Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/2.3.4.1
2.3.4.1 Ruimte voor private personen
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS498711:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het lijkt voor de hand te liggen dat de van de PvdA afkomstige Geelhoed meer belangstelling had voor de stuurkracht van de overheid en de christendemocraat E.M.H. Hirsch Ballin meer voelde voor een benadering waarin werd gezocht naar meer ruimte die de overheid zou moeten laten om zaken in eigen gelederen te regelen. Zowel het katholieke subsidiariteitsbeginsel als het calvinistische beginsel van soevereiniteit in eigen kring inspireren tot een dergelijke benadering.
Die benadering kwam in het wetgevingsbeleid toen E.M.H. Hirsch Ballin in 1987 als regeringscommissaris voor de toetsing van wetgeving aantrad. Hij wilde niet zozeer wetgeving als instrument van overheidssturing verbeteren, maar de wetgeving zoveel mogelijk aan maatschappelijke actoren, als zelfregulering, overlaten. In die benadering pasten open normen bijzonder goed. De weerslag van Hirsch Ballins benadering – intussen als Minister van Justitie – treft men in het inmiddels klassieke beleidsplan ‘Zicht op wetgeving’ (Kamerstukken II 1990/91, 22008, 1 en 2) en in de Aanwijzingen voor de regelgeving van 1992 (Circulaire van de Minister-President van 18 november 1992, Stcrt. 1992/230).
In het eerste decennium van deze eeuw werd, nu onder leiding van Minister van Justitie P.H. Donner, de verdeling van verantwoordelijkheid tussen overheid en burgers nog eens centraal gesteld, waarbij de overheid de burgers de ruimte moest laten om zoveel als mogelijk hun eigen problemen op te lossen (‘Rechtsstaat en rechtsorde, ‘nota Bruikbare rechtsorde’’, Kamerstukken 2003/04, 29279, 9). Het scheppen van ruimte als opdracht aan de wetgever zien we ook in het recente wetgevingsbeleid. Daar gaat het in eerste instantie om ruimte voor innovatie (brief van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Veiligheid en Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer, 7 juli 2016).
De uiteenlopende vormen van zelfregulering, inclusief voorbeelden en opsomming van voor- en nadelen, treft men in: Eijlander & Voermans 2000, p. 71 e.v. Van Ommeren onderscheidt uiteenlopende varianten van wettelijke geconditioneerde zelfregulering (Van Ommeren 2012, p. 214 e.v.).
Eijlander en Voermans 2000, p. 75.
Biezeveld 2002, p. 52 e.v.
Stamhuis wees met name op de afwezigheid van (vertegenwoordigers van) werknemers (Stamhuis 2006).
Overmars toonde deze onduidelijkheid aan bij de Gedragscode internationale student in het Nederlandse hoger onderwijs. De door een commissie uit het onderwijsveld opgestelde gedragscode bevat bepalingen over de opname in een register, maar de beoordeling van een aanvraag tot opname in het register werd volgens deze code in handen van het overheidsorgaan DUO gelegd (Overmars, RegelMaat 2016/1, p. 42-55).
Enequist vergelijkt het proces van concretisering van de wettelijke doelstelling in Nederland met die van Zweden. Waar in ons land de zorgaanbieders de eerstverantwoordelijken zijn voor de concretisering, zijn dat in Zweden de gemeentes. Het leidt inhoudelijk niet tot grote verschillen. Wel is de rol van de inspectie in Nederland aanmerkelijk groter. Dat verschil komt voort uit het feit dat de concretiserende actoren in Nederland private organisaties en in Zweden publieke organisaties zijn (Enequist 2015).
Timmer 2011.
Zie hierover: Westerman 2010, p. 225-242, en Westerman 2011, p. 87-110.
Grondregel van de rechtsstaat is dat de overheid niets mag, tenzij de wet het toestaat, en de burgers alles mogen, tenzij de wet het verbiedt. Dit betekent dat personen en organisaties vrij zijn om te regelen, tenzij de bevoegdheid van de overheid (op wettelijke grondslag), hieraan in de weg staat. Zo stellen personen de nodige regels op als hoofd van een huishouding, als werkgever en als bestuur van een sportbond. In de eerste rol (hoofd van de huishouding) gaat het meestal om ongeschreven regels, in de laatste (bestuur van een sportbond) vaak ook om geschreven regels zoals spelregels. Er is altijd veel zelfregulering geweest, maar die term werd pas gebruikt toen het onderdeel werd van wetgevingsbeleid.
In de beginperiode van het wetgevingsbeleid (jaren tachtig van de vorige eeuw) ging het in belangrijke mate om het streven naar minder wettelijke regels, beducht als men was voor de negatieve effecten ervan voor de sturingskracht van de overheid. Al gauw moest dit streven plaatsmaken voor een ander beleid waarbinnen een andere verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en maatschappelijke actoren centraal stond. In deze beleidswijziging is de invloed van de latere minister Hirsch Ballin terug te zien.1 De aandacht voor deze mogelijkheid steeg toen rondom 1990 het wetgevingsbeleid meer werd gericht op de (her)verdeling tussen overheid en samenleving, waarbij aan de maatschappelijke actoren een substantiële deelname in de regelgeving werd toegedacht.2 In het latere wetgevingsbeleid is deze benadering voortgezet, steeds met weer nieuwe accenten.3
Zelfregulering vindt haar oorsprong lang niet altijd in een open norm van de wetgever. In veel gevallen is sprake van zogenoemde zuivere zelfregulering, waarbij private personen het initiatief nemen tot regulering zonder dat de wetgever daarbij enig initiatief heeft ontplooid. Dat is anders wanneer de overheid aangeeft dat zij met wetgeving komt, wanneer het desbetreffende maatschappelijke veld niet zelf zorgt voor regulering. De open wettelijke norm als basis voor zelfregulering komt echter pas in beeld bij wat wordt aangeduid met de term ‘wettelijk geconditioneerde zelfregulering’.4 Eijlander en Voermans hebben diverse voordelen genoemd van zelfregulering en dus ook van de open wettelijke normen die daarvoor de ruimte bieden. De belangrijkste zijn wel dat deze regulering beter aansluit op het handelingsperspectief van betrokkenen en dat daarvan een grotere bereidheid tot naleving mag worden verwacht.5 Waar, bijvoorbeeld, artikel 7:453 BW voorschrijft dat medische hulpverleners bij de uitoefening van hun werk de eisen van een goed hulpverlener in acht moeten nemen, zal het de herkenbaarheid, acceptatie en navolging van die eisen ten goede komen wanneer zij zijn opgesteld door (vertegenwoordigers van) de professionals zelf.
Er zijn overigens niet slechts voordelen verbonden aan het bieden van reguleringsruimte aan personen en organisaties door de wetgever. Dat het aan een bepaalde branche wordt overgelaten betekent nog niet dat alle belanghebbenden binnen die branche over dezelfde representatiekans beschikken. Een klassiek voorbeeld doet zich voor wanneer de wetgever bedrijven de ruimte laat om bepaalde milieuvoorwaarden op te stellen, waarbij grote bedrijven meer invloed kunnen uitoefenen op de inhoud van die voorwaarden en daarmee een concurrentievoordeel kunnen verwerven.6 Stamhuis constateerde bijvoorbeeld in haar promotieonderzoek een onevenwichtige representatie bij de opstelling van de code-Tabaksblat.7
Aan de wettelijk geconditioneerde zelfregulering, waarbij open normen worden gehanteerd, kleven meer bezwaren. Zo kan onduidelijk zijn wat de grondslag is voor de desbetreffende normering en, in het verlengde daarvan, wat de basis is voor handhaving van de regelgeving.8 Op het terrein van open normen hebben de doelbepalingen steeds meer aandacht gekregen, zowel in het wetgevingsbeleid als in de rechtsleer. De wetgever volstaat hier met de formulering van een abstracte doelstelling en laat de verdere concretisering over aan het desbetreffende veld. Enequist onderzocht het optreden van uiteenlopende actoren bij de concretisering van het doel van verantwoorde zorg te leveren door de zorgaanbieders. Een representatieprobleem deed zich hier niet voor, omdat beslissingen over wat goede en verantwoorde zorg is, goeddeels worden genomen door personeel en cliënt bij de bespreking van het zorgplan. Enequist vraagt aandacht voor de taakverdeling tussen de normadressaten en de inspectie (voor de gezondheidszorg). De normadressaten moet voldoende vrijheid worden gelaten bij het concretiseren van de abstracte norm, terwijl de inspectie erop moet toezien dat de concretisering nog wel binnen de doelstelling van de wetgever blijft.9 Het risico dat de inspectie teveel ruimte neemt bij de concretisering van de doelwet is niet denkbeeldig. Timmer ontdekte dat zowel de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat als die van Onderwijs, de open doelnorm zo gedetailleerd invullen dat voor de normadressaten geen ruimte meer overblijft, in strijd met de wil van de wetgever.10
Het is dus niet steeds zo dat open normen als doelbepalingen personen en organisaties de ruimte bieden tot zelfregulering. Instanties als de inspectie vullen die ruimte soms gedeeltelijk of zelfs volledig in. Bovendien is de aanleiding voor de wetgever om ruimte te laten lang niet altijd het geven van meer autonomie aan personen en organisaties, maar onvoldoende kennis bij de wetgever om nader te regelen, als gevolg van de complexiteit van de materie of de onvoorspelbaarheid van de effecten van de nadere regelgeving. Voor zover wel ruimte blijft voor private personen en instanties tot verdere normering, gaat het bij doelbepalingen lang niet altijd om verkregen vrijheden, maar om opgelegde plichten om het overheidsbeleid nader in te vullen.11