Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/8.6.5
8.6.5 Conclusie
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949777:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In art. 2:36 lid 4 BW (in Titel 2 van Boek 2 BW) is bepaald dat een lid zijn lidmaatschap ook met onmiddellijke ingang kan opzeggen binnen een maand nadat hem een besluit is medegedeeld tot omzetting van de vereniging in een andere rechtsvorm, tot fusie of tot splitsing. In art. 2:53a lid 2 BW (in Titel 3 van Boek 2 BW) is bepaald dat de bepalingen van de vorige titel, dus van Titel 2, met uitzondering van de artikelen 26 lid 3 en 44 lid 2 ook op de onderlinge waarborgmaatschappij van toepassing zijn, voor zover daarvan in Titel 3 niet wordt afgeweken. Cremers 2010, p. 525 stelt dat aan “de verzekerde met een lidmaatschap van rechtswege als bedoeld in art. 2:62 BW” een dergelijke bevoegdheid om op te zeggen niet toekomt. Ik kan mij daar goed in vinden. Een andere opvatting zou immers tot de situatie leiden dat degene die nog een verzekeringsovereenkomst lopende heeft bij een onderlinge waarborgmaatschappij het lidmaatschap toch met onmiddellijke ingang kan opzeggen. Dat zou niet te rijmen zijn met het lidmaatschap van rechtswege zoals geregeld in art. 2:62 BW (opgenomen in Titel 3 van Boek 2 BW). Om die reden heb ik in dit hoofdstuk 8.6 geen aandacht besteed aan de opzeggingsbevoegdheid in art. 2:36 lid 4 BW.
In zijn hoedanigheid van verzekeringnemer heeft een lid van een onderlinge waarborgmaatschappij de rechten die een verzekeringnemer van een naamloze vennootschap ook heeft. Hij heeft echter tevens rechten in zijn hoedanigheid van lid van de onderlinge waarborgmaatschappij.
Indien de onderlinge waarborgmaatschappij haar gehele verzekeringsportefeuille overdraagt, en daarna vindt een omzetting van de overdragende onderlinge waarborgmaatschappij plaats in een coöperatie of een gewone vereniging, zijn voor het besluit tot omzetting op grond van art. 2:18 BW ten minste negen tienden van de uitgebrachte stemmen van de algemene ledenvergadering vereist. Ook voor het bijbehorende besluit tot statutenwijziging is in beginsel een gekwalificeerde meerderheid vereist.
Indien de onderlinge waarborgmaatschappij een juridische fusie aangaat met een andere onderlinge waarborgmaatschappij is op grond van het bepaalde in art. 2:317 BW meestal een besluit van de algemene ledenvergadering van de onderlinge vereist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, en soms zelfs met drie vierden van de uitgebrachte stemmen. Alleen bij uitzondering is daarvoor uitsluitend een volstrekte meerderheid van de door de leden uitgebrachte stemmen vereist, maar ook dan hebben leden van de onderlinge waarborgmaatschappij daarover dus een beslissende stem.
De conclusie is daarom dat de leden van een onderlinge waarborgmaatschappij in het geval van overdracht of overgang van de gehele portefeuille met verzekeringsovereenkomsten op grond van het bepaalde in Boek 2 BW, al naar gelang voor welke juridische wijze van herstructurering wordt gekozen (bijvoorbeeld op grond van art. 2:317 BW of art. 2:18 BW), meer rechten hebben dan de polishouders van een naamloze vennootschap. Deze rechten hebben zij overigens niet als de onderlinge waarborgmaatschappij alleen een deel van de verzekeringsportefeuille overdraagt. Sommige juridische auteurs zijn overigens van mening dat een besluit van het bestuur van een onderlinge waarborgmaatschappij om haar verzekeringsbedrijf of vrijwel het gehele verzekeringsbedrijf aan een andere verzekeraar over te dragen de goedkeuring behoeft van de algemene ledenvergadering van die onderlinge, dus ook indien dat niet in de statuten is bepaald.1