Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/4.4.2
4.4.2 Verlening putoptie
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS350683:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Over de kenmerken van de optie meer uitgebreid hoofdstuk 5.
Art. 5:70 en 5:71 lid 1 onderdeel c Wft over het verplichte bod.
Art. 2:346 onderdeel e BW, waarover in paragraaf 9.3.7 onder a.
Zie paragraaf 7.2.
Zie voor de vraag of het rentebetalingsmoment en het uitkeringsmoment in tijd samen vallen paragraaf 7.5.6.
Zo werd bij KPN het voorstel om het bestuur als het tot uitgifte van beschermingsprefs bevoegde orgaan aan te wijzen in de algemene vergadering van 11 april 2006 afgewezen; zie de notulen van die vergadering die kunnen worden geraadpleegd via https://www.kpn.com/corporate/overkpn/Investor- Relations/ava.htm. Andere voorbeelden zijn Stork, OPG in 2006, waarover Abma, Het aandeelhoudersvergaderingenseizoen 2006: feiten en trends, TvOB 2006/5, p. 172 en Fugro, Unit 4, TKH, Arcadis en Wolters Kluwer in 2011, waarover Abma, Kroniek van het seizoen van jaarlijkse algemene vergaderingen 2011, Ondernemingsrecht 2011/74.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/641.
Zie paragraaf 2.7.2.
Zie bijvoorbeeld The Rise of the ‘Stichting’, an Obscure Takeover Defense, The Wall Street Journal, 22 april 2015, A Stichting and What It Can Do for Mylan, The Wall Street Journal, 11 mei 2015, waarover uitgebreider in paragraaf 2.8.2.
Zo hebben Delta Lloyd, NN Group, ASR Nederland, Philips Lighting, ForFarmers en Takeaway.com bij hun beursgangen de afgelopen jaren een optie toekend aan hun beschermingsstichtingen. En onlangs heeft Heijmans als een van de laatste vennootschappen de putoptieovereenkomst met haar stichting beëindigd.
Zie paragraaf 5.3.2. Dat recht kan ook rechtstreeks door de algemene vergadering worden verleend.
Stb. 1981, 332. Zie paragraaf 2.4.6 onder b.
Voor zover ik heb kunnen nagaan, werd de optie voor het eerst met zoveel woorden genoemd in nr. 20 van het Supplement Aanpassingswet Tweede Richtlijn behorende bij Handboek 1981/20.
a. Vormvereisten
Heeft het vennootschapsbestuur tot uitgifte van de beschermingsprefs besloten, dan zullen de beschermingsprefs aan de stichting moeten worden uitgegeven. Op de uitgiftehandeling kom ik terug in paragraaf 4.4.3. Om te bewerkstelligen dat de stichting continuïteit ook meewerkt aan de uitgifte van de beschermingsprefs, zouden de vennootschap en de stichting met elkaar moeten overeenkomen dat de stichting telkens wanneer de vennootschap overgaat tot uitgifte van beschermingsprefs een zodanig aantal beschermingsprefs neemt als de vennootschap bepaalt. In feite zou de stichting een optie moeten verlenen aan de vennootschap, waarmee de laatste het recht krijgt om de beschermingsprefs bij de stichting te plaatsen en waarmee de stichting zich contractueel verplicht om mee te werken aan die plaatsing. De verlening van deze putoptie geschiedt door middel van een (vormvrije) eenzijdige overeenkomst – de putoptieovereenkomst – waarmee een contractuele relatie tussen de vennootschap en de stichting tot stand komt. Uitoefening van de putoptie door de vennootschap, geeft de vennootschap een vorderingsrecht jegens de stichting ter zake van de (vol)storting van de beschermingsprefs.1
In de putoptieovereenkomst kunnen nadere aspecten rondom de uitgifte van beschermingsprefs worden overeengekomen. Het eenzijdige karakter van de overeenkomst verhindert niet dat de vennootschap en de stichting over en weer een aantal bijkomende verplichtingen op zich nemen.2 Gedacht kan worden aan de volgende aspecten:
De verplichting voor de stichting om de beschermingsprefs ook te nemen zodra de vennootschap tot uitgifte daarvan overgaat, vormt de kern van de overeenkomst.
Het maximum aantal beschermingsprefs dat het bestuur kan uitgeven en dat de stichting dientengevolge moet nemen, zou in de overeenkomst kunnen worden opgenomen. Op die manier weet de stichting met welk aantal aandelen zij maximaal kan worden geconfronteerd en kan zij met de financiering daarvan rekening houden. Het exacte aantal beschermingsprefs dat wordt uitgegeven bepaalt het bestuur van de vennootschap bij zijn besluit. Overschrijdt de vennootschap het maximum aantal uit de overeenkomst, dan is de stichting niet gehouden om het aantal aandelen dat het maximum overtreft te nemen. Het ligt in de rede om afspraken hierover in de overeenkomst vast te leggen. Uiteraard mag het maximum uit te geven beschermingsprefs het maximum uit het aanwijzingsbesluit niet overschrijden.
In sommige situaties is het niet wenselijk dat de vennootschap – indien zij tot uitgifte besluit – de stichting verplicht om aan de uitgifte mee te werken. Gedacht kan worden aan de situatie waarin de stichting niet over voldoende financiële middelen beschikt om op de beschermingsprefs te storten, de situatie waarbij de vennootschap niet in staat is om het preferente dividend op de beschermingsprefs uit te keren, of het nemen van de beschermingsprefs leidt tot een situatie waarin de stichting gehouden is om een openbaar bod op alle uitstaande aandelen in de vennootschap uit te brengen.3 Aanvullende verbintenisrechtelijke afspraken op grond waarvan de stichting niet gehouden is om de beschermingsprefs te nemen zijn daarom niet ondenkbaar. Dat geldt ook indien zo’n situatie zich in een latere fase – bijvoorbeeld enige tijd nadat de putoptie door de vennootschap is uitgeoefend en de beschermingsprefs zijn uitgegeven – voordoet. In die situaties kan het opportuun zijn om de beschermingsprefs door de vennootschap te laten inkopen of te laten intrekken. Afspraken hierover kunnen eveneens in de overeenkomst worden opgenomen.
Het is niet onredelijk dat de vennootschap alvorens zij tot uitgifte overgaat, overleg voert met de stichting. Zodoende kan de stichting de nodige maatregelen nemen en zo nodig de financierende bank voorbereiden op de uitgifte. Ook hier kunnen aanvullende verbintenisrechtelijke afspraken wenselijk zijn.
Het recht van enquête kan bij de putoptieovereenkomst aan de stichting worden toegekend.4
Omdat de stichting in de regel niet over voldoende financiële middelen beschikt, zal zij zo min mogelijk wensen te storten. Ingevolge art. 2:80 lid 1 BW kan bedongen worden dat een deel – ten hoogste drie vierden – van het nominale bedrag eerst behoeft te worden gestort nadat de vennootschap het zal hebben opgevraagd, zodat de financieringslasten van de stichting tot een minimum worden beperkt. Bij beschermingsprefs ligt het in de rede dat slechts een vierde van het totale nominale bedrag terstond bij de uitgifte op de beschermingsprefs wordt gestort.5 Het resterende gedeelte moet dan worden gestort nadat de vennootschap dat zal hebben opgevraagd. De vennootschap en de stichting zullen dat dan met elkaar moeten overeenkomen, zodat ook hier aanvullende verbintenisrechtelijke afspraken in de rede liggen.
De stichting zal het bedrag dat zij op de beschermingsprefs stort in de regel van een bank lenen en zal daarover rente moeten betalen. Die rente zal zij betalen uit het preferente dividend dat op de beschermingsprefs wordt uitgekeerd.6 Omdat de stichting het bedrag eerst leent op het moment waarop de beschermingsprefs aan haar worden uitgegeven, kunnen de beschermingsprefs dividendgerechtigd zijn vanaf het moment van uitgifte en niet over het gehele boekjaar waarin de beschermingsprefs worden uitgegeven. Hierover zouden nadere afspraken gemaakt kunnen worden in de overeenkomst.
b. Voor- en nadelen putoptie
De putoptie kent meer nadelen dan voordelen. Ik noem daarom eerst de nadelen van de putoptie:
Het bestuur van de vennootschap moet bevoegd zijn om tot uitgifte van beschermingsprefs te besluiten. Wanneer het tot uitgifte wenst over te gaan, is niet van meet af aan bekend. Zoals in paragraaf 4.3.8 aan de orde is gesteld, bedraagt de maximale duur van de aanwijzing vijf jaar. Dit betekent dat de aanwijzingsbevoegdheid om de vijf jaar verlengd moet worden, wil het bestuur het in zijn macht hebben om tot uitgifte van beschermingsprefs te besluiten. Vindt de aanwijzing voor een kortere periode plaats, dan zal frequenter verlengd moeten worden. Het bestuur en de raad van commissarissen zijn afhankelijk van de grillen van de algemene vergadering en lopen dus het risico dat de aanwijzingsbevoegdheid niet wordt verlengd. Het beschermingsinstrument verliest daarmee haar effectiviteit.7
Weliswaar zijn het bestuur en de raad van commissarissen als geen ander in staat om te beoordelen of de uitgifte van beschermingsprefs in het belang is van de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming, maar het is vanuit een governance oogpunt beter om de beslissing tot uitgifte van de beschermingsprefs in handen te leggen van een onafhankelijke derde. Beslist een onafhankelijke derde omtrent de uitgifte van de beschermingsprefs, dan kan het bestuur van de vennootschap er niet van worden beticht uitsluitend het belang van de bestuurders na te streven. Het risico van misbruik van de uitgiftebevoegdheid is daarmee minder groot.8
De putoptie werkt niet bij een onwelwillende stichting. Weliswaar is de stichting onder de putoptieovereenkomst gehouden om de beschermingsprefs te nemen, maar zij zou theoretisch haar verplichtingen onder de overeenkomst niet kunnen nakomen of het stemrecht op de beschermingsprefs op een wijze uitoefenen die niet in lijn is met de mening van de vennootschapsleiding. De stichting zou zich zelfs kunnen onthouden van stemrecht in de algemene vergadering, of helemaal niet naar de algemene vergadering kunnen komen.
Als voordelen van de putoptie kunnen worden genoemd:
De beslissing om beschermingsprefs uit te geven, ligt bij de vennootschapsleiding. De vennootschap bepaalt dus zelf wanneer beschermingsprefs worden uitgegeven. Anders dan bij een calloptie, is de vennootschap niet overgeleverd aan de stichting continuïteit. Dit voordeel brengt ook meteen het hierboven genoemde nadeel met zich mee. Doordat het bestuur van de vennootschap omtrent de uitgifte beslist, bestaat het gevaar dat het ervan beticht wordt primair zijn eigen belangen en minder die van de aandeelhouders en andere stakeholders in ogenschouw te nemen. Het zou zich louter kunnen laten leiden door eigen (financiële) belangen. Het bestuur kan daarbij het verwijt krijgen niet onafhankelijk te opereren.
De putoptie sluit beter aan bij de beschermingspraktijk in de Verenigde Staten, alwaar het vennootschapsbestuur beslist omtrent de activering van poison pills.9 Omdat Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen veel aandeelhouders uit de Verenigde Staten kennen, bestaat de kans dat de uitgifte van beschermingsprefs krachtens uitoefening van de putoptie breder gedragen wordt. De uitgifte van beschermingsprefs op initiatief van een derde (de stichting continuïteit), wordt in de Verenigde Staten obscuur gevonden.10 Mijn waarneming is ook dat stembureaus als ISS en Glass Lewis in het verleden het advies uitbrachten om vóór het voorstel tot aanwijzing van het bestuur als het tot uitgifte van beschermingsprefs bevoegde orgaan te stemmen.
In de praktijk is gebleken dat de nadelen zwaarder wegen dan de voordelen. Alle beursgenoteerde vennootschappen die zich wensen te beschermen middels de uitgifte van beschermingsprefs, verlenen tegenwoordig alleen nog een recht tot het nemen van beschermingsprefs (optie) aan een stichting continuïteit.11 In dat geval verleent het bestuur van de vennootschap aan de stichting het recht om beschermingsprefs te nemen.12 De inwerkingtreding van de Tweede EG-richtlijn heeft er mede toe bijgedragen dat beschermingsprefs in de vorm van een optie werden opgetuigd. Door de implementatie van de daaruit voortvloeiende nieuwe wetgeving op 1 september 198113 kon de uitgiftebevoegdheid namelijk niet langer permanent bij het bestuur gelegd worden. Dat betekende dat steeds een algemene vergadering gehouden moest worden om het bestuur als het tot uitgifte bevoegde orgaan aan te wijzen. Door een optie toe te kennen aan de stichting, was het niet langer nodig om de algemene vergadering te laten besluiten tot aanwijzing van het bestuur als het tot uitgifte van beschermingsprefs bevoegde orgaan. Aanvankelijk sprak men van een optie.14 Om het verschil met de putoptie aan te duiden, werd later ook wel van een calloptie gesproken. Tot aan de inwerkingtreding van de Wet implementatie Overnamerichtlijn bleven de meeste vennootschappen gebruikmaken van zowel de putoptie als de calloptie. Vanaf dat moment schaften de meeste vennootschappen – mede onder druk van institutionele beleggers die veelal tegen het voorstel tot aanwijzing van het bestuur als het tot uitgifte van beschermingsprefs bevoegde orgaan stemden – de putoptie volledig af.
Uit het voorgaande volgt dat wil het instrument van beschermingsprefs volledig effectief zijn, de uiteindelijke uitgifte van beschermingsprefs via het verlenen van een recht tot het nemen van beschermingsprefs (optie) gestructureerd moet worden. Het recht tot het nemen van beschermingsprefs (optie) komt uitgebreid aan bod in hoofdstuk 5.