Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/3.3.2
3.3.2 De uitvoering van de belastingwet
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285667:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk: Kamerlid Van Houten in zijn kritiek op de Wet VB 1892 waarin hij stelde: “Nu is het begrip van uitvoering van deze wet vaag” (Handelingen II 1891/92, blz. 1339).
O.a.: MvT, Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, blz. 26 waar expliciet wordt opgemerkt dat de uitvoering van de belastingwetten is opgedragen aan de ambtenaren van de Belastingdienst. Zie ook: brief Staatssecretaris van Financiën van 26 februari 2019 (Nederland als fiscaal doorsluisland en het nieuwe rulingbeleid), Aanhangsel Handelingen II 2018/19, 1725, antwoord op vraag 28.
Deze bepaling komt ook voor in oudere besluiten: art. 1, eerste lid, Org. Reg. BD 1989 en art. 3, eerste lid, Uitv. Reg. BD 1994. Vergelijk: par. 2.1.1 VIV 1993 waarin wordt gesproken over het uitvoeren van de belastingwetgeving door de Belastingdienst.
Art. 2, tweede lid, Uitv. Reg. BD 2003. Vergelijk: met betrekking tot de bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen (art. 61 Ontwerp van wet) stelde de Minister dat de uitvoering van de wet de taak van de Minister is en het staatsrechtelijk onjuist zou zijn de uitvoering van de belastingwetten, ook al is met maar voor een deel, over te laten aan een ander die staatsrechtelijk geen verantwoordelijkheid draagt (EV, Kamerstukken II 1957/58, 4080, nr. 7, blz. 14).
Oenema stelt vast dat zowel de Belastingdienst als de inspecteur niet bij wet in formele zin zijn ingesteld, maar uitgaan van hun aanwezigheid (Oenema 2014, blz. 21). Vergelijk: Feteris 2007, blz. 19-20.
Een andere interpretatie zou immers betekenen dat uitsluitend sprake is van schending van de geheimhouding ingeval gegevens rechtmatig zijn verkregen. Vergelijk: HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:193, BNB 2019/73 inzake een teruggavebeschikking dividendbelasting van € 19,5 miljoen. Deze frauduleus opgemaakte teruggaafbeschikking viel binnen de grenzen van de gemandateerde bevoegdheid.
Wattel 1992, blz. 222. Hij verwijst naar HR (strafkamer) 28 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:BI9570, FED 1988/34 en HR (strafkamer) 26 april 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5708, FED 1988/716. Zie ook: Wortel 1991, blz. 271 e.v. De fiscale strafrechtspraak valt logischerwijs eveneens onder het begrip ‘uitvoering van de belastingwet’. Ook in materiële belastingwetten komen strafbepalingen voor (o.a.: art. 42 Wet OB 1968).
Zie uitgebreider: B.M. van der Sar, De fiscale geheimhoudingplicht, de publicatie van uitspraken en de Anonimiseringsrichtlijnen, TFB 2018/7-36, par. 1.2. Vergelijk: Sinninghe Damsté 1931, blz. 477 en J.B.H. Röben, Geheimhouding, verplicht? Belastingblad 1982/475.
MvT (begroting 1992), Kamerstukken II 1991/92, 22 300 IXB, nr. 2, blz. 27. Vergelijk: HR (civiele kamer) 8 november 1991 (Verschueren/Kloosterboer), ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277, r.o. 3.2 en MvT, Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 12.
J.P. Scheltens, Het Ontwerp van een Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, Maandblad voor Belastingrecht 1955/1956, nr. 1 t/m 6, blz. 74.
MvT (derde tranche algemene wet bestuursrecht), Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 130. Zie ook: Feteris 2007, blz. 86.
Feteris 2007, blz. 86. Ook bij horizontaal toezicht is het uiteindelijk nog steeds de inspecteur die de belastingwet uitvoert. Zijn ‘verticale bevoegdheden’ blijven geheel bestaan (vergelijk: Oenema 2014, blz. 127).
Vergelijk: Oenema 2014, blz. 23 die stelt dat het bestuur en de burger niet beschikken over dezelfde mogelijkheden om hun onderlinge rechtsbetrekking vorm te geven. Het bestuur heeft immers op basis van de wet de bevoegdheid de burger eenzijdig in een rechtspositie te plaatsen.
IAK, onderdeel 6.5 Uitvoerbaarheid, https://www.kcwj.nl/kennisbank/integraal-afwegingskader-beleid-en-regelgeving/6-wat-het-beste-instrument/64 (online, geraadpleegd op 28 mei 2019) en de Handleiding uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid (U&H), 28 juni 2018, https://www.kcwj.nl/kennisbank/integraal-afwegingskader-beleid-en-regelgeving/verplichte-kwaliteitseisen/uitvoerbaarheid-en-handhaafbaarheid-uh (online, geraadpleegd op 28 mei 2019).
Zie uitgebreider: Hoofdstuk 7, par. 2.
Bij de behandeling van de onderworpen subjecten is het van belang om eerst kort stil te staan bij de vraag wat moet worden verstaan onder de belastingwet en aan wie de uitvoering daarvan is opgedragen.1 Art. 1 en art. 2 AWR bepalen dat onder belastingwet niet alleen moet worden verstaan de AWR en de rijksbelastingen, maar ook de heffing van belasting- en revisierente, het opleggen van bestuurlijke boeten en de uitvoering van de Basisregistratie inkomen. De uitvoering van de belastingwetgeving is primair opgedragen aan de Belastingdienst.2 Dit blijkt onder meer uit art. 3, tweede lid, AWR jo. art. 2, eerste lid, Uitv. Reg. BD 2003 waarin wordt bepaald dat er een rijksbelastingdienst is onder de naam Belastingdienst en dat deze dienst is belast met de heffing en invordering van rijksbelastingen.3 De Belastingdienst staat onder gezag van de Minister van Financiën.4 Hierbij dient te worden opgemerkt dat de Belastingdienst ook is belast met andere, niet-fiscale taken.5 De inspecteur kan mandaat verlenen aan belastingambtenaren om de bevoegdheden van de inspecteur namens hem uit te oefenen.6 Ook bij het ongeautoriseerd raadplegen van systemen door een belastingdienstmedewerker is sprake van uitvoering van de belastingwet en dient de aldus verkregen fiscale informatie geheim te worden gehouden.7 De opsporing, vervolging en berechting van de fiscale delicten van (met name) Hoofdstuk IX AWR is eveneens aan te merken als uitvoering van de belastingwet.8 Van oudsher wordt de belastingrechtspraak eveneens geschaard onder uitvoering van de belastingwet.9
In de fiscale wet- en regelgeving zijn talloze voorbeelden te vinden van verplichtingen en (discretionaire) bevoegdheden van de inspecteur ten behoeve van de uitvoering van de belastingwet. De taak van de Belastingdienst is de wetgeving die hem is opgedragen zo doeltreffend, doelmatig én rechtmatig mogelijk uit te voeren in het individuele geval en daarbij tegelijkertijd te streven naar het waarborgen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.10 Vanzelfsprekend zijn het niet uitsluitend de medewerkers van de Belastingdienst die de belastingwetten uitvoeren. De belastingrechtspraak is immers opgedragen aan de rechterlijke macht en voor de uitvoering van de belastingwet kunnen deskundige derden worden ingeschakeld. Scheltens merkt over de uitvoering van de belastingwet terecht op dat:11
(…) uitvoering is een staatsrechtelijk begrip; de belastingplichtige voert niet de wet uit en de belastingconsulent wordt derhalve niet bij de uitvoering geraadpleegd (…). Het voorgestelde artikel, dat eveneens spreekt over bij de uitvoering der wet of in verband daarmede verworven kennis, kan evenmin betrekking hebben op de belastingconsulent (of accountant).
De rechtsbetrekking tussen overheid en burger wordt wederkerig ingevuld.12 Feteris merkt op dat de term wederkerige rechtsbetrekking tot uitdrukking brengt dat voor een behoorlijke uitoefening van bestuurstaken – waaronder belastingheffing – een goede medewerking van de betrokken burger onmisbaar is.13 Van een gelijkwaardige positie is volgens hem echter geen sprake.14 In het IAK wordt dit treffend weergegeven met de opmerking:15
Wetten en regelingen moeten werkbaar zijn voor ieder die ermee te maken heeft. Voor de burgers en bedrijven die zich aan de regels moeten houden en ook voor de organisaties binnen de overheid die de regels moeten uitvoeren en handhaven.
Belasting-, administratie- en inhoudingsplichtigen en derden zijn onderworpen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de belastingwet, maar voeren de belastingwet niet uit.16