Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/4.5
4.5 Novatie van de causa
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS343146:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Art. 1449-1460 OBW.
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 312. Zie ook: TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 102, 482-483; Tjittes 1992, nr. 27.
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 313. Vergelijk: TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 482-483; Aaftink 1974, p. 54 e.v.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 482; Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 325, 328.
Vergelijk Kleijn in zijn noot onder HR 4 maart 1987, NJ 1989, 224, onder 5. Kleijn betoogt dat de tweede volzin niet als een zogenaamde strekkingsbepaling mag worden gezien, ten gevolge waarvan afstand als een verboden constructie zou kunnen worden beschouwd, gelet op het beginsel van contractsvrijheid.
Vergelijk Kleijn in zijn noot onder HR 4 maart 1987, NJ 1989, 224, onder 5.
Voor het bepalen van het juridische kader waarbinnen verdeling al dan niet wordt aangenomen, is het noodzakelijk de mogelijkheden van nakoming nader te verkennen. Zo kan de vraag worden gesteld in hoeverre gebruik kan worden gemaakt van de figuur van inbetalinggeving of schuldvernieuwing om vanuit een niet als verdeling aan te merken rechtshandeling in de nakoming van een daaruit voortvloeiende schuld toch gebruik te maken van de rechtsfiguur van verdeling. De parlementaire geschiedenis lijkt hiervoor een opening te geven:
‘Wel een verdeling is er, wanneer een schuld als hier bedoeld wordt voldaan door inbetalinggeving (artikel 6.1.6.15) of schuldvernieuwing (bij voorbeeld afstand van de vordering tegen overbedeling van de deelgenoot-schuldeiser). Er is dan sprake van een nadere overeenkomst tussen de deelgenoten die volgens artikel 3.7.1.11 een verdeling oplevert.’1
In deze paragraaf richt ik me op de figuur van de schuldvernieuwing ook wel novatie genoemd.
Schuldvernieuwing was onder OBW een van de wijzen waarop een verbintenis teniet kon gaan.2 Een verschijningsvorm daarvan was de door een schuldenaar ten behoeve van zijn schuldeiser aangegane nieuwe ‘schuldverbintenis’, welke in de plaats werd gesteld van de oude verbintenis.3 Het NBW kent geen aparte regeling voor de schuldvernieuwing, maar voorziet in deze rechtsfiguur via de mogelijkheid van afstand van recht:
‘Schuldvernieuwing is mogelijk binnen het kader van de figuur van de afstand van een vorderingsrecht, die, afgezien van art. 6:160 BW, niet nader geregeld is. Uit het beginsel van de contractsvrijheid vloeit voort dat partijen een tussen hen bestaande verbintenis vervangen door een andere. Wettelijke regels daaromtrent zijn overbodig geoordeeld.’4
De figuur van afstand kent diverse verschijningsvormen:
‘Men kan de afstand onderverdelen in afstand om niet en afstand om baat, en de laatste in afstand waarbij de baat bestaat in het aangaan van een nieuwe verbintenis of in het verrichten van een andere prestatie. (...) De figuur van de afstand met als tegenprestatie het aangaan van een nieuwe verbintenis kan weer in drieën worden onderverdeeld: de nieuwe verbintenis is er één hetzij van de oude schuldenaar jegens de oude schuldeiser (hierna ook objectieve schuldvernieuwing), hetzij van de schuldenaar jegens een nieuwe schuldeiser (actieve schuldvernieuwing), hetzij van een nieuwe schuldenaar jegens de oude schuldeiser (passieve schuldvernieuwing).’5
We hebben zojuist gezien dat de parlementaire geschiedenis spreekt over ‘een nadere overeenkomst’.6 De toelichting lijkt hier te duiden op objectieve schuldvernieuwing en wel wegens verandering van de oorzaak van de verbintenis.7 Indien na een dergelijke schuldvernieuwing de nadere overeenkomst ter uitvoering waarvan wordt geleverd een als verdeling te kwalificeren overeenkomst is, moet worden aangenomen dat dit een verkrijging krachtens verdeling tot gevolg heeft. Nu via een dergelijke schuldvernieuwing verdeling alsnog kan worden gerealiseerd, kan worden aangenomen dat de bewoordingen ‘strekt tot nakoming’ in de tweede volzin niet een zodanige betekenis hebben dat op grond daarvan aangenomen moet worden dat novatie de strekking heeft de oorspronkelijke verbintenis na te komen.8 Nu het hier gaat om afstand via een (nadere) overeenkomst, zou de daarin gelegen (tweezijdige) afstand kunnen worden beschouwd als een ‘rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin’.9