Einde inhoudsopgave
RvdW 2021/1179
Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad. Abstracte bankgarantie op voet art. 7:768 lid 3 BW; moet bank acht slaan op onderliggende rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigde?
HR 03-12-2021, ECLI:NL:HR:2021:1803
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
3 december 2021
- Magistraten
Mrs. M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons
- Zaaknummer
20/01453
- Conclusie
A-G mr. R.H. de Bock
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2021:1803, Uitspraak, Hoge Raad, 03‑12‑2021
ECLI:NL:PHR:2021:430, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑04‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 28‑04‑2020
- Wetingang
Art. 6:162, 7:768 BW
Essentie
Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad. Abstracte bankgarantie op voet art. 7:768 lid 3 BW; moet bank acht slaan op onderliggende rechtsverhouding tussen opdrachtgever en begunstigde?
Samenvatting
In beginsel geldt dat een bank bij het stellen van een bankgarantie geen acht behoeft te slaan op de onderliggende rechtsverhouding tussen haar opdrachtgever en de begunstigde. Het is echter niet uitgesloten dat een bank onder bijzondere omstandigheden zich de voor haar kenbare belangen van de begunstigde moet aantrekken. In dit geval was het voor de bank duidelijk of had het duidelijk moeten zijn dat het door het aannemingsbedrijf voorgestelde vervalbeding in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.