Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.5.5.1.2.1
7.7.5.5.1.2.1 Latere ingebruikneming
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291324:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.3.6.
Besluit van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23, paragraaf 7.3.7, ingetrokken bij besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15.
Zie ook: besluit Staatssecretaris van Financiën 8 januari 2004, nr. DGB2004/52M, V-N 2004/8.16 waarin wordt opgemerkt: “Onder invloed van het huidige economische klimaat en de situatie in de vastgoedsector in het bijzonder staat verhuurde (bedrijfs)ruimte steeds vaker en langer leeg. Dit kan ertoe leiden dat een huurder de door hem gehuurde onroerende zaak niet binnen de referentieperiode in gebruik neemt. (…) Een en ander heeft aanleiding gegeven het besluit van 11 februari 1999, nr. VB 98/339 (mededeling 58) aan te passen: de in onderdeel 1, sub a, bedoelde referentieperiode is verlengd (…).”
De Staatssecretaris van Financiën keurt goed dat aan het uitblijven van de ingebruikneming van het onroerend goed door de huurder in de referentieperiode geen gevolgen worden verbonden indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de huurder gebruikt het betreffende onroerend goed ten minste gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden voor het verrichten van uitgaande prestaties (het voornemen daartoe volstaat niet);
de huurder voldoet in het boekjaar dat hij het onroerend goed feitelijk in gebruik neemt aan de 90%-eis; en
de verhuurder stemt ermee in dat de naheffingstermijn en de herzieningstermijn pas ingaat in het boekjaar dat de huurder het onroerend goed feitelijk gaat gebruiken voor het verrichten van uitgaande prestaties. De instemming van de verhuurder moet blijken door middel van een gedateerde en door de verhuurder ondertekende verklaring die de verhuurder binnen vier weken na overschrijding van de wettelijke referentieperiode in zijn boekhouding heeft opgenomen.1
Deze goedkeuring heeft tot gevolg dat de verhuur toch belast kan plaatsvinden als de huurder het onroerend goed in gebruik neemt na het boekjaar waarin hij het onroerend goed is gaan huren. De Staatssecretaris van Financiën stelde aanvankelijk de voorwaarde dat het moest gaan om leegstand die optreedt tot de aanvang van de herzieningstermijn met betrekking tot het verhuurde onroerend goed, maar deze voorwaarde is in de thans geldende goedkeuring naar mijn mening terecht losgelaten.2 Door de verhuur van het onroerend goed heeft de verhuurder het onroerend goed voor de toepassing van de herzieningsregels reeds in gebruik genomen. Dat de huurder dit onroerend goed nog niet feitelijk in gebruik genomen heeft, doet hieraan niet af. De Staatssecretaris van Financiën miskende met deze ‘aanvangsleegstandeis’ dat het moment van ingebruikneming van verhuurd, maar nog leegstaand onroerend goed verschilt naar gelang hiernaar door de bril van de verhuurder dan wel de huurder wordt gekeken (zie paragraaf 7.7.5.5.1.1).
Niettemin is uit deze eis wel af te leiden dat de goedkeuring oorspronkelijk was bedoeld voor de situatie waarin de huurder die een nieuw (kantoor- of bedrijfs)gebouw wenstte onder te verhuren kampt met leegstand.3 Uit de voorwaarden van de (thans geldende) goedkeuring blijkt echter niet dat de goedkeuring tot die situatie is beperkt. De goedkeuring kan daarom naar mijn mening ook worden toegepast in de situatie waarin de huurder het onroerend goed niet gaat onderverhuren, maar zelf (feitelijk) gaat gebruiken en dit pas na de wettelijke referentieperiode doet. Die te late ingebruikneming kan diverse oorzaken hebben, zoals een geschil met de verhuurder over de staat van het gehuurde onroerend goed, de ingang van de verhuur net voor het einde van het boekjaar van de huurder of persoonlijke omstandigheden van de huurder (ziekte bijv.). Wordt niet aan de voorwaarden van de goedkeuring voldaan, dan is de verhuur vrijgesteld. In paragraaf 7.7.5.9 wordt op de gevolgen daarvan nader ingegaan.