeer tot stilstand is gekomen; (…).”
Enerzijds is het begrip voertuig (of motorrijtuig) in de Wam, voor zover het voorwerpen betreft die aan het motorrijtuig zijn gekoppeld derhalve ruimer dan dat in de Richtlijn. De Wam beperkt zich niet tot aanhangers en opleggers, derhalve tot voertuigen die ertoe bestemd zijn om getrokken te worden. Ook de slee die door een auto over een besneeuwde weg wordt voortgetrokken valt onder de verplichte dekking.
Anderzijds – en dat is wezenlijker – vallen losgekoppelde en buiten het verkeer tot stilstand gekomen aanhangers en opleggers niet meer onder de verzekeringsplicht, terwijl de Richtlijn deze beperking niet kent.
In de Nederlandse verzekeringspraktijk plegen aanhangers en opleggers niet zelfstandig op een Wam-polis tegen aansprakelijkheid te worden verzekerd. De dekking wordt verleend op de polis van het trekkende voertuig. Dat levert in de internationale schadeafhandeling problemen op: in de meeste andere lidstaten bestaat in de een of andere vorm wel een zelfstandige verzekeringsplicht voor aanhangers en opleggers. Het Nederlands Bureau heeft de schade die op grond van de wetgeving van die landen ten laste van de bezitter van de aanhangwagen komt, te restitueren aan het Bureau van het land van het ongeval, ook al is die Nederlandse aanhanger of die oplegger niet zelfstandig verzekerd en is het trekkende voertuig niet te traceren.
De Wam dient op dit punt te worden aangepast.