De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.3.4:5.3.4 De spreekrechten
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.3.4
5.3.4 De spreekrechten
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS390893:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2008-2009, 31877, nr. 4, p. 6-7.
E.O. Bijkerk, ‘Het spreekrecht van de OR nader belicht’, Vennootschap & Onderneming 2011-2, p. 27.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de regeling inzake de spreekrechten van de or bevat een specifieke bepaling voor internationale concerns. Art. 2:107a lid 4, 2:134a lid 2, 2:135 lid 3 en 2:144a lid 2 BW bepalen dat in concerns het spreekrecht ook kan worden uitgeoefend door de ondernemingsraden van dochtervennootschappen, mits de meerderheid van de werknemers van het concern in Nederland werkzaam is. Bij (internationale) concerns waarvan het zwaartepunt in Nederland ligt, wordt de medezeggenschap dus toegerekend aan de ondernemingsraden van de dochtervennootschappen, evenals bij de structuurregeling. De toerekening van de medezeggenschap vindt niet plaats als de meerderheid van de werknemers binnen het concern werkzaam is in het buitenland.
Indien de Nederlandse holding de rechtsvorm van een NV heeft, rijst de vraag of de (c)or van deze NV het spreekrecht kan uitoefenen. Een strikte lezing van deze artikelen noodzaakt tot de conclusie dat deze ‘zwaartepunttoets’ alleen geldt voor de uitoefening van de spreekrechten door de ondernemingsraden van de dochtervennootschappen. De toets geldt niet in het geval dat de Nederlandse holding-NV zelf een or heeft ingesteld. De regeling lijkt er bovendien van uit te gaan dat een in Nederland gevestigde topholding van een internationaal concern geen eigen or heeft. De vraag is wat de bedoeling is geweest van de minister. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel staat ten aanzien van de internationale aspecten van de spreekrechten het volgende:
De voorgestelde regeling betekent dat in een internationaal concern, waarvan de meerderheid van de werknemers binnen Nederland werkzaam is, de Nederlandse werknemers een standpunt kunnen bepalen ten aanzien van het bezoldigingsbeleid, bestuursbesluiten in de zin van artikel 2:107a BW en besluiten tot benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen. De buitenlandse werknemers kunnen geen standpunt bepalen. In het geval van een internationaal concern waarvan de minderheid van de werknemers binnen Nederland werkzaam is, wordt in ieder geval ten aanzien van de vennootschappen die onder de WOR vallen voorzien in een opiniërende rol van de ondernemingsraad met betrekking tot het bezoldigingsbeleid, bestuursbesluiten in de zin van art. 2:107a BW en de besluiten over benoeming en het ontslag van bestuurders en commissarissen. In het geval een minderheid in Nederland werkzaam is en er geen eigen ondernemingsraad is ingesteld, vindt geen toerekening plaats aan een dochtermaatschappij waarbij wel een ondernemingsraad is ingesteld.1
Uit het laatste stuk van dit citaat kan worden opgemaakt, dat de wetsbepalingen inderdaad zo moeten worden gelezen dat in het geval van een internationaal concern waarvan de meerderheid van de werknemers in het buitenland werkzaam is geen toerekening van het spreekrecht plaatsvindt. In dat geval rust het spreekrecht bij de (c)or. De concernmaatschappijen met de rechtsvorm van NV zijn wel onderworpen aan dit spreekrecht. Nadat verschillende fracties vragen hebben gesteld over deze passage in de memorie van toelichting2 gaat de minister in de memorie van antwoord dieper in op de internationale aspecten van de besluitvorming.
Hij zegt:
“Indien de vennootschap een topholding is van een concern waarvan de meerderheid van de werknemers buiten Nederland werkzaam is, geldt dat het spreekrecht niet van toepassing is.”3
En later:
“Het kabinet heeft er niet voor gekozen te bepalen dat de ondernemingsraad het recht krijgt een standpunt op te stellen en dit toe te lichten in de algemene vergadering, wanneer het merendeel van de werknemers van de vennootschap buiten Nederland werkzaam is. De ondernemingsraad vertegenwoordigt slechts de werknemers die in Nederland werkzaam zijn. Het ligt dan niet in de rede dat een minderheid van de werknemers spreekt namens alle werknemers”.4
Dit citaat impliceert een ruimere werking van de “zwaartepunttoets”: indien de meerderheid van de werknemers in het buitenland werkzaam is, zijn de spreekrechten niet van toepassing, ook niet indien de holding een Nederlandse NV betreft. De achtergrond hiervan is het eerder genoemde legitimiteitbeginsel. Deze benadering sluit aan bij de uitzonderingen van de structuurregeling. Een belangrijk verschil tussen de spreekrechten en de structuurregeling is echter, dat de eenheid van het concern niet door de toepasselijkheid van het spreekrecht in gevaar wordt gebracht, hetgeen de achtergrond is van de internationale-holdingvrijstelling van de structuurregeling. De macht van de aandeelhoudersvergadering (de moedervennootschap) wordt bij de structuurregeling slechts beperkt toegepast. Aansluiting bij de concernbepalingen in de structuurregeling lijkt voor de hand te liggen, maar is mijns inziens niet nodig. Net als Bijkerk ben ik van mening dat hier de tekst van de wet moet worden gevolgd en niet de onduidelijke interpretatie ervan door de minister.5 Op het niveau van de Nederlandse topholding moet het spreekrecht worden uitgeoefend door de aldaar aanwezige or. Indien die niet aanwezig is, wordt deze toegerekend aan de ondernemingsraden van dochtervennootschappen, waarbij de zwaartepunttoets moet worden uitgevoerd.
In tegenstelling tot de structuurregeling geldt geen vrijstelling voor dochtervennootschappen van NV’s waarbij een spreekrecht wordt uitgeoefend. In de praktijk zal het echter zelden voorkomen dat een dochtervennootschap in de rechtsvorm van een NV wordt gedreven. Alleen als een rechtsvormplicht geldt, bijvoorbeeld bij verzekeringsmaatschappijen, zou een dochtervennootschap de rechtsvorm van een NV kunnen hebben. In dat geval zal op het niveau van de dochter-NV ook het spreekrecht worden uitgeoefend.