Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.4.5.1
3.4.5.1 De Private Securities Litigation Reform Act 1995
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655906:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de PSLRA uitgebreid Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.17 en Hazen, 4 Law Securities Regulation § 12.15. Zie over de PSLRA in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 93-94, p. 101-103 en p. 108-110; Haazen 2017, p. 81-82.
Vgl. De Jong 2010, p. 93.
Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.17[1].
Idem.
Zie hierover Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.17[1][A]-[E].
Zie hierover Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.17[1][D].
Zie hierover Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.17[1][F].
Zie hierover Hazen, 2 Law Securities Regulation § 7.17[1][G].
Zie over de beschermingsregeling voor toekomstvoorspellingen Hazen, 4 Law Securities Regulation § 12.9[7][C]; Coffee, Sale & Whitehead 2021, p. 1091-1093. Zie hierover in de Nederlandse literatuur reeds Hoff 2011, p. 493; De Jong 2010, p. 103.
Zie in dit verband onder meer de uitspraken Stone & Webster, 414 F.3d 187, 212 (1st Cir. 2005); In re Vivendi, S.A. Securities Litigation, 838 F.3d 223, 245-250 (2d Cir. 2016); Williams v. Globus Medical, Inc., 869 F.3d 235, 245-246 (3d Cir. 2017); OFI Asset Mgmt. v. Cooper Tire & Rubber, 834 F.3d 481, 502-503 (3d Cir. 2016); Miller v. Champion Enters. Inc., 346 F.3d 660, 672 (6th Cir. 2003); In re Cutera Sec. Litig., 610 F.3d 1103, 1112-1113 (9th Cir. 2010); Edward J. Goodman Life Income Trust v. Jabil Circuit, Inc., 594 F.3d 783, 795 (11th Cir. 2010).
In 1995 heeft het Amerikaanse Congres door middel van de Private Securities Litigation Reform Act (‘PSLRA’) een aantal belangrijke wijzigingen doorgevoerd in het Amerikaanse federale effectenrecht.1 De aanleiding voor de PSLRA was een toenemende zorg die zich begin jaren negentig van de vorige eeuw ontwikkelde over een alsmaar uitdijende civielrechtelijke aansprakelijkheid gebaseerd op het federale effectenrecht.2 Ook werd vermoed dat op grote schaal misbruik werd gemaakt van het class action-instrument. Dit (veronderstelde) misbruik bestond eruit dat met gebruikmaking van dit instrument zogenoemde ‘strike suits’ werden ingesteld met het enkele doel om – onder dreiging van aansprakelijkheid van ongekende omvang – schikkingen voor (in werkelijkheid) waardeloze claims af te dwingen (‘extortionate settlements’).3 Met de PSLRA stelde de Amerikaanse wetgever zich ten doel deze uitdijende aansprakelijkheid in te perken en het genoemde misbruik tegen te gaan.4 De PSLRA bevat in de eerste plaats bepalingen die specifiek gelden voor class actions die worden ingesteld ter handhaving van (de rechten voortvloeiend uit) het federale effectenrecht. Daarnaast zijn in de PSLRA bepalingen opgenomen die gelden voor aansprakelijkheidsclaims gebaseerd op het federale effectenrecht in het algemeen. Hierbij moet worden aangetekend dat de PSLRA zowel aansprakelijkheidsclaims uit hoofde van de Securities Act 1933 adresseert, als claims uit hoofde van de Securities Exchange Act 1934. Grotendeels gaat het hier om parallelbepalingen, die voor beide wetten nagenoeg gelijkluidend zijn.
De PSLRA-bepalingen voor claims ressorterend onder de Securties Act zijn opgenomen in Section 27 en Section 27A Securities Act. Section 27(a) bevat ten eerste een aantal bepalingen die specifiek van toepassing zijn wanneer onder de Securities Act een aansprakelijkheidsclaim wordt ingesteld door middel van een class action.5 Vervolgens zijn in Section 27(b)-(d) bepalingen opgenomen die gelden voor claims gebaseerd op de Securities Act in het algemeen: in Section 27(b) is een aantal specifieke regels opgenomen omtrent het bewijsrecht (‘Stay of Discovery; Preservation of Evidence’);6 Section 27 (c) bevat sancties die van toepassing zijn wanneer sprake is van misbruik van procesrecht (‘Sanctions for abusive litigation’);7 en Section 27(d) voorziet in een procedurele waarborg voor de gedaagde (‘Defendant’s right to written interrogatories’). Verder is in Section 27A een speciale regeling opgenomen die van toepassing is wanneer de vennootschap (of iemand die namens haar handelt) aansprakelijk wordt gesteld voor zogenoemde ‘forward-looking statements’.8 Gelet op de geringe relevantie voor het onderhavige onderzoek laat ik de regelingen van Section 27(a)-(d) buiten beschouwing. Ik stip hier alleen kort de beschermingsregeling voor forward-looking statements van Section 27A aan.
De beschermingsregeling voor toekomstvoorspellingen (‘Safe harbor for forward-looking statements’) kan worden gezien als een codificatie van de in § 3.5.3.3 te bespreken bespeaks caution doctrine.9 Met de regeling wordt beoogd om vennootschappen te stimuleren met een zekere regelmaat prognoses en toekomstvoorspellingen te publiceren. Dergelijke informatie is namelijk van groot belang voor de marktefficiëntie. Kort gezegd houdt de regeling in dat vennootschappen (en andere personen of rechtspersonen) niet aansprakelijk zijn voor toekomstvoorspellingen die onder de safe harbor van Section 27A als zodanig kwalificeren. Hoezeer dan achteraf ook blijkt dat de vennootschap er met haar voorspelling naast zat, zij is dan volledig gevrijwaard van aansprakelijkheid. Grosso modo zijn er drie manieren waarop de vennootschap voor bescherming onder de safe harbor-regeling in aanmerking komt: (i) ofwel zij heeft de desbetreffende toekomstvoorspelling aangemerkt als forward looking statment in de zin van de safe harbor en deze omgeven met betekenisvolle en ter zake relevante waarschuwingen die voldoende specifiek de factoren identificeren die er eventueel voor kunnen zorgen dat de voorspelling niet uitkomt; (ii) ofwel de voorspelling is niet van materieel belang; (iii) ofwel (het bestuur van) de vennootschap was zich er niet van bewust dat de voorspelling misleidend was (in dit laatste geval gaat het om ‘actual knowledge’).10