De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.4.6:8.3.4.6 De inhoud en toon van het advies en de schijn van partijdigheid
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.4.6
8.3.4.6 De inhoud en toon van het advies en de schijn van partijdigheid
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701955:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4033 (Amersfoort).
ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4033 (Amersfoort), r.o. 8.1.
ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4033 (Amersfoort), r.o. 8.1.
ABRvS 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2477; ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2979; ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:914; ABRvS 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1878; ABRvS 30 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP9544; ABRvS 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3801; ABRvS 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3242.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook buiten de situatie waarin de (plan)schadeadviseur, of diens kantoorgenoten, met een dubbele pet handelt respectievelijk handelen, kan zich een gebrek aan de onpartijdigheid voordoen. In de uitspraak Amersfoort was de toon van het advies, de selectie van feiten en aannames en de wijze waarop de adviseurs welbewust leken te hebben toegeschreven naar een door de gemeente gewenste uitkomst, de reden waarom de Afdeling een gebrek aan de onpartijdigheid aannam.1 De zaak betrof de plaatsing van een zogenaamde urilift – een openbaar toilet dat in de grond kan verdwijnen – voor de deur van de horecagelegenheid van appellante. De adviseurs werd opgedragen te onderzoeken of de daardoor geleden (tijdelijke) inkomensderving voor vergoeding in aanmerking kwam.
Bij dat onderzoek gaven de adviseurs onder meer te kennen zich ‘niet vrij te voelen’ om op het uitgebrachte concept-rapport, waar appellante zich niet mee kon verenigen, terug te komen.2 Daarnaast werden irrelevante omstandigheden in het onderzoek betrokken, terwijl aan meermaals herhaalde stellingen van appellante in het geheel geen aandacht werd geschonken. Sterker nog, de adviseurs insinueerden – zonder verdere onderbouwing – dat de schade ook wel het gevolg kon zijn van een ‘persoonlijke campagne’ tegen de schadeveroorzakende maatregel aan de zijde van appellante. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak doen dergelijke opmerkingen afbreuk aan de gedegenheid van het advies en hadden de adviseurs zich hiervan moeten onthouden.3 In overige zaken waarin appellanten betoogden dat inhoudelijke gebreken aanleiding waren voor twijfel aan de onpartijdigheid heeft de Afdeling hen overigens nooit gevolgd.4