Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.3.3.4
8.3.3.4 Commentaar in de literatuur
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655769:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie het commentaar bij de uitspraak van de First Circuit in de Harvard Law Review 2006, p. 2284-2291; Langevoort 2009, p. 168-173; Cox 2013a, p. 1725-1731. Zie over deze kritiek in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 237-238.
Voor een doorwrochte analyse van de benadering van de First Circuit verwijs ik naar Langevoort 2009, p. 168-178 en p. 184-189. Langevoort zet mijns inziens op heldere wijze uiteen hoe deze benadering moet worden begrepen, en welke rechtspolitieke overwegingen hieraan ten grondslag liggen.
Zie in dit verband ook Cox 2013a, p. 1728.
Zie § 2.2.5.
Zie § 2.2.3.
Zie het commentaar bij de uitspraak van de First Circuit in de Harvard Law Review 2006, p. 2289.
Zie in dit verband ook de uitspraak Cammer v. Bloom, 711 F. Supp. 1264, 1292 (D.N.J. 1989): ‘Expensive experts with complex equations and long computer printouts are highly likely to reach opposite conclusions on efficiency of the market’.
Zie hierover uitgebreid § 6.2.3.2 sub a.
Vgl. De Jong 2010, p. 238. Vgl. ook Hu & Marcus 2012, p. 3-4.
Zie over het feit dat ook op een niet honderd procent efficiënte markt misleidende informatie koersschade kan veroorzaken reeds § 2.6, en zie ook de aldaar aangehaalde literatuur. Zie in dit verband ook de volgende overweging uit de Halliburton II-uitspraak van de Supreme Court: ‘That the price of a stock may be inaccurate does not detract from the fact that false statements affect it, and cause loss (…)’ (leestekens weggelaten en curs. ACWP), Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 272 (2014). En zie voorts de uitspraak Eckstein v. Balcor Film Investors, 8 F.3d 1121, 1130 (7th Cir. 1993).
In de literatuur is de benadering van de (appelrechter van de) First Circuit voor (het bewijs van) marktefficiëntie en de door haar in dat verband gehanteerde definitie door verschillende auteurs bekritiseerd.1 Deze kritiek richt zich niet louter op de definitie als zodanig, maar mede (en misschien wel: vooral) op de wijze waarop zij door de appelrechter wordt toegepast, en op de wijze waarop wordt getoetst of aan de definitie is voldaan.2
Een eerste punt van kritiek is dat het in de praktijk onmogelijk is om te testen of de aandelenkoers daadwerkelijk alle publiek beschikbare informatie weerspiegelt.3 De verklaring hiervoor is het in hoofdstuk 2 besproken ‘joint hypothesis problem’.4 Een tweede punt van kritiek is dat de First Circuit met haar definitie van marktefficiëntie uitgaat van een soort academisch ideaalbeeld dat in werkelijkheid niet bestaat. In de reële wereld heeft men immers onvermijdelijk te maken met bepaalde marktimperfecties (denk bijvoorbeeld aan transactiekosten), waardoor het praktisch gezien onmogelijk is dat alle publiek beschikbare informatie in de koers is verwerkt. Ik wijs in dit verband op de eveneens in hoofdstuk 2 besproken ‘efficiency paradox’.5 Door uit te gaan van zo’n academisch ideaalbeeld, stuurt de appelrechter er eigenlijk op aan dat het processuele debat over de vraag of de markt al dan niet efficiënt is, ‘ontaardt’ in een ‘battle of experts’ over de al dan niet geldigheid van de Efficiënte Markthypothese.6,7 Voor een dergelijk academisch debat is het civiele proces uiteraard niet bedoeld. Een derde punt van kritiek is, dat de benadering van de appelrechter moeilijk is te rijmen met het basisprincipe van de fraud-on-the-market-theorie inhoudende dat beleggers mogen vertrouwen op de integriteit van de beurskoers, wanneer de markt (in algemene zin) wordt gekenmerkt door structurele mechanismen die bewerkstelligen dat publiekelijk beschikbare informatie in de koers wordt verwerkt.8 Dit principe houdt nadrukkelijk niet in dat beleggers alleen zouden mogen vertrouwen op de integriteit van de beurskoers, wanneer de markt efficiënt is in haar meest optimale vorm.9 Dit laatste is natuurlijk ook vrij logisch, wanneer men zich bedenkt dat ook op een niet honderd procent efficiënte markt – men zou zelfs kunnen zeggen: op een relatief inefficiënte markt – misleidende informatie koersschade kan veroorzaken, en het dus ook op zo’n markt van belang is privaatrechtelijke handhaving (niet on)mogelijk te maken.10