Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/0.6
6. Flurbereinigung: Duitse degelijkheid
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS472434:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Nederlandsch Landbouw Comité, Rapport omtrent Ruilverkaveling met Ontwerp van Wet en Memorie van Toelichting, ‘s-Gravenhage 1910, p. 5.
Nederlandsch Landbouw Comité, Rapport omtrent Ruilverkaveling met Ontwerp van Wet en Memorie van Toelichting. Zie nader grenspost 1, hfdst. 1, onderdeel C.4.
Zie tevens M. Adams, Wat de rechtsvergelijking vermag’, in: Ars Aequi 2011/60, p. 192 e.v.
Zie tevens Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel A.
Aldus A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 81 e.v.
Zie L.J. Sparnaaij, Landbouwpacht (diss. 1903), Gouda: Koch 8i Knuttel 1903, p. 210, alsmede Grenzübergangsstelle 3A, onderdelen A en B.
Zie F. Jacobs, Die Flurbereinigung in Westfalen, Leipzig: A. Deichertsche Verlagsbuchhandlung D. Werner Scholl 1930, p. 9.
Zie nader grenspost 1, hfdst. 1, onderdeel 03.
Aldus A. de Leeuw, De agrarische ruilverkaveling, p. 107.
Flet Nederlandsch Landbouw Comité, Rapport omtrent Ruilverkaveling met Ontwerp van Wet en Memorie van Toelichting, p. 8 verontschuldigt zich zelfs voor de ‘inferieure kwaliteit’ van de Nederlandse ontwerpwetgeving ten opzichte van de Duitse regelgeving: ‘De ontworpen regeling moge hem, die de Duitsche wetgevingen kent endoor haren eenvoud en weinigen omslag wordt bekoord, niet in alle opzichten bevredigen, haar inhoud is, naar de Commissie meent, te beschouwen als het goede, dat niet mag worden verworpen, nu het betere niet is te verkrijgen.’ Zie tevens Grenzübergangsstelle 3A, onderdeel E.2.
Flierna tevens: NRW. De keuze had, gezien de geografische ligging ten opzichte van ons land, evengoed op de deelstaat Niedersachsen kunnen vallen. De keuze voor NRW is gemaakt om praktische redenen (de beschikbaarheid van literatuur). Ik ben mij bewust dat een dergelijke keuze niet volledig wetenschappelijk verantwoord is, maar gezien de primaire focus van het rechtsvergelijkend onderzoek op de nationale regeling, is het belang van de gemaakte keuze in wetenschappelijk opzicht minimaal. Zie voor een historisch-topografische beschrijving van de provincie Westfalen uitgebreid F. Jacobs, Die Flurbereinigung in Westfalen, p. 1-10.
Ontleend aan: B.M.E.M. Schols, ‘Van Breda tot Karlsruhe, gelijke successierechtelijke ongelijkheid’, in: WFR 2013/6985,P 106 e.v.
“Wij (…) zijn Nederlanders en geen Duitschers, wij moeten dus ook op ruilverkavelingsgebied wat anders hebben dan onze buren.”1
Deze woorden uit het Rapport omtrent Ruilverkaveling uit 19102 pleiten voor een geïsoleerde visie op het ruilverkavelingsrecht: ieder land heeft zijn eigen (historisch bepaalde) staat van inrichting van het buitengebied, verkavelingssituatie en daarmee een eigen ruilverkavelingsbehoefte. De bijbehorende landinrichtingsvraagstukken dienen derhalve door iedere natie autonoom te worden beantwoord.
Dit standpunt acht ik conservatief en tamelijk achterhaald. Rechtsvergelijkend onderzoek levert binnen een (grondige) studie naar de grenzen van het Nederlandse (civielrechtelijke) instrument kavelruil in mijn opinie wel degelijk meerwaarde op.3 De keuze voor Duitsland als eerste vergelijkingsobject is, los van zijn status als buurland, daarbij een voor de hand liggende keuze.4 Het Pruisisch recht staat namelijk in belangrijke mate aan de basis van ons landinrichtingssysteem, zo zal in Grenzübergangsstelle 3A blijken.5 De ‘Bauernbefreiung’ in Pruisen aan het einde van de negentiende eeuw6 markeerde de start van de verdeling van de hoeven in vele kleine, verspreid liggende kavels en daarmee tevens het ontstaan van het probleem van de ‘Besitzzersplitterung’, 7 hetgeen de directe aanleiding tot de Flurbereinigungswetgeving is geweest. Niet toevalligerwijs ontstond in ons land de ‘ruilverkavelingsgedachte’, als middel om de versnippering van landbouwgronden tegen te gaan in dezelfde periode.8 De verbinding met Pruisen werd expliciet gelegd in het in grenspost 1, hoofdstuk 1, onderdeel C.3 nader te bespreken Rapport van de Vereeniging voor Kadaster en Landmeetkunde uit 1899. Het Duitse (Pruisische) recht is de inspiratiebron geweest voor dit rapport, aangezien het rapport een overzicht biedt van ‘Die Zusammenlegung der Grundstücke nach dem preussischen Verfahren’, een werk van de Duitse auteur A. Hüser.9 Het nut van de rechtsvergelijking op het gebied van landinrichting, in het bijzonder ruilverkaveling, was dus reeds in 1899 bekend. Anno 2014 herhalen wij deze rechtsvergelijkende exercitie, doch nu ten aanzien van de fieiwilliger Landtausch, het ‘kleine broertje’ van de Flurbereinigung. Wij zullen zien of deze Landtausch, in civilibus en in fiscalibus, raakvlakken heeft met ‘onze’ kavelruil en of de eenvoud en ‘Gründlichkeit’ van de Duitse regeling, kenmerken die geroemd werden in Nederlandse rechtsvergelijkende rapporten, gepubliceerd aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, 10 ook kenmerkend zijn voor de ‘Duitse kavelruil’.
Als voorwerk voor grenspost 3D, waar de (lands)grensoverschrijdende kavelruil zal worden onderzocht, zal de specifieke landinrichtingssituatie in ‘buurdeelstaat’ Nordrhein-Westfalen11 waar mogelijk nadere aandacht krijgen: is er in deze deelstaat sprake van specifieke (uitvoerings)regeigeving binnen de ‘nationale’ kavelruilkaders uit het Flurbereinigungsgesetz, die het onderzoeken waard is?
Het rechtsvergelijkend onderzoek zal, mede omwille van de ‘Beschränkung’ van dit onderzoek, beperkt blijven tot een onderzoek op hoofdlijnen. Slechts de belangrijkste juridische en fiscale kaders zullen worden beschouwd. Niettemin biedt deze enigszins vluchtige blik naar mijn mening voldoende stof tot nadenken voor de Nederlandse kavelruil. Germania docet, 12 zo zal (hopelijk) blijken na een kort bezoek aan onze oosterburen.