Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.5.4
3.5.4 Wet op de economische delicten
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS386198:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Keulen 2011, p. 115.
Zie ook Keulen 2011, p. 115.
Zo verklaarde de rechtbank Amsterdam het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging omdat verdachte ter zake van dezelfde feiten reeds een bestuurlijke boete (€ 56.000,-) had gekregen wegens overtreding van artikel 2 Wet arbeid vreemdelingen. De tenlastelegging in de strafzaak was geënt op artikel 197a Sr (behulpzaam zijn bij illegaal verblijf), maar zag in feite op artikel 197b Sr (het tewerkstellen van illegale vreemdelingen). De rechtbank oordeelde dat het om dezelfde feiten ging als waarvoor bestuurlijk reeds was beboet. Nu de uitspraak in de bestuurlijke procedure onherroepelijk is geworden, diende deze, gelet op artikel 243 Sv, als een kennisgeving van niet-vervolging te worden aangemerkt en bracht dat niet-ontvankelijk met zich. Rb Amsterdam 15 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ6388.
HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.
De Wet op de economische delicten (WED) vormt een kader voor de strafrechtelijke handhaving van veel ordeningswetgeving.1 In de artikelen 1 en 1a WED worden de overtredingen van bepaalde voorschriften als economisch delict aangemerkt.2Artikel 2 WED geeft aan welke delicten misdrijven en welke overtredingen betreffen. Artikel 6 WED bepaalt vervolgens welke hoofdstraffen op de economische delicten staan. En de artikelen 7 en 8 WED bevatten een aantal bijkomende straffen en maatregelen die bij economische delicten kunnen worden opgelegd (zoals het stilleggen van de onder- neming van veroordeelde).3 De WED maakt gebruik van gelede normstelling. De toepasselijkheid van de WED is dus niet zomaar in de WED zelf te vinden, samenhangende regelingen dienen eveneens te worden geraadpleegd.
Bepaalde economische delicten kunnen zijn gerelateerd aan mensenhandel. Zo zijn overtredingen van specifieke voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet, de Arbeidstijdenwet, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet minimumloon en vakantiebijslag opgenomen in de WED en kunnen deze een rol spelen in mensenhandelzaken. In deze paragraaf zal nader worden ingegaan op deze bijzondere wetten die onder omstandigheden cumulatief of subsidiair ten laste gelegd zouden kunnen worden in arbeidsuitbuitingszaken. Analyse van rechtspraak toont overigens aan dat in de gewezen arbeidsuitbuitingszaken geen enkele keer eveneens gebruik is gemaakt van de WED. Zoals reeds opgemerkt beoogt deze paragraaf niet te voorzien in een uitputtende lijst, maar wordt beknopt ingegaan op diverse delicten die een rol zouden kunnen spelen bij mensenhandel.
- Arbeidsomstandighedenwet
De overtreding van bepaalde voorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet is aangemerkt als economisch delict. Dat is bijvoorbeeld het geval als een werkgever bij het arbeidsomstandighedenbeleid niet de maatregelen neemt die nodig zijn ter voorkoming en beperking van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en de gevolgen daarvan voor de veiligheid en de gezondheid van de in het bedrijf, de inrichting, of een deel daarvan werkzame werknemers (artikel 6). Het is de werkgever voorts verboden handelingen te verrichten of na te laten waarvan hij weet of redelijkerwijs moet weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers ontstaat of te verwachten is (artikel 32). Deze bepaling zou bijvoorbeeld van toepassing kunnen zijn in een arbeidsuitbuitingszaak waarin slachtoffers onder gevaarlijke omstandigheden aan het werk worden gezet.
- Arbeidstijdenwet
Als economisch delict is aangemerkt arbeid verricht door een kind van onder de 12 jaar of boven de 12, 13, 14 of 15 jaar (afhankelijk van het soort werk en onder schooltijd) waarbij een bevel van een toezichthouder dat het betreffende kind de arbeid dient te staken, wordt genegeerd (artikel 8:3). Voorts is sprake van een economisch delict als een kind van onder de 12 jaar of boven de 12, 13, 14 of 15 jaar (afhankelijk van het soort werk en onder schooltijd) tijdens het verrichten van arbeid een ongeval overkomt dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel of de dood ten gevolge heeft of indien redelijkerwijs te verwachten is dat deze gevolgen aan het verrichten van arbeid zijn verbonden (artikel 11:3). In mensenhandelzaken met betrekking tot minderjarige slachtoffers zou deze bepaling mogelijk aan de orde kunnen zijn.
- Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs
Deze wet bevat voorschriften voor arbeidsbemiddelaars omtrent het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Zo mag bij het verrichten van arbeidsbemiddeling geen tegenprestatie van de werkzoekende worden bedongen. En arbeidskrachten mogen alleen ter beschikking worden gesteld aan ondernemingen of rechtspersonen die ingeschreven staan in het handelsregister. Voorts heeft de ter beschikking gestelde arbeidskracht recht op gelijke behandeling (ten minste dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijkwaardige functies in de onderneming). Indien bevelen, aanwijzingen of maatregelen van toezichthouders van deze wet worden genegeerd, is sprake van een WED-feit (artikel 22 lid 6). Mensenhandelaren die als intermediair optreden en vervolgens een tegenprestatie eisen van de geworven slachtoffers, zouden mogelijk op basis van dit delict kunnen worden vervolgd.
- Wet arbeid vreemdelingen
De Wet arbeid vreemdelingen verbiedt kort gezegd een werkgever een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De toezichthouders van deze wet kunnen bij overtreding bevelen, aanwijzingen, of maatregelen nemen jegens de werkgever. Indien deze bevelen worden genegeerd, is sprake van een economisch delict (artikel 17b lid 6).
Indien ter zake van deze wet een bestuurlijke boete wordt opgelegd en vervolgens zou worden vervolgd voor illegale werkverschaffing als bedoeld in artikel 197b Sr, kan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in de vervolging op grond van artikel 243 Sv, aangezien sprake is van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr.4 Dat zal bij een boete naast vervolging ter zake van mensenhandel niet snel het geval zijn gelet op het verschil in juridische aard van de feiten (en wellicht eveneens de gedraging van de verdachte).5
- Wet minimumloon en vakantiebijslag
Zoals reeds uit de naam blijkt, bevat deze wet minimumregels omtrent loon en vakantiebijslag. Indien de wet niet worden nageleefd, en bevelen, aanwijzingen of maatregelen van toezichthouders voorts niet worden opgevolgd, geldt dit als een economisch delict (artikel 18i lid 6). In een uitbuitingszaak waarin onder het minimum wordt betaald, kan dit delict mogelijk cumulatief worden ten laste gelegd.
In bijna alle gevallen is pas sprake van een economisch delict als de bevelen, aanwijzingen of maatregelen van toezichthouders van de specifieke wetten niet worden opgevolgd. Dat kan een van de redenen zijn waarom de WED niet gebruikt wordt in mensenhandelzaken. Wellicht dat werkgevers die door toezichthouders zijn aangesproken of beboet – omdat bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden niet in orde waren, kinderen of vreemdelingen zonder vergunning aan het werk zijn gezet of beneden het minimumloon is betaald – niet daarna nogmaals de fout in gaan (en de werknemers uitbuiten). Onbekendheid met de regelgeving en wellicht de gecompliceerdheid van de gelede normstelling zou echter eveneens een oorzaak kunnen zijn van het weinige gebruik van de WED in mensenhandelzaken. Voorts kan het ontbreken van de noodzaak van het gebruik van de WED een rol spelen, bijvoorbeeld omdat gedragingen al onder een ander strafbaar feit kunnen worden geschaard.