Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.5
8.5 De parlementaire behandeling van het ESM-verdrag
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458907:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voluit gaat het om de volgende wetsvoorstellen: Goedkeuring van het op 2 februari 2012 te Brussel tot stand gekomen Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland, 33221; Goedkeuring van het Besluit van de Europese Raad van 25 maart 2011 tot wijziging van artikel 136 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met betrekking tot een stabiliteitsmechanisme voor de lidstaten die de euro als munt hebben, 33220; Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 2012 (Incidentele suppletoire begroting ESM), 33215. Zie voor de samengevoegde behandeling van die voorstellen: Handelingen II 2011/12, 85, 17; Handelingen II 2011/12, 86, 3; Handelingen II 2011/12, 87, 5; Handelingen I 2011/12, 34, 10; Handelingen I 2011/12, 36, 5. Vanwege het belang van het opnemen van de consequenties van het ESM voor de begroting werd ervoor gekozen om die wijziging in een aparte suppletoire begroting op te nemen en daarmee niet te wachten tot de reguliere suppletoire begroting, die tegelijk met de Voorjaarsnota wordt ingediend (zie: Kamerstukken II 2011/ 12, 33215, 2, p. 1).
Op grond van artikel 91, eerste lid, Gw behoefde het ESM-verdrag goedkeuring van de Staten-Generaal. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer voegde de behandeling van de goedkeuringswet samen met die van de goedkeuringswet van de wijziging van artikel 136 VWEU en van de incidentele suppletoire begroting die vanwege het ESM werd ingediend.1 Het maatschappelijk kapitaal van het ESM van 700 miljard euro betekende bij het aannemen van de wetsvoorstellen een betalingsverplichting voor Nederland van 40 miljard euro.2 Hiervan zou ongeveer 4,6 miljard euro in het ESM gestort worden. De overige 35,4 miljard euro was opvraagbaar.
Hieronder besteed ik allereerst aandacht aan de rechtszaak die gevoerd werd om de behandeling van deze wetsvoorstellen uit te stellen (par. 8.5.1). Vervolgens ga ik in op de parlementaire betrokkenheid bij het ESM (par. 8.5.2), waarna de externe controle op het permanente noodfonds aan bod komt (par. 8.5.3). Aansluitend behandel ik de discussie die in het parlement speelde over de verhouding tussen het ESM en de no bail out-clausule van artikel 125 VWEU (par. 8.5.4). Tot slot komt het verband tussen het ESM en de wijziging van artikel 136 VWEU aan de orde (par. 8.5.5).
8.5.1 De rechtszaak over het ESM-verdrag8.5.2 De parlementaire betrokkenheid bij het ESM8.5.3 De externe controle op het ESM8.5.4 De no bail out-clausule (I)8.5.5 De wijziging van artikel 136 VWEU