Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.5.1
3.5.1 Slavenhandel (art. 274 Sr), mensenroof (art. 278 Sr), wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr-283 Sr), dwang (art. 284 Sr), bedreiging (art. 285 Sr), mishandeling (art. 300-304 Sr)
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS389789:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zo worden in de artikelen 275 en 276 Sr de schipper respectievelijk de schepeling die dienst doet op een slavenschip strafbaar gesteld en in artikel 277 Sr degene die medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een slavenschip.
Smidt 1891, p. 427-429 en Simons 1941, p. 38.
Zie voor deze definitie de Beschikking van Raad van Justitie te Soerabaia op 3 oktober 1894 bekrachtigd bij arrest van het Hoog Gerechtshof van Nederlands-Indië op 24 oktober 1894; W. 1895, 6648.
Zie ook Lestrade & Rijken 2014, p. 666 en 667. Volgens een teleologische manier van interpreteren kan slavernij echter mogelijk wél onder het verbod worden geschaard. Zie § 3.2.1.
BNRM is slechts één geval bekend waarin slavenhandel als alternatief voor mensenhandel ten laste is gelegd; zie Bureau Nationaal Rapporteur Mensenhandel 2004, p. 26.
Van der Meij in T&C Sr, art. 278 Sr, aant. 1.
Fleskens 2015 in Sdu Commentaar (Strafrecht), art. 278 Sr, aant. 1.
HR 20 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2809, NJ 2003/632 m.nt. Mevis en De Lange.
Zie ook Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, artikel 278 Sr, aant. 5.
Rb Den Haag 9 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1281, BJ1279, BJ1280 en BJ1282 (Chinese massagesalon en nagelstudio); Hof Den Haag 19 januari 2010, ECLI:NL:GHSGR: 2010:BK9406 (Mehak, slachtoffer uit India); Hof Den Bosch 19 februari 2010, ECLI:NL: GHSHE:2010:BL5492 (Diamond city, slachtoffers uit China); Rb Den Haag 12 mei 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM4291 en BM4240 (Mirya, slachtoffers uit India); Rb Haarlem 1 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8088 (Handel en smokkel vanuit Benin, slachtoffers uit China); Rb Den Haag 11 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4006 (Verbouwing door illegale Surinamers); Rb Den Bosch 24 maart 2011, nr. 01/994020-10 (Uitbuiting door echtpaar in Chinees-Indisch restaurant, niet gepubliceerd); Hof Leeuwarden 29 juni 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ9784, BQ9793 en BQ9861(Indiërs in tofufabriek); Rb Den Haag 27 juli 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3337 (Uitbuiting Chinezen als hotelpersoneel); Hof Den Haag 24 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV1712 (Indonesische Kroepoekbakkers); Rb Rotterdam 22 juli 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:7825 (Indiase mannen in kassen); Rb Rotterdam 21 januari 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1688 (Uitbuiting illegale matrozen); Rb Den Haag 26 februari 2016, ECLI:NL:2016:1968 (uitbuiting illegale minderjarige in de huishouding); Rb Den Haag 8 maart 2016, ECLI:NL: RBDHA:2016:2367 (Filipijnse offshore medewerkers); Hof Amsterdam 16 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5039 en 5035 (Braziliaanse huishoudhulpen); Rb Rotterdam 10 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:339, 338, 337 en 336 (Filipijnse matrozen); Hof Den Haag 24 mei 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1525 (Uitbuiting Turks nichtje in de huishouding). Analyse van zaken tot en met publicatiedatum 1 oktober 2017.
In de zaken Hof Den Haag 19 januari 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BK9406 (Mehak, slachtoffer uit India), Rb Den Haag 26 februari 2016, ECLI:NL:2016:1968 (Uitbuiting illegale minderjarige in de huishouding) en Hof Den Haag 24 mei 2017, ECLI:NL: GHDHA:2017:1525 (Uitbuiting Turks nichtje in de huishouding) was dit niet het geval. Ook in de zaak Hof Amsterdam 16 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5039 en 5035 (Braziliaanse huishoudhulpen) was dit niet het geval. In deze zaak is naast mensenhandel wel illegale tewerkstelling ten laste gelegd en bewezen verklaard. In de zaak Rb Den Bosch 24 maart 2011, nr. 01/994020-10 (Uitbuiting door echtpaar in Chinees-Indisch restaurant, niet gepubliceerd) is mensensmokkel subsidiair ten laste gelegd, maar een veroordeling voor de primair ten laste gelegde mensenhandel is gevolgd. In de overige zaken genoemd in de vorige voetnoot is steeds mensensmokkel naast mensenhandel ten laste gelegd en bewezen verklaard. In de zaak Rb Den Haag 8 maart 2016, ECLI: NL:RBDHA:2016:2367 (Filipijnse offshore medewerkers) volgde een vrijspraak voor de mensenhandel én de smokkel.
Machielse in Noyon/Langemeijer & Remmelink, art. 282 Sr, aant. 1.
HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1113.
HR 17 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0183, NJ 2011/243.
Zie bijvoorbeeld Rb ’s-Gravenhage, 22 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2120 (de rechter past hier de meerdaadse samenloopregeling van artikel 57 Sr toe). Zie ook Ten Kate 2013, p. 118. In de zaak Rb Dordrecht 20 april 2010, ECLI:NL:RBDOR:2010: BM1743 (Babbeltruc), was eveneens artikel 282 Sr ten laste gelegd naast de mensenhandel, maar volgde een vrijspraak voor artikel 282 Sr. De ten laste gelegde mensenhandel werd wel (deels) bewezen verklaard.
Zie ook Ten Kate 2013, p. 115.
Zie voor een voorbeeld van seksuele mensenhandel Rb Limburg 13 april 2017, ECLI: NL:RBLIM:2017:3330. In deze zaak oordeelt de Rechtbank dat sprake is van eendaadse samenloop van mensenhandel en mishandeling.
Slavenhandel (artikel 274 Sr)
Artikel 274 Sr stelt het drijven van slavenhandel strafbaar. Voorts criminaliseren de artikelen 275, 276 en 277 Sr deelnemingshandelingen op slavenschepen.1 Zoals reeds besproken in § 3.2.1 zijn de strafbepalingen ontleend aan de wetten inzake slavenhandel van 20 november 1818 (Stb. 1818, 39), 23 december 1824 (Stb. 1824, 75) en het traktaat van 4 mei 1818 met Groot-Brittannië ter wering van slavenhandel (Stb. 1848, 79).2 De bepalingen zijn niet gericht op de slavernij, maar op de slavenhandel: het verhandelen van mensen (door koop, roof of anderszins) alsmede het vervoer van mensen met als doel deze te verhandelen.3 Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel ter uitbreiding van mensenhandel naar niet-seksuele uitbuiting in 2005 is de vraag gesteld of artikel 274 Sr niet kon worden geschrapt omdat het binnen het bereik van het nieuwe mensenhandel artikel zou komen te vallen. De wetgever achtte het op basis van internationale verplichtingen noodzakelijk het verbod op slavenhandel te handhaven:
‘Vooralsnog is er ook in de nationale strafwetgeving bestaansgrond voor afzonderlijke strafbaarstelling van slavenhandel en enige bijzondere deelnemingsvormen daaraan, mede gelet op het specifieke karakter van slavernij, zoals de volledige zeggenschap van de ene mens over de andere’.4
De wetgever ging daarbij wel eraan voorbij dat het verbod op slavernij niet is opgenomen in artikel 274 Sr (noch in enige andere bepaling in het Wetboek van Strafrecht).5 Onder ‘slavenhandel’ zou theoretisch gezien ook de moderne slavenhandel kunnen worden geschaard. De specifieke slavenhandel-bepaling wordt echter zelden of nooit toegepast.6 Vermoedelijk wordt het artikel nog immer geassocieerd met de Trans-Atlantische slavenhandel en minder toegesneden op hedendaagse situaties. De strafbepaling heeft geen toegevoegde waarde ten opzichte van artikel 273f Sr. Een handelaar in slaven kan op basis van sub 1 lid 1 worden vervolgd voor mensenhandel. Iemand die middellijk of onmiddellijk deelneemt kan ofwel als medepleger of medeplichtige van mensenhandel als bedoeld in lid 1 sub 1 worden vervolgd ofwel als profijttrekker van mensenhandel op basis van sub 6, 7, 8 of 9.
Mensenroof (artikel 278 Sr)
Artikel 278 Sr stelt een specifieke vorm van vrijheidsberoving strafbaar, namelijk die waarbij iemand een ander over de grenzen van het Rijk in Europa voert, met het oogmerk om hem ofwel 1) wederrechtelijk onder de macht van een ander te brengen ofwel 2) in hulpeloze toestand te verplaatsen.7 Mensenroof onderscheidt zich van andere vormen van vrijheidsberoving door het duurzame karakter en wordt daarom relatief zwaar bestraft (maximaal 12 jaar gevangenisstraf). De bepaling strekt ertoe een langdurige inbreuk op de persoonlijke vrijheid te voorkomen.8 Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad valt onder ‘over de grenzen van het Rijk in Europa voeren’ niet alleen van Nederland naar buitenland voeren, maar tevens het vanuit het buitenland naar Nederland voeren van personen.9 Dit delict kan overeenkomst vertonen met sub 1, 2 en 3 lid 1 van de mensenhandelbepaling, namelijk indien een slachtoffer wordt geworven en verplaatst van Nederland naar het buitenland (of andersom). Bij mensenhandel wordt echter een persoon geworven met het doel van uitbuiting. De handelaar is tevens degene die wil uitbuiten. Bij mensenroof daarentegen wordt de weggevoerde persoon niet onder de macht van de ‘rover’ gebracht, maar onder de macht van een ander of wordt in een hulpeloze toestand gebracht – zonder dat uitbuiting aan de orde hoeft te zijn. Het delict geeft de mogelijkheid tot vervolging van de smokkelaar die mensen gedwongen over de grens Nederland invoert met de bedoeling deze mensen over te dragen aan een handelaar. De ‘afnemer’ (de mogelijke mensenhandelaar) kan onder omstandigheden dan als deelnemer van mensenroof worden aangemerkt.10 Mensenroof zou ‘als vangnet’ voor mensenhandel kunnen worden ten laste gelegd indien de gedwongen werving buiten het Rijk in Europa bewezen kan worden, maar het ‘oogmerk van uitbuiting’ niet kan worden vastgesteld. In de geanalyseerde arbeidsuitbuitingszaken waarin de vermeende slachtoffers buiten het Rijk in Europa zijn geworven (veelal vanuit China en India) is echter geen enkele keer mensenroof als (cumulatief of subsidiair) delict ten laste gelegd.11 Op enkele gevallen na is in deze zaken wel steeds mensensmokkel ten laste gelegd naast mensenhandel en bewezen verklaard.12
Wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikelen 282 Sr-283 Sr)
Mensenhandel kan eveneens gepaard gaan met wederrechtelijke vrijheidsberoving (opzettelijk, artikel 282 Sr dan wel culpoos, artikel 283 Sr). Met ‘vrijheid’ wordt gedoeld op vrijheid van beweging.13 Het gaat dus niet om de lichamelijke of geestelijke vrijheid alhoewel deze vrijheid bij mensenhandel wel in het geding kan zijn. Van overlap is bijvoorbeeld sprake indien het slachtoffer door de uitbuiter wordt opgesloten in een ruimte en zich daardoor niet kan verwijderen van een bepaalde plaats. Indien beide delicten worden ten laste gelegd en bewezen verklaard, zal de rechter dit vermoedelijk aanmerken als meerdaadse samenloop. Mensenhandel en wederrechtelijke vrijheidsberoving behelzen immers niet hetzelfde verwijt. Van eendaadse samenloop is sprake indien de bewezen verklaarde gedragingen in die mate samenhangend zijn, zij een zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren en de verdachte (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.14 Dat is bij de artikelen 282/283 Sr en 273f Sr niet het geval. Mensenhandel is gericht op uitbuiting, terwijl het verwijt bij wederrechtelijke vrijheidsberoving enkel betrekking heeft op het vrijheidsbenemende karakter. Mensenhandel is ook geen specialis van artikel 282 of 283 Sr. Artikel 273f Sr bevat niet alle bestanddelen van artikel 282 of 283 Sr en de wetsgeschiedenis geeft voorts geen aanknopingspunten voor de opvatting dat artikel 273f Sr niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling in de zin van artikel 55 lid 2 Sr (de eendaadse samenloopbepaling).15 Met name in zaken van seksuele uitbuiting, wordt wederrechtelijke vrijheidsberoving regelmatig cumulatief ten laste gelegd.16 Het delict zou tevens als vangnet kunnen fungeren indien (het oogmerk van) uitbuiting niet bewezen kan worden, maar de ‘enkele’ wederrechtelijke vrijheidsberoving wel.
Dwang (artikel 284 Sr)
Arbeidsuitbuiting kan samen gaan met dwang als bedoeld in artikel 284 Sr. Dwang is namelijk één van de genoemde beïnvloedingsmiddelen in sub 1 lid 1 van artikel 273f Sr.17 Indien niet alle vereiste componenten van mensenhandel bewezen kunnen worden (werving en/of (oogmerk van) uitbuiting), maar wel de uitgeoefende dwang, kan het delict als alternatief ten laste worden gelegd en bewezen verklaard.
Bedreiging (artikel 285 Sr)
Net zoals dwang is bedreiging een van de opgesomde middelen in sub 1 lid 1 van artikel 273f Sr. Mensenhandel kan dan ook samengaan met de strafbaarstelling van artikel 285 Sr. Indien niet alle componenten van mensenhandel bewezen kunnen worden, maar wel de bedreiging, kan het delict als alternatief ten laste worden gelegd en bewezen verklaard.
Mishandeling (artikelen 300 sr-304 Sr)
Tot slot kan gedurende de mensenhandel en/of arbeidsuitbuiting sprake zijn van (al dan niet gekwalificeerde vormen van) mishandeling. Zeker in seksuele uitbuitingszaken speelt dit nog wel eens een rol.18 De mishandeling kan subsidiair ten laste worden gelegd. Indien geen sterk bewijs is voor de uitbuiting, kan eventueel wel een veroordeling volgen voor mishandeling.