Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.2.1:2.2.1 Relevante bepalingen
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/2.2.1
2.2.1 Relevante bepalingen
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583933:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voor de situatie waarin personenschade ontstond, gaven art. 1406 en 1407 (oud) BW overigens wel enkele aanvullende regelingen.
Bedenkt men hoe veel bijzondere problemen met bijbehorende bijzondere regels afdeling 6.1.10 BW onderscheidt, dan laat zich eenvoudig indenken dat onvermijdelijk vele moeilijkheden bij de toepassing en interpretatie van de hiervoor genoemde wetsbepalingen zouden ontstaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
32. Ons burgerlijk wetboek van 1838 kende, net als ons huidige burgerlijk wetboek, bepalingen die in het geval van onrechtmatige daad, kwalitatieve aansprakelijkheid en tekortkoming in de nakoming van een verbintenis een verplichting tot vergoeding van veroorzaakte schade oplegden.
Art. 1401 (oud) BW bepaalde: “Elke onregtmatige daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebragt, stelt dengenen door wiens schuld die schade veroorzaakt is in de verpligting om dezelve te vergoeden.” Art. 1402 (oud) BW regelde delictuele aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van nalatigheid of onvoorzichtigheid. Art. 1403, 1404 en 1405 (oud) BW legden kwalitatieve aansprakelijkheid op ouders en voogden, meesters, schoolonderwijzers en werkmeesters en eigenaren van dieren en van gebouwen. De grondslag voor de schadevergoedingsverplichting in het geval van tekortkoming in de nakoming van een verbintenis was verbrokkeld neergelegd in art. 1272, 1275 en 1278 (oud) BW.
Anders dan in ons huidige burgerlijk wetboek was er geen algemene regeling van de uit de wet voortvloeiende verplichtingen tot schadevergoeding. Alleen voor het geval van niet-nakoming van een verbintenis gaven art. 1277 t/m 1288 (oud) BW enige regels van schadevergoedingsrecht.1 Art. 1283 en 1284 (oud) BW zijn hier van belang:
Art. 1283 (oud) BW: “De schuldenaar is slechts gehouden tot vergoeding der kosten, schaden en interessen, welke men voorzien heeft of heeft kunnen voorzien, ten tijde van het aangaan der verbindtenis, ten ware het aan zijne arglist te wijten zij dat de verbindtenis niet is nagekomen.”
Art. 1284 (oud) BW: “Zelfs indien het niet nakomen der verbindtenis te wijten is aan de arglist van den schuldenaar, moet de vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten opzigte van de door den schuldeischer geledene schade en winstderving, alleenlijk datgene bevatten, hetwelk een onmiddellijk en dadelijk gevolg is van het niet nakomen der verbindtenis.”
Deze bepalingen maakten aldus onderscheid tussen ongekwalificeerde niet-nakoming en arglistige niet-nakoming van een verbintenis. Art. 1283 (oud) BW begrensde de schadevergoedingsverplichting in het geval van gewone niet-nakoming tot schade die “men” ten tijde van het “aangaan” van de verbintenis heeft voorzien of heeft kunnen voorzien. Art. 1284 (oud) BW bepaalde dat “[z]elfs” indien het niet nakomen aan de arglist van de schuldenaar is te wijten, de verplichting tot schadevergoeding begrensd is tot schade die het onmiddellijk en dadelijk gevolg is van de niet-nakoming.
33. Voor zover hier relevant,2 rezen de volgende interpretatievragen. Wanneer is sprake van het toebrengen en veroorzaken van schade in de zin van art. 1401 (oud) BW? Hebben art. 1283 en 1284 (oud) BW betekenis voor de verplichting tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad? En hoe verhouden de door art. 1283 en 1284 (oud) BW aangebrachte begrenzingen zich tot elkaar en hoe laten zij zich rechtvaardigen?
Alvorens te bezien hoe deze interpretatievragen in de literatuur en rechtspraak werden beantwoord, is zinvol de Franse wortels van art. 1283 en 1284 (oud) BW bloot te leggen, omdat daaruit de achtergrond van deze bepalingen blijkt.