Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/6.4
6.4 De kwalificatie rituele slacht in nationale rechtspraak
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451597:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rath 1996, p. 45.
HR 4 november 1969, NJ 1970, 127, m.nt. Prins.
HR 4 november 1969, NJ 1970, 127, m.nt. Prins.
HR 4 november 1969, NJ 1970, 127, m.nt. Prins.
ARRvS 18 april 1989, AB 1989, 546, m.nt. J.A. Hofman.
Annotatie J.A. Hofmann bij ARRvS 18 april 1989, AB 1989, 546.
Vermoedelijk heeft Hofman zich bij deze uitleg laten leiden door Den Boer, NJCM-Bulletin 1987/12-2, p. 115, 116 (Hofman verwijst hier ook naar en Den Boer huldigt exact dezelfde opvatting).Handelingen II 2010/11, 96-16.
Rb. Arnhem 7 juli 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR0659, NJ 2011/427. Zie voor een nog recentere zaak: Rb. Midden-Nederland 29 maart 2013, ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ7311. In deze zaak stond het feit centraal dat de er buiten een slachthuis islamitisch ritueel was geslacht. De kwalificatie van de handeling als rituele slacht stond niet ter discussie.
In deze paragraaf bespreek ik de nationale jurisprudentie waarin de kwalificatie rituele slacht ter discussie stond. Zoals in de inleiding is opgemerkt zijn deze uitspraken schaars. Eind jaren zestig van de vorige eeuw werd de rechter voor het eerst geconfronteerd met zaken over moslims die in strijd met de wettelijke regels een geit of schaap hadden geslacht.1 In 1969 beriep een verdachte in een dergelijke zaak zich op de vrijheid van godsdienst. Het ging in deze zaak om een moslim die in strijd met de wet (artikel 6 van de Vleeskeuringswet jo. artikel 4 Vleeskeuringsverordening van de Gemeente Ede) had nagelaten de gemeente in kennis te stellen van zijn voornemen om een geit ritueel te slachten. De rechter kwalificeerde het op rituele wijze slachten van een geit als een vorm van religieus belijden die valt onder de bescherming van artikel 9 EVRM. De rechter overwoog dat de verdachte in verband met de Ramadan ingevolge het Mohammedaanse geloof op rituele wijze een geit had geslacht, en daarmee de voorschriften van zijn godsdienst onderhield. De rechter ontsloeg de verdachte van alle rechtsvervolging omdat in de zienswijze van de rechter de kennisgevingsverplichting een beperking was van zijn godsdienst die ‘niet noodzakelijk was voor de bescherming van de openbare gezondheid’.2 De rechter oordeelde dus dat niet voldaan was aan de voorwaarden opgenomen in de beperkingsclausule van artikel 9 lid 2 EVRM. Uiteindelijk bewandelde de Hoge Raad in deze zaak een andere weg. Hij stelde dat er geen sprake was van een beperking van de godsdienstvrijheid. Volgens de Hoge Raad komt artikel 9 EVRM niet een zo ruime betekenis toe dat:
‘... daarmede degene die op rituele wijze een geit wil slachten of doen slachten (...) wordt gevrijwaard van de verplichting om van het voornemen daartoe aan een bij of krachtens de wet aangewezen instantie kennis te geven’.3
De Hoge Raad past met deze uitspraak de leer van de redelijke uitleg van grondrechten toe. Een redelijk uitleg van de vrijheid om ritueel te slachten betekent niet dat men zich kan onttrekken aan de kennisgevingsverplichting. Overigens is in deze zaak ook de benadering van het OM interessant. In het cassatieberoep stelt het OM dat de rechter ten onrechte had aangenomen dat de rituele slacht door de verdachte moet worden aangemerkt als een vorm van religieus belijden (de wet kende nog geen uitzondering voor de rituele slacht van moslims). Het OM wijst daarbij op de ter zitting afgelegde verklaring van een deskundige die had verklaard: ‘De Mohammedaan is niet verplicht voor de Ramadan een dier te slachten, doch het is een goede gewoonte zulks te doen.’4 Met dit betoog laat het OM zien in casu voorstander te zijn van een objectiverende kwalificatiewijze, waarbij door een onafhankelijke deskundige beoordeeld wordt of een uiting of gedraging religieus van aard is.
In 1989 speelde een zaak over rituele slacht voor de ABRvS.5 In deze zaak werd niet inhoudelijk ingegaan op de vraag of ritueel slachten een godsdienstige uiting is. Het is dan ook niet de moeite waard om haar inhoudelijk te beschrijven. De annotatie van Hofman bij deze zaak is echter wel interessant. Hij gaat namelijk in op de vraag of alleen de consumptie van ritueel geslacht vlees onder de grondwettelijke belijdenisvrijheid zou moeten worden begrepen of dat ook de daad van het ritueel slachten zelf hieronder valt. Hofman stelt dat alleen het consumeren van ritueel geslacht vlees gezien moet worden als beschermde godsdienstuitoefening. Hofman overweegt dat het niet kunnen consumeren van ritueel geslacht vlees bij de gelovige mogelijk tot gewetensnood leidt. Om die reden vindt hij dat het consumeren valt onder de reikwijdte van de godsdienstvrijheid. Dit in tegenstelling tot het slachten zelf. Dit is volgens Hofman slechts het creëren van een mogelijkheid tot het consumeren van ritueel geslacht vlees. Hofman meent dan ook, dat het niet faciliteren van ritueel slachten in Nederland door middel van het opheffen van de uitzonderingsbepalingen, niet in strijd is met artikel 6 Grondwet, zolang het consumeren van ritueel slachten maar niet feitelijk onmogelijk wordt gemaakt door de instelling van een importverbod.6 De annotatie van Hofman bij de uitspraak van de ABRvS van 1989 wijst erop dat de kwalificatie van rituele slacht als een godsdienstige uiting indertijd niet zo vanzelfsprekend was. We komen zijn opvatting ook tegen bij andere auteurs zoals Den Boer.7
Tot slot dient vermeld te worden dat er betrekkelijk recent in 2011 nog een uitspraak is geweest van de voorzieningenrechter Arnhem naar aanleiding van het wetsvoorstel van Thieme. Het ging in deze uitspraak om de juistheid van het wetenschappelijke bewijs dat zou moeten aantonen of rituele slacht minder of juist meer diervriendelijk is dan de reguliere slacht. In deze uitspraak staat de kwalificatie van de rituele slacht niet op de voorgrond. De rechter kwalificeert zonder terughoudendheid de rituele slacht als religieuze uiting in de zin van artikel 9 EVRM.8
Op grond van de hierboven besproken zaken kunnen we concluderen dat in de uitspraak van de rechter in eerste aanleg uit 1969 en in de laatst besproken uitspraak van de voorzieningenrechter uit 2011 de rituele slacht wordt gekwalificeerd als een religieuze uiting die valt onder de godsdienstvrijheid. Uit het verweer van het OM in de zaak uit 1969 en uit de conclusie van de Advocaat-Generaal Remmelink kunnen we afleiden dat het in die tijd nog niet geheel onbetwist was of dat de islamitische rituele slacht net als de joodse rituele slacht een godsdienstige uiting was in de zin van de godsdienstvrijheid. Wat dat betreft sluit de ontwikkeling in de rechtspraak aan bij de ontwikkeling in de wetgeving. Op grond van de annotatie van Hofman bij de uitspraak van de ABRvS uit 1989 kunnen we constateren dat in de literatuur de opvatting bestond dat niet zozeer de rituele slacht zelf onderdeel vormde van de godsdienstvrijheid maar veeleer het consumeren van ritueel geslacht vlees.