Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/4.7
4.7 Inbetalinggeving
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS343147:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Vergelijk Asser/Rutten 1981, p. 393-394.
Zie: Van Boom 1999, p. 53-55; Schoordijk 1979, p. 135; TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 105, 124, waarin in het kader van inbetalinggeving over afstand om baat wordt gesproken.
Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 327. Vergelijk: Asser/Sieburgh 6-I 2016, nr. 233; MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 183.
MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 183. Zie ook Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 327.
TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 105, 124.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Zie Van Es, in: GS Vermogensrecht, art. 3:89 BW, aant. 69.2.
Anders ten aanzien van de titel: Staatssecretaris van Financiën blijkens Besluit 15 oktober 2015, nr. BLKB 2015/794M, Stcrt. 2015, 36766 onder 5.1 inzake afgifte van een onroerende zaak aan een legataris ter voldoening van een legaat in geld. De Staatssecretaris: ‘Als een erflater bij testament een onroerende zaak heeft gelegateerd, dan is de legataris bij de afgifte van dit legaat geen overdrachtsbelasting verschuldigd. Het is mogelijk dat een erflater aan iemand een bedrag in geld heeft gelegateerd. Bij de afgifte van het legaat kunnen de erfgenamen en de legataris vervolgens overeenkomen dat aan de legataris niet een bedrag in geld maar een onroerende zaak wordt afgegeven. Er is dan sprake van een inbetalinggeving (artikel 45 van Boek 6 van het BW). De legataris neemt genoegen met een andere zaak dan het aan hem gelegateerde. Hij heeft die andere onroerende zaak dan niet krachtens erfrecht verkregen en is over zijn verkrijging overdrachtsbelasting verschuldigd [cursivering door mij, THS].’ In dezelfde zin als het voormelde besluit: Van Straaten e.a. 2017, nr. 3.3.1; Gassler e.a. 2018, nr. 2.1.5.C.a.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613: HR 31 mei 1963, NJ 1964, 10 m.nt. J.H. Beekhuis (Erven Van der Looy); HR 17 januari 1964, NJ 1965, 126, m.nt. J.H. Beekhuis (Schellens-Schellens II).
NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
De parlementaire geschiedenis refereert aan inbetalinggeving als een rechtsfiguur die kan worden ingezet in het kader van de voldoening van een schuld als bedoeld in de tweede volzin ten gevolge waarvan krachtens verdeling kan worden verkregen. Voor de duidelijkheid geef ik hier nogmaals de bedoelde passage weer:
‘Wel een verdeling is er, wanneer een schuld als hier bedoeld wordt voldaan door inbetalinggeving (…) of schuldvernieuwing (...). Er is dan sprake van een nadere overeenkomst tussen de deelgenoten die volgens artikel 3.7.1.11 een verdeling oplevert.’1
Waar onder oud recht verschil van mening bestond over de vraag of inbetalinggeving schuldvernieuwing oplevert of niet,2 kan ook onder huidig recht verschil van opvatting worden geconstateerd. Zo wordt inbetalinggeving door sommige auteurs niet beschouwd als de nakoming van de oorspronkelijke verbintenis, maar als vervanging van de verbintenis door een andere, zodat er sprake is van schuldvernieuwing en daarmee afstand (hierna: visie I).3 In dat geval zal de oorspronkelijke verbintenis niet in stand blijven en zal inbetalinggeving als nadere overeenkomst op dezelfde wijze effect sorteren als de schuldvernieuwing, zoals hiervoor behandeld.
Anderen nemen op grond van art. 6:45 BW aan dat inbetalinggeving moet worden gezien als nakoming van de oorspronkelijke verbintenis door het verschaffen van een andere prestatie dan de op grond van de oorspronkelijke verbintenis verschuldigde prestatie (hierna: visie II).4 Uitgaande van de nakoming van de oorspronkelijke verbintenis dient inbetalinggeving dan – anders dan bij novatie – niet te worden beschouwd als een vorm van afstand. Als argument voor dit standpunt wordt wel aangevoerd dat dit impliciet blijkt uit de memorie van antwoord,5 in afwijking van de toelichting bij art. 6:45 BW.6
De vraag kan worden gesteld welke van deze visies kan worden gelezen in de nota van wijziging bij art. 3.7.1.11 (thans art. 3:182 BW).7 In deze nota van wijziging zou kunnen worden gelezen dat de minister van mening is dat zowel schuldvernieuwing als inbetalinggeving onder nieuw recht een species van afstand zijn (visie I). In dat geval zou immers de overeenkomst die nader was ten opzichte van de oorspronkelijke overeenkomst, als nadere overeenkomst worden nagekomen en zou de gelijkstelling van inbetalinggeving en schuldvernieuwing op dat punt daaruit begrepen kunnen worden. Is het echter ook mogelijk dat de minister iets anders voor ogen heeft gestaan?
Ik bezie opnieuw de verklaring die werd gegeven om het gebruik van de rechtsfiguur van inbetalinggeving te rechtvaardigen in het kader van een verkrijging krachtens verdeling:
‘Er is dan sprake van een nadere overeenkomst tussen de deelgenoten die volgens artikel 3.7.1.11 een verdeling oplevert.’8
Is hier met de constatering dat er sprake is van een nadere overeenkomst hetzelfde bedoeld als dat er sprake is of zou moeten zijn van (enkel) de nakoming van de nadere overeenkomst (en derhalve niet van de overeenkomst waartoe de nadere overeenkomst ‘nader’ is)? Voorop gesteld moet worden dat inbetalinggeving een eigen rechtsgrond voor verkrijging oplevert, ook indien de inbetalinggeving tot gevolg zou hebben dat daarnaast de oorspronkelijke verbintenis wordt nagekomen.9 Als inbetalinggeving dan voorziet in een eigen causa voor overgang van een goed, kan niet worden ontkend dat bij de uitvoering daarvan sprake is van de uitvoering van inbetalinggeving als nadere overeenkomst. Het is deze nadere overeenkomst waarvan in bovenstaand citaat melding wordt gemaakt.
Indien dan ten gevolge van inbetalinggeving, naast de eigen causa tevens de oorspronkelijke causa wordt nagekomen (visie II) – we zouden kunnen spreken van een samengestelde titel – wat is dan rechtens indien van inbetalinggeving gebruik wordt gemaakt ten behoeve van een verkrijging krachtens verdeling? Deze vraag zal worden uitgewerkt aan de hand van enkele voorbeelden.
Stel dat een erflater overlijdt met achterlating van zijn drie kinderen als erfgenamen. Aan een van de erfgenamen heeft de erflater gelegateerd een bedrag in geld. De drie kinderen komen overeen dat door middel van inbetalinggeving niet het bedrag in geld, maar een tot de nalatenschap behorende onroerende zaak zal worden geleverd. Indien moet worden aangenomen dat bij inbetalinggeving de oorspronkelijke causa wordt nagekomen, kan bij inbetalinggeving geen sprake zijn van afstand van de oorspronkelijke causa. Indien de oorspronkelijke causa het legaat betreft, moet worden aangenomen dat de levering van de onroerende zaak mede plaatsvindt ter nakoming van de verplichting uit legaat.10 Van een verdeling kan hier geen sprake zijn. Anders dan bij novatie van de causa wordt in dit geval – onder de aanname dat inbetalinggeving geen vorm van afstand is – de oorspronkelijke rechtshandeling nagekomen en kan op basis van de tweede volzin van het verdelingsbegrip de inbetalinggeving niet als verdeling worden aangemerkt; de handeling strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een van de deelgenoten, die niet voortspruit uit verdeling.
Stel dat tot de nalatenschap van een andere erflater behoren de onroerende zaken A en B. De drie kinderen van de erflater zijn als erfgenamen tot de nalatenschap gerechtigd. Stel dat alle erfgenamen een verdeling zijn overeengekomen waarbij onroerende zaak A aan een van hen is toegedeeld. Nog voor de levering van het toegedeelde wordt door de erfgenamen overeengekomen dat ter uitvoering van de bestaande verdeling niet onroerende zaak A, maar onroerende zaak B moet worden geleverd. Indien moet worden aangenomen dat bij inbetalinggeving de oorspronkelijke causa wordt nagekomen, kan ook hier geen sprake zijn van afstand van de oorspronkelijke causa. De levering van onroerende zaak B vindt mede plaats ter uitvoering van de oorspronkelijke causa. De vraag kan worden gesteld in hoeverre de inbetalinggeving hier als verdeling kwalificeert. Op grond van de eerste volzin van het verdelingsbegrip kan de inbetalinggeving als zodanig worden aangemerkt. Ervan uitgaande dat inbetalinggeving heeft te gelden als nakoming van de oorspronkelijke causa, zou op basis van de tweede volzin de kwalificatie ‘verdeling’ in beginsel aan inbetalinggeving kunnen worden onthouden. Nu echter deze nakoming ziet op een schuld die voortspruit uit een handeling die zelf een verdeling is, wordt op grond van de slotwoorden van de tweede volzin aan de inbetalinggeving niet de kwalificatie ‘verdeling’ ontnomen.
Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de rechtsfiguur van inbetalinggeving kan worden ingezet in het kader van een verkrijging krachtens verdeling, kan op grond van het bovenstaande tot de volgende conclusies worden gekomen.
Indien moet worden aangenomen dat inbetalinggeving geen species van afstand is, maar een functie heeft in de nakoming van de oorspronkelijke rechtshandeling, dan is bij de beantwoording van de vraag of de inbetalinggeving als verdeling kwalificeert beslissend of de rechtshandeling ter uitvoering waarvan inbetalinggeving plaatsvindt, eveneens een verdeling is. Vindt inbetalinggeving plaats volgend op een verdeling als causa voor levering, dan wordt ook na inbetalinggeving de rechtsgrond ‘verdeling’ gehandhaafd. Waar echter inbetalinggeving volgt op een causa die niet als verdeling kwalificeert, kan van verdeling geen sprake zijn. Dat inbetalinggeving een nadere overeenkomst oplevert en daarmee een eigen causa voor de levering van een andere prestatie dan de oorspronkelijke prestatie, doet hier niet aan af. De inbetalinggeving strekt er tevens toe uitvoering te geven aan de oorspronkelijke causa, ook waar deze niet als verdeling kan worden aangemerkt. De rechtsfiguur van inbetalinggeving heeft hier de tweede volzin van het verdelingsbegrip tegen zich te laten gelden. Waar de parlementaire geschiedenis de mogelijkheid van inbetalinggeving openhoudt om een verkrijging krachtens verdeling mogelijk te maken, doet zij dit – onder de aanname dat bij inbetalinggeving de oorspronkelijke causa wordt nagekomen – in zoverre ten onrechte dat, indien de oorspronkelijke rechtshandeling niet als verdeling kan worden aangemerkt, noch de nadere overeenkomst van inbetalinggeving, noch de oorspronkelijke rechtshandeling, als verdeling kan hebben te gelden.
Indien aangenomen kan worden dat inbetalinggeving een species van afstand is, dient over het bovenstaande anders te worden geoordeeld en is het hiervoor bepaalde omtrent novatie van de causa van overeenkomstige toepassing. In dat geval dient het in de parlementaire geschiedenis voorgestelde omtrent de mogelijkheid om via inbetalinggeving een verkrijging krachtens verdeling te realiseren als juist te worden beschouwd.
Bezien we tot slot nogmaals de opmerking van de minister, zoals blijkend uit de nota van wijziging bij art. 3.7.1.11 (thans art. 3:182 BW):
‘Wel een verdeling is er, wanneer een schuld als hier bedoeld wordt voldaan door inbetalinggeving (…) of schuldvernieuwing (...).’11
Waarop doelt de minister wanneer hij spreekt over ‘een schuld als hier bedoeld wordt’? Gelet op de context van dit citaat heeft de hier bedoelde schuld betrekking op de nakoming van een schuld van de nalatenschap aan een of meer erfgenamen, zoals aan de orde in de arresten HR 31 mei 1963 en HR 17 januari 1964.12 Het betreft hier schulden waarop het bepaalde in de tweede volzin ziet:
‘In beide arresten werd aangenomen dat deze nakoming geen verdeling van de nalatenschap opleverde. Buiten twijfel is thans gesteld dat ook de tweede zin van artikel 3.7.1.11 uitsluitend zodanige gevallen buiten het verdelingsbegrip beoogt te houden. Wel een verdeling is er, wanneer een schuld als hier bedoeld wordt voldaan door inbetalinggeving (...) of schuldvernieuwing (...). Er is dan sprake van een nadere overeenkomst tussen de deelgenoten die volgens artikel 3.7.1.11 een verdeling oplevert.’13
Het geheel in aanmerking nemende lijkt het ervoor te moeten gehouden dat de door de minister gebezigde redenering stoelt op de gedachte dat inbetalinggeving niet (mede) de nakoming van de oorspronkelijke verbintenis betreft, maar dat deze dient ter vervanging van de oorspronkelijke verbintenis, zodat er sprake is van schuldvernieuwing en daarmee afstand. Alleen in die visie kan hij tot de constatering komen dat bij voldoening van een zodanige schuld via inbetalinggeving sprake is van verdeling.
Gelet op de verdeelde opvattingen over het rechtskarakter en de rechtsgevolgen van inbetalinggeving kan hier niet tot een eensluidende rechtsleer worden geconcludeerd. Zolang dit nog het geval is, lijkt het aangewezen om, bij de behoefte via een nadere overeenkomst een verkrijging krachtens verdeling te realiseren in het geval de overeenkomst waartoe de nadere overeenkomst ‘nader’ is geen verdeling is, van een andere (nadere) overeenkomst gebruik te maken dan die van inbetalinggeving. Om deze reden zal in de volgende paragraaf de aandacht worden gericht op de nadere overeenkomst als rechtsgrond voor verkrijging krachtens verdeling.