Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.2.1
X.2.1 De vernietiging van het jaarrekeningbesluit in de jaarrekeningprocedure
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178838:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Sinds de invoering ervan in 1971 tot medio 2014 bereikten 93 zaken de Ondernemingskamer, oftewel gemiddeld ongeveer twee zaken per jaar. Zie Beckman 2014, p. 1046, die de geringe populariteit van de jaarrekeningprocedure verklaart door de hogere effectiviteit van andere procedures. Ook na 2014 zijn er jaarlijks één of twee jaarrekeningprocedures. Zie ook Storm 2018, p. 692-693.
Zie ook HR 24 april 2009, NJ 2009/345, m.nt. Van Schilfgaarde (Spyker), rov. 3.4.3.
Zie art. 1002 lid 4 (oud) Rv, waarover Kamerstukken II 1967/68, 9 595, nr. 3, p. 21 (MvT Wet op de jaarrekening). Overigens kon de Ondernemingskamer vernietiging ook vóór 2006 vermijden door haar aanwijzingen te beperken tot toekomstige jaarrekeningen, zo blijkt uit de aangehaalde Kamerstukken.
Zie Beckman 2014, p. 1052, die becijfert dat van de 36 toewijzende beschikkingen tussen 1971 en 2014 in achttien gevallen het jaarrekeningbesluit werd vernietigd, oftewel in de helft van de gevallen. Na de wetswijziging van 2006 ligt dit niet veel anders. Volgens Beckman vernietigde de OK tussen 2006 en 2014 in twee van de zes procedures (afwijzende beschikkingen meegeteld). Na 2014 ging het om drie van de vier toewijzende beschikkingen, zo volgt uit de beschikkingen die tot mei 2019 op rechtspraak.nl zijn gepubliceerd.
OK 24 februari 2015, JOR 2015/106, m.nt. Josephus Jitta & Beckman (Brink Pluimveeproducten), OK 22 juni 2015, JOR 2016/155, m.nt. Josephus Jitta (New Store Europe) en OK 27 juli 2017, ARO 2017/167 (Van Erp).
Zie in dezelfde zin de kritische JOR-annotaties onder de in de vorige noot genoemde beschikkingen. Vgl. ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/596, waar Beckman opmerkt dat de vanzelfsprekendheid waarmee de Ondernemingskamer in de KPN-zaak vernietigde (in plaats van haar bevel gezien de geringe tekortkomingen te beperken tot toekomstige jaarrekeningen) nu juist mede aanleiding gaf tot de wetswijziging van 2006.
OK 28 juni 2018, JOR 2018/304, m.nt. Hijink (GGN Brabant), rov. 3.33. Vgl. ook OK 28 januari 2019, JOR 2019/106, m.nt. Hijink (GGN Holding), rov. 3.29.
OK 19 februari 2018, JOR 2018/123, m.nt. Beckman (Steinhoff).
Kenmerkend aan corporate litigation is dat zij procedures van eigen aard kent. De enquêteprocedure, de geschillenregeling en de uitkoopprocedure zijn voorbeelden van bijzondere wegen waarlangs conflicten rondom de rechtspersoon worden beslecht. Voor elk van deze rechtsgangen wijst de wet een bevoegde rechter aan, niet zelden een gespecialiseerde rechter met bijzondere bevoegdheden. Zo kan de Ondernemingskamer een rechtspersoon in distress de juiste weg wijzen door het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen.
Ook de jaarrekeningprocedure, vervat in art. 2:447-455 BW, is zo een bijzondere rechtsgang. Deze weinig gangbare procedure1 biedt een belanghebbende de mogelijkheid een jaarrekening, bestuursverslag of bijbehorende gegevens ter toetsing voor te leggen aan de Ondernemingskamer. De procedure strekt ertoe deze stukken in te richten conform de wettelijke normen (zie nader § 3.1). Waar de stukken niet voldoen, beveelt de Ondernemingskamer de herinrichting. Daarbij geeft de Ondernemingskamer ‘nauwkeurige aanwijzingen’, waarna het aan de rechtspersoon is de stukken dienovereenkomstig op te maken en de jaarrekening (opnieuw) vast te stellen (art. 2:451 lid 1 en 2 BW).
Art. 2:451 lid 4 BW regelt de gevolgen van een bevel tot herinrichting voor het jaarrekeningbesluit. Volgens die bepaling kan de Ondernemingskamer het besluit tot vaststelling van de litigieuze jaarrekening vernietigen.2 Opvallend is de ruimte die de wetgever de Ondernemingskamer laat. Waar een bevel tot 2006 per definitie tot vernietiging van het jaarrekeningbesluit leidde,3 kan de Ondernemingskamer thans de vernietiging achterwege laten indien het gegeven bevel geen ingrijpende consequenties heeft voor de jaarrekening als geheel of indien ‘overige omstandigheden’ daartoe aanleiding geven.4 In de praktijk lijkt de Ondernemingskamer, als zij een bevel geeft, in ongeveer de helft van de gevallen te vernietigen.5
Uit de vanaf 2015 genomen vernietigende beschikkingen blijkt niet altijd van terughoudendheid.6 Hoewel de vernietiging gezien de wettekst een ambtshalve bevoegdheid betreft die zij naar eigen discretie uitoefent, komt de Ondernemingskamer tot een vernietiging nadat de verzoeker daartoe uitdrukkelijk had verzocht. Sterker, in de bedoelde beschikkingen lijkt de Ondernemingskamer de vernietiging van het jaarrekeningbesluit te maken tot de kern van de procedure. Een motivering om te vernietigen ontbreekt. Een en ander strookt mijns inziens niet met de opbouw van art. 2:451 BW, dat het bevel tot herinrichting centraal stelt en de vernietiging slechts voorziet bij wijze van accessoire bevoegdheid.7 Maar recentelijk lijkt de Ondernemingskamer op dit punt haar leven te hebben gebeterd. In de GGN Brabant-beschikking motiveert zij de vernietiging van het aangevallen jaarrekeningbesluit uitdrukkelijk, door te stellen dat de gebreken in de jaarrekening een ‘aanzienlijk gebrek aan inzicht’ opleveren en dus voldoende zijn om tot vernietiging van het jaarrekeningbesluit te geraken.8 Aan de andere kant bevat de Steinhoff-beschikking geen motivering. De betwiste jaarrekening in die zaak was echter evengoed gebrekkig en reden om tot vernietiging over te gaan, al was die niet verzocht.9 Wat hiervan ook zij, feit blijft dat de verzoeker in een jaarrekeningprocedure maar moet afwachten of de Ondernemingskamer het jaarrekeningbesluit vernietigt. De Ondernemingskamer beschikt gezien art. 2:451 lid 4 BW immers van ambtswege en naar believen.