Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.4.2
3.4.2 Het achteraf ontbreken van een vordering
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950302:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit betreft dus niet het geval waarin de vordering niet of niet meer bestaat (waarover § 2.8 en § 3.4.1), maar het geval waarin de vordering geacht wordt nooit te hebben bestaan.
Zie voor een ander voorbeeld Rb. Rotterdam 8 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12810, r.o. 4.4-4.6.
Onduidelijk is of CIA een beroep deed op een wettelijk opschortingsrecht of het tussen partijen overeengekomen opschortingsrecht in bepaling 2.4 van de koopovereenkomst, zoals geciteerd in HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 3.2.2. Dat is in dit verband niet relevant.
Hof Amsterdam 7 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1290, r.o. 3.2 en 3.6-3.6.1.
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 4.5. Zie over dit arrest ook Boeve 2018b; Hijma 2017b, p. 782-783 en de Bie Leuveling Tjeenk 2016.
Hijma 2017a, par. 8.
Zie over de mogelijkheid van een eis in reconventie in een vrijwaringszaak De Folter, Vrijwaring & Interventie (BPP nr. 11) 2009/83 en Heemskerk 1972, p. 57.
Zie § 3.4.1.
In het geval waarin het hof in het hoger beroep van de hoofdzaak tot eenzelfde oordeel als de rechtbank komt, maar in de vrijwaringszaak oordeelt dat C niet jegens B aansprakelijk is, voert A tegen de eis in reconventie in de hoofdzaak mogelijk terecht een opschortingsverweer, maar ontbeert B dat verweer tegen de eis in reconventie in de vrijwaringszaak, omdat B geen vordering heeft op C (zie § 3.4.1).
Zie § 2.7.2.
Zie § 4.3.3 en § 4.5. Zie voor de ongedaanmakingsverbintenissen na ontbinding art. 6:271 BW. Na vernietiging vloeien deze verbintenissen voort uit art. 3:53 BW jo.6:203 e.v. BW.
De vordering van de schuldenaar in verband waarmee hij opschortingsbevoegd was, kan, achteraf, met terugwerkende kracht, ontbreken, waardoor de vraag rijst of de schuldenaar zich, gedurende de periode dat hij een vordering had, gerechtvaardigd heeft beroepen op het algemene opschortingsrecht.1 Ter illustratie behandel ik het geval waarin de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij afhankelijk is van een eventuele verbintenis van de schuldenaar jegens een derde en het geval waarin de aan de vordering onderliggende rechtsverhouding geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd.
Het bestaan van de vordering in verband waarmee de schuldenaar zich beroept op een opschortingsrecht kan afhankelijk zijn van een vordering die een derde op de schuldenaar pretendeert te hebben. Achteraf kan blijken dat deze vordering van de derde niet bestaat. Daaruit volgt dan dat ook de vordering van de schuldenaar op zijn schuldeiser niet bestaat. In dat geval ontbreekt het de schuldenaar achteraf bezien aan de vereiste vordering.
Een dergelijk geval deed zich voor in het arrest CIA/Heredium.2 Heredium verkocht de aandelen die zij hield in Heredium Magnum aan CIA. Partijen spraken af dat CIA een deel van de koopsom zou betalen na de overdracht van de aandelen. Tot het vermogen van Heredium Magnum behoorde een gebouw. Partijen waren in de veronderstelling dat uit hoofde van de koopovereenkomst geen overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn, omdat het gebouw niet door Heredium aan CIA zou worden overgedragen en dus niet van eigenaar veranderde. Desalniettemin hebben partijen afgesproken dat als wel overdrachtsbelasting verschuldigd zou zijn, Heredium deze zou voldoen. De Belastingdienst legde aan CIA een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op. In verband met onder andere de vordering van CIA op Heredium als gevolg van de naheffingsaanslag, schortte CIA de betaling van een deel van de resterende koopsommen op.3 De naheffingsaanslag is onherroepelijk vernietigd en op nihil gesteld. Heredium vorderde in conventie betaling van de resterende koopsom en een contractueel verbeurde boete wegens de tekortkoming van CIA in de nakoming van de koopovereenkomst, omdat zij – naar achteraf is gebleken – ten onrechte de betaling van de resterende koopsom heeft opgeschort, nu het haar door de vernietiging van de naheffingsaanslag met terugwerkende kracht aan een vordering op Heredium heeft ontbroken. Om deze reden vorderde Heredium ook vertragingsschade in de vorm van rente over de beide gevorderde bedragen. Het hof oordeelde echter dat CIA niet in verzuim was geraakt en daarom niet de contractuele boete noch de vertragingsschade was verschuldigd, omdat zij op goede gronden haar betalingsverplichtingen had opgeschort.4 De Hoge Raad liet dit oordeel in stand:
“Op zichzelf terecht voeren de onderdelen 1a en 1d aan dat de vernietiging van de naheffingsaanslag terugwerkende kracht had, zodat – achteraf bezien – deze aanslag in de verhouding tussen de Belastingdienst en CIA nimmer de daarmee beoogde rechtsgevolgen heeft gehad. Maar in de verhouding tussen partijen bij de koopovereenkomst – CIA en Heredium – was en bleef deze naheffingsaanslag in de periode dat zij nog niet (onherroepelijk) was vernietigd, mede bepalend voor hetgeen die overeenkomst in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van CIA vergde. Ingevolge art. 12.1, aanhef en onder (b), van de koopovereenkomst was Heredium immers in de verhouding tussen partijen de materieel belanghebbende bij het door CIA tegen de naheffingsaanslag gevoerde verweer omdat de genoemde bepaling meebracht dat Heredium in relatie tot CIA het risico droeg van het slagen of falen van dit verweer. De opschorting was dus – ook achteraf bezien, met inachtneming van de vernietiging van de naheffingsaanslag – in de relatie tussen partijen gerechtvaardigd, zodat CIA door die opschorting niet tegenover Heredium tekortschoot.”5
Terecht heeft Hijma bij dit arrest opgemerkt ‘dat zeker niet iedere partij die wegens de verstoring door een derde opschort, zal worden gesauveerd’. Naar zijn inschatting zou de opschorting door CIA ‘veel sneller’ tot een tekortkoming hebben geleid als het contractuele beding dat een eventuele naheffing door Heredium moest worden betaald er niet zou zijn geweest.6 Dat vind ik een betrekkelijk open deur, want zonder dat beding is het zeer de vraag of CIA vanwege die naheffingsaanslag wel een vordering op Heredium zou hebben gehad, in verband waarmee zij dan de van haar verlangde betaling van de resterende koopsom zou kunnen opschorten. Dat in dit geval twijfel over de opschortingsbevoegdheid van CIA bestond, was niet zo zeer vanwege de vraag of Heredium jegens CIA aansprakelijk was voor het bedrag van de naheffingsaanslag, maar omdat de naheffingsaanslag was vernietigd en op nihil gesteld, waardoor CIA geen naheffing verschuldigd was en dus geacht moet worden geen vordering op Heredium te hebben gehad.
Een op CIA/Heredium gelijkend geval kan zich voordoen in het volgende voorbeeld van mijzelf, waarin partijen bij een hoofd- en vrijwaringszaak over en weer rechtsvorderingen hebben ingesteld.
A geeft aan hoofdaannemer B opdracht tot het realiseren van een aanbouw aan zijn woning. B schakelt voor de dakbedekkingswerkzaamheden onderaannemer C in. Het dak blijkt lek. A vordert in de hoofdzaak van B herstel van het dak en schadevergoeding. B betwist aansprakelijk te zijn in conventie en vordert in reconventie vergoeding van de resterende aanneemsom. A beroept zich in reconventie op het algemene opschortingsrecht. Voor het geval de vordering van A in conventie wordt toegewezen, stelt B zich in de door hem tegen C geëntameerde vrijwaringszaak op het standpunt dat C jegens hem aansprakelijk is tot hetgeen waartoe hij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld. C betwist aansprakelijkheid in conventie in de vrijwaringszaak en vordert in reconventie in de vrijwaringszaak veroordeling van B tot betaling van de overeengekomen aanneemsom.7 B beroept zich in reconventie op artikel 6:52 lid 1 BW.
Wanneer de rechtbank de vorderingen van A jegens B in de hoofdzaak en van B jegens C in de vrijwaringszaak toewijst, hebben A en B een vordering op respectievelijk B en C, in verband waarmee zij bevoegd kunnen zijn de gevorderde betaling van de aanneemsom op te schorten in de procedures in reconventie. Gesteld dat het hof vervolgens in het hoger beroep van de hoofdzaak tot een ander oordeel komt, heeft A geen vordering op B, zodat A niet opschortingsbevoegd is in de procedure in reconventie.8 Het opschortingsverweer van B tegen de eis in reconventie in de vrijwaringszaak deelt dat lot, omdat de uitkomst van deze zaak afhankelijk is van de uitkomst in de hoofdzaak.9
Voorgaande gevallen hebben betrekking op een situatie waarin de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij afhankelijk is van een eventuele verbintenis van de schuldenaar jegens een derde (CIA jegens de Belastingdienst; B jegens A). Het is echter niet ondenkbaar dat het een schuldenaar ook in een geval waarbij alleen hij en zijn wederpartij zijn betrokken, achteraf bezien, met terugwerkende kracht, kan ontbreken aan een vordering op zijn wederpartij. Dat kan zich voordoen in het geval waarin de rechtsverhouding waarop dat vorderingsrecht berust geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, zoals aan de orde in het volgende voorbeeld van mijzelf.
Ten behoeve van een investering betrekt A geld van B. Partijen sluiten één overeenkomst, waarin zij afspreken dat A 50% van het bedrag voor onbepaalde tijd zal lenen van B. Wel zal A iedere maand rente over de lening betalen. Voorts spreken partijen in die overeenkomst af dat B de andere 50% van het bedrag zes maanden na betaling van de lening aan A zal schenken. A komt zijn rentebetalingsverplichtingen van meet af aan niet na. Op een zeker moment verlangt A nakoming van de schenking. In verband met zijn vordering tot betaling van de rente schort B de nakoming van de schenking op. A vernietigt vervolgens met succes de renteafspraak wegens dwaling.
Door de vernietiging wegens dwaling ontbreekt het B achteraf bezien, met terugwerkende kracht, aan de vordering op A in verband waarmee hij de door A verlangde nakoming van de schenking opschortte. Of het opschortingsverweer van B voor zijn risico komt, zodat hij schadeplichtig is jegens A, is mede afhankelijk van de vraag voor wiens risico de vernietigingsgrond te rekenen is.10
In een geval waarin sprake is van één verbintenis en één vordering tussen dezelfde partijen en die vordering niet afhankelijk is van een eventuele verbintenis jegens een derde, lijkt het mij niet goed voorstelbaar dat de gehele of gedeeltelijke vernietiging of ontbinding van de rechtshandeling of rechtshandelingen waarop deze verbintenissen over en weer berusten, leidt tot het achteraf mogelijk ontbreken van een opschortingsbevoegdheid wegens gebrek aan een vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij. Wanneer de verbintenissen nog niet zijn nagekomen, behoeven deze na vernietiging of ontbinding niet meer te worden nagekomen, zodat het niet nodig is een opschortingsverweer te voeren. Dat geldt ook als één van de partijen zijn verbintenis is nagekomen. Voor deze partij resteert een ongedaanmakingsvordering op de andere partij. Voor zover beide partijen hun verplichtingen zijn nagekomen, resteren ongedaanmakingsverbintenissen over en weer, die voortvloeien uit de vernietigde of ontbonden rechtshandeling of rechtshandelingen en die in beginsel een beroep op een opschortingsrecht rechtvaardigen.11