Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/16.1.1
16.1.1 Inleiding
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300471:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat volgt uit de omschrijving “nevenrechten, zoals …”. Zie ook Asser/Sieburgh 2017, para. 260.
Wibier 2009a, para. 14, p. 17 zegt bijvoorbeeld: “De wet geeft geen definitie van het begrip nevenrecht”. Verdaas 2008, p. 289-290: “Noch de wet, noch de literatuur geeft een heldere definitie van het begrip nevenrecht, waardoor de nevenrechten van de andere met een vordering samenhangende rechten zouden kunnen worden afgebakend”.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 528.
Biemans 2011, p. 721; Asser/Bartels, van Mierlo & Ploeger 2013, para. 50.
Zie in deze zin Rongen 2012, p. 1271; Hijma e.a. 2016, para. 309.
Zie bijvoorbeeld Suijling 1948, p. 129; Schoordijk 1986, p. 14; Mijnssen 1991, p. 191, die wijzen op de gelijkenissen tussen de twee figuren.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 531; Verdaas 2008, p. 290.
Van Achterberg 1994, p. 299; Asser/van Schaick 2018, para. 100.
Zie daarnaast Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 526, waar de wetgever opmerkt dat de vraag of nevenrechten overgaan op de verkrijger van een vordering “in wezen een vraag van zakenrechtelijke [tegenwoordig: goederenrechtelijke] aard” is.
720. De laatste manier waarop in het Nederlandse recht een subjectief recht automatisch kan worden aangevuld is alleen van toepassing voor het koppelen van extra aanspraken aan een vorderingsrecht. De terminologie daarbij is dat aan dit vorderingsrecht een ‘nevenrecht’ verbonden wordt. Nevenrechten worden niet zelfstandig overgedragen, maar volgen steeds de vordering waar ze aan verbonden zijn. De wettelijke regeling voor de automatische overgang van nevenrechten bij het overgaan van de vordering waaraan ze zijn verbonden, is te vinden in art. 6:142 BW. Dit artikel luidt:
6:142 bw
Bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser verkrijgt deze de daarbij behorende nevenrechten, zoals rechten van pand en hypotheek en uit borgtocht, voorrechten en de bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen.
Onder de nevenrechten zijn tevens begrepen het recht van de vorige schuldeiser op bedongen rente of boete of op een dwangsom, behalve voor zover de rente opeisbaar of de boete of dwangsom reeds verbeurd was op het tijdstip van de overgang.
721. Uit de tekst van het artikel blijkt dat veel verschillende aanspraken onder het begrip ‘nevenrecht’ vallen.1 Dat zorgt ervoor dat het lastig is om te bepalen wat er precies onder de term ‘nevenrecht’ valt.2 Ook de wetgever laat blijken het begrip niet goed af te kunnen bakenen. Meijers merkt in zijn toelichting op dat “in het midden gelaten kan worden” of alle in het uiteindelijke artikel terechtgekomen aanspraken wel daadwerkelijk nevenrechten zijn (zie meer uitgebreid paragraaf 16.1.3).3 Daardoor is het begrip ‘nevenrechten ‘gebruikt als verzamelbegrip voor allerhande aanspraken waarvan men het wenselijk vindt dat ze samen met een vordering mee overgaan (zie meer uitgebreid paragraaf 16.1.3-16.1.4). Vanwege het breed uiteenlopende karakter van de rechten die als nevenrechten worden aangemerkt en het gebrek aan een onderbouwing daarvoor in de literatuur, veroorloof ik het me om in dit hoofdstuk iets fermer zelf stelling te nemen dan in de voorgaande hoofdstukken. Daardoor wordt het iets eenvoudiger om de materie behapbaar te houden. Zoals uiteindelijk zal blijken is het niet nodig om de regeling voor nevenrechten te vergelijken met de uitgangspunten uit deel I van dit onderzoek (zie paragraaf 16.1.5).
722. Om te beginnen sluit ik me aan bij de literatuur die ervan uitgaat dat nevenrechten moeten worden onderscheiden van kwalitatieve rechten.4 De reden daarvoor is dat ze op een andere manier functioneren. Nevenrechten zijn, net als afhankelijke rechten, aan een ander recht verbonden. Kwalitatieve rechten, daarentegen, zijn verbonden aan de hoedanigheid van rechthebbende (zie paragraaf 15.1.2.2). Toch wordt er in de literatuur wel eens gesteld dat nevenrechten en kwalitatieve rechten elkaar (kunnen) overlappen.5 Deels zal dat zijn omdat nevenrechten en kwalitatieve rechten veelal eenzelfde functie vervullen en eenzelfde doel dienen (zie enkele van de voorbeelden gegeven in paragraaf 16.1.4). De precieze manier waarop een recht overgaat, is dan niet zo van belang. Daarnaast kan er sprake zijn van spraakverwarring vanwege veranderde terminologie; veel van de literatuur waarin nevenrechten en kwalitatieve rechten op één lijn worden gesteld, is van vóórdat het huidige BW werd ingevoerd.6
723. Nevenrechten worden in de literatuur ook wel onderscheiden van de afhankelijke rechten, zij het dat er enige overlap bestaat. In beide gevallen gaat het om rechten die aan een ander recht verbonden zijn, zodat zij samen overgaan. Het verschil is dat nevenrechten standaard verbonden zijn aan een vordering, terwijl afhankelijke rechten ook aan andere hoofdrechten verbonden kunnen zijn (zie paragraaf 14.1.5.3). Daarnaast wordt wel gezegd dat nevenrechten niet per definitie vermogensrechten hoeven te zijn, terwijl dat voor afhankelijke rechten wel het geval is.7 Ten slotte wordt wel gezegd dat de regeling voor afhankelijke rechten van dwingend recht is en die van nevenrechten van regelend recht.8 Wat daarmee wordt bedoeld is dat de automatische overgang van afhankelijke rechten niet opzij kan worden gezet, maar de automatische overgang van nevenrechten wel. Zie daarover meer uitgebreid paragraaf 16.6, waarin ik aangeef dat dit verschil niet moet worden overtrokken.9