Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.6:9.6 Het godsbegrip in de nationale rechtspraak over artikel 147 Sr
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.6
9.6 Het godsbegrip in de nationale rechtspraak over artikel 147 Sr
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450432:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen I 1932/33, 6, p. 44.
De Roo 1970, p. 103.
Unitaristen zijn christenen die de leer van de goddelijke drie-eenheid of triniteit verwerpen. Zij geloven dat alleen God goddelijk is en Jezus niet.
Van Stokkom, Sackers en Wils lijken daarentegen hier wel van uit te gaan. Zie: Van Stokkom, Sackers & Wils, 2006, p. 57, 58, 163.
Handelingen II 1931/32, 88.
Mander 2013.
Handelingen II 1932/33, 87, p. 2611.
De Roo 1970, p. 229.
Handelingen II 1931/32, 6, p. 42.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het verbod op de godslastering is in het verleden slechts sporadisch door de rechter toegepast, zeker in het nabije verleden. Vanwege hun curiositeitswaarde zijn veel van deze uitspraken gepubliceerd en becommentarieerd in de literatuur. In het onderstaande bespreek ik de belangrijkste van deze uitspraken en breng ik het daar gebezigde godsdienstbegrip naar voren.
In 1934 veroordeelde de Rechtbank Dordrecht iemand wegens de uitlating ‘een God die de tuberculosebacil heeft geschapen, is geen God maar een misdadiger’. De persoon in kwestie was een radicale socialist die deze uitspraak deed tijdens een toespraak voor gelijkgezinden. Dat de man zelf niet in God geloofde en niemand van de toehoorders zich gekrenkt voelde werd door de rechter niet als verweer erkend.1 Deze uitspraak bevestigt dat het doel van de verbodsbepaling niet zozeer betrekking had op de subjectieve gevoelens van de enkeling maar op de objectief aanwijsbare godsdienstig gevoelens die in de samenleving aanwezig waren. Duidelijk is dat de man als onderwerp van zijn uitlating de ‘Allerhoogste’ op het oog had. In 1934 werd ook iemand veroordeeld vanwege het plaatsen van een advertentie in een sociaal-anarchistisch blad waarin de beschadigde beeldjes van Jezus, Maria en andere Heilige te koop werden aangeboden met daaronder de tekst: ‘Dat Jezus iets beschadigd is, dat is begrijpelijk, daar was hij een jood voor, maar Maria O dogma a priori Maria Onbevlekte Ontvangenis.’ De rechtbank geloofde niet dat deze advertentie als reclame was bedoeld. Voor de rechter stond buiten kijf dat met deze reclameboodschap de God (Jezus) van christenen werd gelasterd en dat de godsdienstige gevoelens van christenen waren gekrenkt.2 Een andere zaak, ditmaal in 1938 voor de Hoge Raad, betrof een koopman die in het openbaar, in een trein, luidkeels de wonderen die in het evangelie staan opgenomen als een absurditeit omschreef. De rechtbank oordeelde dat de koopman God had belasterd en daarmee de godsdienstige gevoelens van christenen had gekrenkt. De Hoge Raad overwoog echter dat de spot zich voornamelijk had gericht op de opstanding van Lazarus en niet op die van Jezus. Om die reden oordeelde de Hoge Raad dat de lastering geen betrekking had op de ‘Allerhoogste’ en werd de koopman niet veroordeeld.3
Eveneens in 1938 veroordeelde de Haarlemse rechtbank een redacteur tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf omdat hij een stuk genaamd ‘Puer Nobis Nascitur’ had geplaatst in het blad De Vrijdenker. In dit stuk, dat betrekking had op het mysterie van de incarnatie, werden volgens de rechtbank Maria, Jezus en de Heilige Geest smalend gelasterd. De Roo merkt naar aanleiding van deze uitspraak op dat in het stuk toch vooral Maria wordt bespot en dat de uitspraak daarom in strijd is met de wetsgeschiedenis van het verbod op de godslastering waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de beschimping van Maria niet onder de delictsomschrijving valt.4 Sommige auteurs stellen dat deze uitspraak het godsbegrip zou hebben opgerekt.5
In 1965 werd voor de Rechtbank Amsterdam iemand veroordeeld voor satirische uitlatingen in een verhaal in een studentenweekblad waarin het evangelie en de persoon van Christus op de hak werd genomen. Dat de kwetsende opmerkingen betrekking hadden op de God en de godsdienstige gevoelens van christenen stond buiten kijf, aangezien het een karikaturale navertelling betrof van het evangelie en Christus bij naam werd genoemd.6
De vervolging van de schrijver Van het Reve in 1966 is de laatste keer geweest dat het Openbaar Ministerie het verbod van godslastering van stal heeft gehaald. Van het Reve schreef over de terugkeer van God op aarde. Daarbij stelde hij God voor als een ezel waarmee hij seksuele handelingen verrichtte. Dat de uitlatingen betrekking hadden op de terugkeer van de christelijke God op aarde zoals dit dogma kan worden opgemaakt uit het evangelie, en dat de ‘godsdienstige gevoelens’ van christenen met de uitlatingen mogelijk waren gekrenkt heeft in het gehele proces niet ter discussie gestaan. Wel stond een ander bestanddeel ter discussie, namelijk de term ‘smalend’. De rechtbank oordeelde dat aan de wijze waarop Van het Reve zijn uitlatingen had gedaan niet kon worden gezien als smalend. Er zou slechts sprake zijn geweest van een ‘honende strekking’.7 Het gerechtshof overwoog eveneens dat niet bewezen kon worden dat de uitlatingen van Van het Reve een smalend karakter hadden. De Hoge Raad overwoog dat ten aanzien van de term smalende:
‘… van Regeringszijde met name is naar voren gebracht, dat de term “smalende” bevat het subjectieve element, de bedoeling van de smalende het als reëel gestelde hoogste Opperwezen neer te halen’.8
Vervolgens stelde hij:
‘… dat om gelijke reden niet reeds door de bepaling wordt getroffen een auteur die de bedoeling heeft zich te uiten in zulk een vorm dat anderen in hun godsdienstige gevoelens wel gekrenkt moeten worden; dat de aangehaalde overwegingen van het Hof aldus zijn te verstaan dat niet is bewezen dat de in de t.l.l. vermelde passages smalend zijn bedoeld’.
Volgens de Hoge Raad had het hof geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting ten aanzien van godslastering en was de vrijspraak terecht.9 Met deze uitleg van de term smalend werden de mogelijkheden om iemand te vervolgen voor dit delict zeer beperkt. Het is immers zeer moeilijk de bedoeling van iemands uitlating te bewijzen. Na dit arrest zijn de bepalingen omtrent het verbod op godslastering dan ook slapende bepalingen geworden.10
Ten slotte werd in 2001 het godslasteringsverbod indirect naar voren gebracht in de civiele Shiva-zaak voor de rechtbank van Amsterdam. Hindoes hadden een zaak aangespannen tegen Shiva Entertainment C.V. dat pornografische videobanden op de markt bracht. Dit was volgens deze hindoes een lastering van Shiva, het opperwezen van het hindoeïsme en zou daarmee een onrechtmatige daad vormen. De rechter overwoog:
‘(…) door eisers is niet weersproken dat de naam Shiva niet exclusief wordt gebruikt voor de aanduiding van God, maar dat Shiva ook een gangbare meisjesnaam in Nederland is ...’.
En:
‘…dat diverse ondernemingen van allerlei aard de naam Shiva als handelsnaam of als deel van hun handelsnaam gebruiken zonder dat daartegen uit godsdienstige overwegingen bezwaar is gemaakt’.11
Volgens de rechter waren er geen feiten of omstandigheden waaruit kon blijken dat gedaagde had beoogd door het gebruik van het woord Shiva in de handelsnaam de naam van God te gebruiken of te misbruiken. We kunnen naar aanleiding van deze zaak dan ook concluderen dat de rechter de naam Shiva niet kwalificeert als de naam van God in de zin van het godslastering-verbod. Dit was niet zoals misschien op grond van de wetsgeschiedenis zou kunnen worden verondersteld vanwege het polytheïstische karakter van deze goddelijke personage uit het hindoeïsme maar simpelweg omdat de rechter vond dat het juridische begrip van godsdienst niet aan de orde was. Dit was niet het geval omdat de naam Shiva in Nederland ook gebruikt wordt als meisjesnaam en als naam voor bedrijven en omdat niet was gebleken dat de verdachte had beoogd om de naam van God te misbruiken.
Zoals de bovenstaande uitspraken laten zien hebben er zich in de rechtspraak geen problemen voorgedaan ten aanzien van de uitleg van de wettelijke termen ‘godslastering en ‘godsdienstige gevoelens’. Behalve ten aanzien van de Shiva-zaak lijkt het erop dat de rechterlijke kwalificaties door de partijen als vanzelfsprekend werden beschouwd. De rechter lijkt het om die reden ook niet nodig te hebben gevonden om expliciet kenbaar te maken waarop zijn kwalificatie stoelde. Vanwege de gebrekkige motivering kunnen we de kwalificaties niet associëren met een bepaalde politieke-filosofische benadering.