Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.4.4
II.5.2.4.4 Toch ruimte voor subjectiviteit?
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622752:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rombach 1969, p. 424. Kleijn 1969, p. 296 merkt op: ‘Bij een erfgenaam is immers de grootte van zijn verkrijging afhankelijk van die van zijn mede-erfgenamen, omdat alle evenredige delen tezamen het geheel moeten vormen. De aanwijzing van één eveneredig deel betekent daarom tevens een bepaling van andere evenredige delen. Op deze wijze schiet een delegatie betreffende de grootte van een erfdeel ver over zijn doel, aangezien de inhoud van de aanwijzing mede de rechten van andere erfgenamen bepaalt (curs. NB).’
Art. 4:184 lid 2 BW bepaalt dat: ‘Een erfgenaam is niet verplicht een schuld der nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen, tenzij hij: a. zuiver aanvaardt, behalve voor zover de schuld niet op hem rust en onverminderd de artikelen 14 lid 3 en 87 lid 5; b. de voldoening van de schuld verhindert en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt; c. opzettelijk goederen der nalatenschap zoek maakt, verbergt of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers der nalatenschap onttrekt; of d. vereffenaar is, in de vervulling van zijn verplichtingen als zodanig in ernstige mate tekortschiet, en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt (curs. NB).’
Dit kan evenwel een reden zijn om een ‘flexibel’ erfdeel als ongewenst aan te merken. Maar zoals Van Mourik 2009, p. 481 opmerkt: ‘dat is niet doorslaggevend, aangezien rechtsonzekerheid in dit opzicht wel vaker voorkomt.’ Over aansprakelijkheid voor schulden van de nalatenschap Kolkman 2006, p. 193-215.
Paragraaf 4.3 ‘Bepaaldheidsvereiste in het verbintenissenrecht’.
‘Is de prestatie ondeelbaar of vloeit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voort dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, dan zijn zij hoofdelijk verbonden (art. 6:6 lid 2 BW).’ Is een prestatie deelbaar en zijn er meer schuldenaren dan is er sprake zijn van een ‘deelbare’ aansprakelijkheid. Voor de schulden als bedoeld in art. 4:7 lid 1 sub a, i en h BW bepaalt art. 4:182 lid 2, tweede zin BW dat: ‘Is een prestatie deelbaar, dan is ieder van hen verbonden voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel, tenzij zij hoofdelijk zijn verbonden.’ Zie ook art. 4:117 lid 3 BW voor legaten. Voor de overige nalatenschapsschulden geldt art. 6:6 lid 1 BW: ‘Is een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd, dan zijn zij ieder voor een gelijk deel verbonden, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn (curs. NB).’ Hierover uitgebreider Kolkman 2006, p. 201 e.v.
Tegen een strikte opvatting van het bepaaldheidsvereiste voor wat de omvang van de erfdelen betreft, kan worden ingebracht dat, met het oog op de derdenwerking, de goederenrechtelijke belangen die met de erfstelling gepaard gaan, in feite zijn gewaarborgd indien de erfgenamen bekend zijn. Onzekerheid omtrent louter de omvang van de erfdelen stuit zo bezien niet op goederenrechtelijke bezwaren. In dezelfde zin ook Rombach die (weliswaar voor het oude erfrecht) opmerkt dat:
‘staat wel vast wie de erfgenamen zijn, dan zie ik een aanvankelijke onzekerheid van de erfdelen niet als zakenrechtelijk [ofwel goederenrechtelijk, toev. NB] bezwaarlijk (al lijkt mij met Kleyn, p. 296, dit soort delegatie nogal gezocht).’1
Schuldeisers van de nalatenschap weten immers welke personen de erfgenamen zijn. De schulden van de nalatenschap (art. 4:7 BW) kunnen vervolgens, in beginsel, op ‘de’ goederen van de nalatenschap worden verhaald (art. 3:192 BW jo. 4:184 lid 1 BW).2 De vereffeningsprocedure kan deze schuldeisers hierbij bovendien een helpende hand toesteken. Als de omvang van de erfdelen nog niet vaststaat op het moment van erflaters overlijden, leidt dat in wezen dus enkel tot verbintenisrechtelijke ophef. Op het moment van erflaters overlijden bestaat immers onzekerheid omtrent de aansprakelijkheid voor de schulden van de nalatenschap (‘wie kan ik voor welk gedeelte aanspreken?’).3 Betoogd zou kunnen worden dat, zoals we in paragraaf 4.3 reeds zagen bij verbintenisrechtelijke verhoudingen bepaalbaarheid met ruimte voor sub-jectieve elementen, zoals het oordeel van een derde, kan volstaan (vgl. art. 6:227 BW).4 Toch kan ook hier weer, indien de prestatie deelbaar is, het bepaalde erfdeel een rol spelen (art. 4:182 lid 2 BW).5 Zoals ik in de vorige subparagraaf (paragraaf 5.2.4.3) opmerkte, lijkt art. 4:182 lid 2 BW zonder bepaald erfdeel namelijk geen redelijke zin te hebben.