Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/8.2.3.c
8.2.3.c De aard van het bijzondere zeggenschapsrecht
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS596529:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Uit de feiten is helaas niet op te maken wat precies de bijzondere rechten inzake de zeggenschap inhouden.
OK 14 april 1994 (ro. 3.2), NJ 1995/375 (Radix).
Aldus ook Houwen (1988), p. 25; Maeijer onder NJ 1990/173; Van Vliet (1999), p. 65 en Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/684 onder b.
OK 22 augustus 1996 (ro. 8.3), JOR 1996/112 (Molenschot).
De gedaagde gaat onder meer met betrekking tot deze overweging van de OK in cassatie. De Hoge Raad verwerpt de klacht echter op formele gronden en komt niet toe tot een inhoudelijke beoordeling, zie HR 14 maart 2001 (ro. 3.1), JOR 2001/95 (Molenschot).
Handboek (1992), nr. 199. Evenzo Van Dort (1991), p. 213-214.
O.m. Kamerstukken II 1984-1985, 18 904, nr. C, p. 5. Onder meer bevestigd door de Hoge Raad in HR 16 januari 2004, NJ 2004/184; JOR 2004/35 (Fres-Co System).
Vgl. met betrekking tot de geschillenregeling HR 21 januari 2005, NJ 2005/126; JOR 2005/57 (Hoffmann), waarin de Hoge Raad oordeelt dat een redelijke toepassing van art. 2:339 lid 1 BW meebrengt dat de verplichte deskundigenbenoeming achterwege kan blijven indien aan de hand van de blokkeringsregeling de waarde van de over te dragen aandelen zonder meer vastgesteld kan worden. Maeijer in zijn noot is van mening dat het zuiverder is wanneer zou zijn geoordeeld dat toepassing van de betreffende bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 2:8 lid 2 BW) of dat het vasthouden aan de naleving van de betreffende bepaling zou neerkomen op misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 lid 2 BW). Hierover uitgebreid Bulten (2011), p. 175-180. Vgl. ook HR 28 januari 2011, NJ 2011/167; JOR 2011/70 (Staalbankiers/X) waarin de HR een vordering op grond van art. 2:180 lid 2 onder a BW afwijst met een beroep op de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 BW.
Een nog openstaande vraag is wat onder een ‘bijzonder recht inzake de zeggenschap’ moet worden verstaan. De wet maakt geen onderscheid naar soorten rechten verbonden aan een prioriteitsaandeel. Het is daarom onduidelijk of het enkele feit dat de gedaagde houder is van een prioriteitsaandeel reeds voldoende is voor afwijzing van de vordering.
De rechtspraak op dit punt is niet eensluidend. Uit de procedure inzake Radix uit 1994 volgt dat de aard van het zeggenschapsrecht niet relevant is. In deze zaak betoogt de uitkoper dat aan de door de gedaagde gehouden prioriteitsaandelen niet een zodanig bijzondere zeggenschap is verbonden, dat in verband daarmee zijn vordering moet worden afgewezen.1 De OK oordeelt echter dat de uitkoopregeling niet voorziet in enige mogelijkheid van uitzondering en wijst de vordering af.2 Deze uitleg sluit aan bij de gedachte in de literatuur dat de OK in een uitkoopprocedure weinig tot geen beoordelingsvrijheid heeft (§ 4.2.1). Zij kan daarom geen inhoudelijke afweging maken of het desbetreffende zeggenschapsrecht voldoende is om de vordering af te wijzen.3
Twee jaar later laat de OK in de uitkoopprocedure inzake Molenschot toch weer enige ruimte voor een inhoudelijke beoordeling van de bijzondere zeggenschapsrechten. De casus is als volgt. De gedaagde is houder van aandelen A, waaraan bepaalde winstrechten zijn verbonden. Een wijziging van deze rechten is alleen mogelijk na voorafgaande goedkeuring van de houders van aandelen A. De gedaagde stelt zich op het standpunt dat hij, gelet op het goedkeuringsrecht, houder is van aandelen waaraan de statuten een bijzonder recht inzake de zeggenschap verbinden. De OK verwerpt deze stelling, omdat de afwijzingsgrond volgens haar geen betrekking heeft op bijzondere winstrechten dan wel op zeggenschapsrechten met het oog op het handhaven van zulke winstrechten. Hoewel ik de beslissing van de OK juist acht, is haar overweging ten aanzien van het goedkeuringsrecht opvallend. Zij overweegt het volgende:
“Artikel 22 lid 1 van de statuten kent de houders van aandelen A weliswaar enige ‘zeggenschap’ toe, doch slechts met het oog op het handhaven van hun bijzondere winstrechten. Dergelijke ‘zeggenschapsrechten’ kunnen naar de strekking van artikel 2:201a lid 4 niet als bijzondere zeggenschapsrechten als bedoeld in die bepaling worden aangemerkt.”4
De OK zet de deur voor een inhoudelijke beoordeling van zeggenschapsrechten op een kier door te oordelen dat bepaalde zeggenschapsrechten niet onder de strekking van de afwijzingsgrond vallen.5
Deze zienswijze sluit aan bij de andere gedachte in de literatuur dat de afwijzingsgrond alleen van toepassing is, indien een gedaagde daadwerkelijk zeggenschap in de vennootschap kan uitoefenen. Hiervan is bijvoorbeeld geen sprake bij een bindend voordrachtsrecht, omdat de uitkoper het bindend karakter ingevolge art. 2:133/243 lid 2 BW kan doorbreken. Dit is evenmin het geval indien uitkoper de meerderheid van de prioriteitsaandelen houdt en de overige prioriteitsaandeelhouders kan overstemmen. Het ligt niet in lijn met de strekking van de uitkoopregeling om een vordering dan af te wijzen.6
Ik acht op basis van de wettekst een inhoudelijke beoordeling door de OK niet goed mogelijk. Bovendien volgt uit de strekking van de uitkoopregeling dat zij weinig tot geen beoordelingsruimte heeft (§ 4.2.1).7 Een goede toepassing van deze afwijzingsgrond vereist echter juist wel een belangenafweging door de OK.
De OK kan volgens mij op grond van de redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden de afwijzingsgrond buiten toepassing laten en de vordering toch toewijzen.8 Dit geldt in het bijzonder voor de situatie waarin de uitkoper de meerderheid van de prioriteitsaandelen houdt. De OK hoeft dan geen belangenafweging te maken, omdat de minderheid geen bijzonder recht heeft, althans deze niet kan uitoefenen.