Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.C.5.b
b. Landerij/cultuurgrond
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471303:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1970/1971, 10560, nr. 22. H.J. van den Kerkhof, ‘De grenzen van het begrip “verbetering landbouwstructuur”‘ spreekt van ‘gronden die een directe functie hebben in het agrarische productieproces of de bosbouw.’
Hof Den Haag 8 november 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4223, Notamail 2014/15. Zie tevens onderdeel C.2 hiervoor, alwaar ik de verwachting uitsprak dat de Hoge Raad de visie van Hof Den Haag niet zal volgen. Zie tevens Hof Den Haag 4 april 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:1328, Notamail 2014/102. Zie ten slotte A. Visscher, A. Verduijn, ‘Fiscale kroniek 2013’, p. 54.
Vgl. grenspost 1, hfdst. II, onderdeel B.t.f.
Het begrip ‘landerij’, dan wel het moderne begrip ‘cultuurgrond’, kan eenvoudig worden toegevoegd aan de wettekst van onderdeel l. Door in fiscalibus met zoveel woorden te verklaren dat de vrijstelling enkel ziet op de verkrijging van landerijen krachtens (onder meer) de WILG, is beperking van de werkingssfeer van de kavelruilvrijstelling tot gronden welke bestemd zijn voor agrarische doeleinden, zoals landbouw, tuinbouw, veeteelt en bosbouw1 een feit. De voorwaarde is dus zeer wel geschikt om op eenvoudige wijze te worden opgenomen in de tekst van de vrijstelling, maar is deze opname ook gewenst? Een dergelijke inperking zou in ieder geval een hoop onduidelijkheid hebben voorkomen. De voornamelijk fiscaal geïnitieerde ‘opstallendiscussie’, vergezeld van zwalkend beleid op fiscaal terrein, beschreven in onderdelen C.3.c en C.4.d van het vorige hoofdstuk, had alsdan niet bestaan. Dat had tevens een flink aantal fiscale procedures gescheeld. Echter, gezien de doelstelling, toepassingsmogelijkheden en ontwikkeling van de kavelruil, zou een dergelijke fiscale clausulering een in mijn ogen onverantwoorde rem op de toepasbaarheid van het instrument betekenen. Zeker gezien de inhoud van de overige fiscale vrijstellingen, zou er alsdan geen enkele mogelijkheid meer zijn om opstallen in het buitengebied fiscaal gefaciliteerd te kunnen verkrijgen, afgezien van de mogelijke inzet van onderdeel b ten aanzien van de bedrijfsopstallen en afgezien van het oordeel van de Hoge Raad inzake de (in mijn ogen onjuiste) opvatting van het Hof Den Haag, inhoudende dat een parkeerplaats en opstallen tevens onder het begrip ‘cultuurgrond’ dient te worden geschaard.2
Deze consequentie is, zeker gezien de toekomstige (verdere) toename van de noodzakelijke schaalvergroting binnen de landbouw, niet te rechtvaardigen: bedrijfsverplaatsingen, uitbreidingen en wijzigingen dienen, ter versteviging van de (internationale) concurrentiepositie van de Nederlandse landbouw, vergezeld te gaan van een fiscaal soepele begeleiding. Nu de overige agro-fiscale vrijstellingen deze begeleiding niet, althans niet in voldoende mate kunnen verzorgen, ligt hier een schone taak voor de kavelruil en onderdeel l. Een beperking van de vrijstelling tot landerijen zou, op dit moment en gegeven de huidige evolutie van de kavelruil, niet verantwoord zijn. Indien deze beperking van meet af aan was ingevoerd, dan had dit mogelijk tot een andere conclusie geleid. Bovendien gelden er, uit hoofde van artikel 31a BILG, al de nodige inperkingen op het vlak van de ‘onroerende zaken’, welke beperkingen, door de koppeling tussen ‘civiel’ en ‘fiscaal’, direct doorwerken in fiscalibus. Daarmee is er, los van de discussie over de juistheid van de aldaar opgenomen beperkingen, reeds in voldoende mate begrensd. Voor verdere begrenzing op dit vlak is, in mijn opinie althans, geen ruimte. Met andere woorden: er zitten grenzen aan de mogelijkheden tot begrenzing.
Overigens is, los van de discussie omtrent de wenselijkheid van de inperking, wijziging van de tekst van de vrijstelling een minder goede optie dan vervanging van de term ‘onroerende zaken’ in de wettekst van artikel 85 WILG3 voor de term ‘landerijen’. Zowel wetssystematisch (zie onderdeel 4 in fine) als voor de kenbaarheid van de inperking (‘aan de vóórkant’) is aanscherping langs civielrechtelijke weg (vooraf) te verkiezen boven een fiscale uitzondering (achteraf).