Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.8.2
7.3.8.2 Verhouding tussen bewijsgradaties: hoofdregel en uitzondering
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940323:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Koopman 1996, par. 4.4.1. Daar waar dat wél gebeurt, gaat het dikwijls om meer exotische feiten (zoals toekomstige, onzekere of denkbeeldige gebeurtenissen), en is het doel primair om de bewijslastverdeling c.q. het bewijsrisico duidelijk tot uitdrukking te brengen. Actuele voorbeelden zijn te vinden in art. 3.111 lid 2 Wet IB 2001, art. 32ab Wet LB, art. 69 lid 3 Wet MRB, art. 122k Waterschapswet en art. 7 lid 2 Kostenwet invordering rijksbelastingen.
Aldus ook: Koopman 1996, par. 4.4.1.
Zie bijvoorbeeld HR 30 november 2012, V-N 2012/61.14, BNB 2013/54, alsmede Hof Den Haag 30 januari 2018, V-N 2018/23.22, r.o. 7.9 (in het kader van art. 40 lid 6 Inv.). In HR 20 april 2018, V-N 2018/23.23, BNB 2018/138, r.o. 2.4.2 liet de Hoge Raad zulks in het kader van art. 41 lid 2 Inv. in het midden.
Aldus ook: Koopman 1996, par. 4.1.
Zie bijvoorbeeld art. 30a Wet LB (zie daarover nader Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 5, p. 10) en art. 11 lid 3 Uitv.Besch. OB. Zie ook art. 34 lid 3 Wet MRB (en over de bedoeling van de wetgever: Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 3, p. 52 en 53). Zie voor een positief geformuleerd bewijsvoorschrift het huidige art. 13d lid 14 onderdeel d Wet Vpb (waarover HR 29 september 2023, V-N 2023/45.11, r.o. 4.5.2 e.v.).
Art. 13bis lid 1 tweede volzin Wet LB, art. 3.20 lid 1 tweede volzin Wet IB 2001.
Aldus ook: Haas in zijn noot bij HR 29 mei 2015, BNB 2015/146.
Zie voor deze drietrapsraket HR 13 augustus 2010, V-N 2010/37.10, BNB 2010/312, r.o. 3.2.
Binnen het belastingrecht is de lichte bewijsgradatie van ‘aannemelijk maken’ de hoofdregel. Er bestaan echter maar weinig wettelijke bepalingen waarin uitdrukkelijk de bewijsgradatie ‘aannemelijk maken’ voorkomt.1 Als de wettelijke bepaling geen melding maakt van de vereiste gradatie, dan is aannemelijk maken echter voldoende.2 Dat geldt ook als in de wet of in jurisprudentie de neutrale term ‘aantonen’ of ‘bewijzen’ is gebezigd.3
Voor ‘(doen) blijken’ geldt het tegenovergestelde: dat is een verzwaring van de normale gradatie, die alleen geldt indien en voor zover de wettekst deze expliciet noemt. Het is de uitzondering op de (hoofd)regel.
De zware gradatie van ‘(doen) blijken’ wordt vooral in wettelijke bepalingen met een door de belastingplichtige weerlegbaar bewijsvermoeden gebruikt.4 Dergelijke (meestal negatief geformuleerde) bewijsvoorschriften nemen de gedaante aan van een wettelijk vermoeden dat in het nadeel van de belastingplichtige werkt, met daarbij een tegenbewijsmogelijkheid (‘tenzij blijkt dat (…)’).5 De belastingplichtige moet het tegenbewijs dan dus naar de verzwaarde gradatie leveren om het wettelijk vermoeden te kunnen weerleggen. Een belangrijk voorbeeld van de techniek van het wettelijk vermoeden, waarbij voor het tegenbewijs de zware gradatie is vereist, is de zogeheten bijtellingsregeling van de auto van de zaak.6 De betreffende regeling luidt als volgt:
‘De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.’
De primaire bewijslast die op de inspecteur rust, gaat niet verder dan dat de auto ter beschikking is gesteld. Dát bewijs moet naar de normale gradatie van aannemelijk maken geschieden, waartegen ook op reguliere wijze tegenbewijs kan worden geleverd.7 Slaagt de inspecteur in deze normale bewijslast, dan treedt onmiddellijk het wettelijk vermoeden in werking, inhoudende dat de terbeschikkingstelling ook voor privédoeleinden heeft plaatsgevonden. Vervolgens is de belastingplichtige aan zet om dat wettelijke vermoeden te pareren, ditmaal naar de verzwaarde gradatie.8