Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.4.4
15.4.4 Het verbod op reformatio in peius
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940567:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 14.4.1 en paragraaf 14.4.4.3.1. Zie voor de algemeen-procesrechtelijke grondslag van dit beginsel paragraaf 7.3.7.3.1 onder ‘Interne compensatie en (on)gebondenheid aan eerdere standpunten’. Zie voorts HR 21 juni 1978, BNB 1978/228.
HR 5 december 2008, BNB 2009/177, V-N 2008/59.9 (ook variaties op dit thema, zoals de hierna te bespreken rechterlijke interne compensatie, zijn niet toegestaan). Zie voorts HR 28 maart 1990, BNB 1990/194, waaruit blijkt dat ook het maximum conform het BBBB de rechter bindt. Vgl. ook CRvB 24 november 2014, V-N 2014/65.6, r.o. 7.1 (slot), waarin de CRvB erop wijst dat de WW een uitzondering kent op dit verbod.
Zie voor een voorbeeld waaruit duidelijk naar voren komt dat de rechter de hoogte van de boetes zoals de inspecteur die in bezwaar had verminderd wel (erg) laag vond Hof Den Haag 28 juni 2023, V-N 2023/45.1.2.
Er is in het verleden wel voorgesteld om de rechter (ook die in eerste aanleg) de bevoegdheid te geven om een hogere boete op te leggen, maar dat voorstel is ingetrokken. Zie Kamerstukken II 1997/98, 24 800, nr. 7, p. 3 e.v. en Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 9-11.
Zie paragraaf 14.4.4.3.1. Zie in dit verband de aldaar aangehaalde casus die hebben geleid tot HR 18 december 2015, V-N 2016/2.8 (rechtbank: 5 %, Hof: 8 %, terug naar 5 %), Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22 (rechtbank: € 30.600, Hof: € 55.000) en HR 16 oktober 2020, V-N 2020/55.20.5 (art. 81 Wet RO, rechtbank: € 14.000, Hof: € 28.068). Zie ook de zaak die heeft geleid tot HR 2 december 2022, V-N 2022/56.25.6 (art. 81 Wet RO), waarin het incidenteel hoger beroep van de inspecteur tegen de vernietiging van de boete door de rechtbank slaagde.
HR 28 oktober 2016, V-N 2016/55.4, BNB 2016/238, r.o. 2.4.1-2.4.3. Zie daaromtrent nader paragraaf 14.4.4.3.1. Voor de inspecteur geldt dus: appelleren is riskeren. Het uitgangspunt dat degene die zelf geen (incidenteel) hoger beroep instelt, er ten opzichte van de uitspraak van de rechtbank niet op vooruit kan gaan (zie paragraaf 7.3.7.3.1), gaat voor de boeteling (althans voor wat betreft de strafmaat) dus niet op.
Zie de casus die leidde tot HR 4 november 2016, V-N 2016/59.10, waaromtrent nader in paragraaf 14.4.4.3.1.
Op dit punt wijkt het fiscale bestuurlijke boeterecht dus af van het strafrecht: daar kan in hoger beroep zonder terughoudendheid een hogere straf worden opgelegd dan in eerste aanleg het geval was (‘appelleren is riskeren’). De rechter in eerste aanleg is, anders dan in het fiscale recht, ook degene die als eerste de straf oplegt.
Feteris 2002, p. 394 (waarbij ook valt te denken aan de doorwerking in de boetegrondslag van een nadelige ambtshalve cassatie in de sfeer van de heffing, zie noot 186).
Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.3.3 (over de betekenis van de mededelingsplicht in dit verband). Alleen de doorwerking van interne compensatie vanuit de sfeer van de heffing naar de boetegrondslag is onder omstandigheden toelaatbaar.
Zie HR 5 december 2008, BNB 2009/177, V-N 2008/59.9. Uit dat arrest bleek dat rechterlijke interne compensatie van een hogere boete enerzijds met een vermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn anderzijds in verband met het verbod op reformatio in peius niet is toegestaan. Aldus ook: Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2018, V-N 2019/6.29.7, r.o. 4.11. Om deze reden betwijfel ik of de rechterlijke interne compensatie die het Hof toepaste in de zaak die heeft geleid tot HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, wel door de beugel kan. Bij het Hof kwam vast te staan dat de rechtbank achteraf bezien een bepaalde strafverzwarende omstandigheid (te zwaar) had meegewogen. Desondanks sloot het Hof zich aan bij de boete zoals de rechtbank die had vastgesteld (zie r.o. 4.14 en 4.15 van de Hofuitspraak). Omdat alleen de boeteling hoger beroep had ingesteld, zou de boete normaal gesproken moeten zijn verminderd.
Zie Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2018, V-N 2019/6.29.7, r.o. 4.10. Zie voorts paragraaf 12.2.6.1.
Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, V-N 2016/46.7, nader besproken in paragraaf 12.2.6. Daarin verdedigde de inspecteur vruchteloos een (fictieve) verhoging met terugwerkende kracht: bij de opzetboete die per abuis op 25 % was gesteld (het bij grove schuld passende percentage), maar eigenlijk 50 % had moeten zijn, was volgens de inspecteur al voldoende rekening was gehouden met verzachtende omstandigheden (zie r.o. 4.1, 4.2 en 4.5).
HR 16 januari 2015, V-N 2015/7.6, BNB 2015/90, FED 2015/23, NTFR 2015/515, waarover nader in paragraaf 12.2.3.3.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 28 juni 2016, V-N 2016/46.7, r.o. 4.5.
Het verbod op reformatio in peius (degene die een rechtsmiddel instelt, mag daardoor niet slechter af zijn) betekent voor de fiscale bestuurlijke boete dat de hoogte van een eenmaal opgelegde boete gedurende de gehele bezwaar- en beroepsprocedure als bovengrens heeft te gelden.1 Hoger kan de boete nooit meer worden, ongeacht de andersluidende opvatting van de bezwaarambtenaar of van de rechter.2 Is de boete in bezwaar verminderd, dan geldt in beroep die verminderde boete als bovengrens.3 De rechter kan er dus niet mee volstaan om de strafmaat zoals die volgens hemzelf zou moeten zijn, te toetsen aan de oorspronkelijk door de inspecteur opgelegde boete.4
Alleen in appel bestaat de mogelijkheid dat de boete hoger uitvalt dan in de fase ervoor, maar slechts indien en voor zover de boete in eerste aanleg is verminderd en de inspecteur daar zelfstandig tegen opkomt.5 Voor de inspecteur geldt in hoger beroep echter ook een procesrisico, althans indien hij de strafmaat ter discussie heeft gesteld.6 Ook na verwijzing kan de boete op een ander bedrag worden vastgesteld: het verwijzingshof kan omtrent de strafmaat tot een ander oordeel komen dan het hof wiens uitspraak werd gecasseerd.7 Als de opgelegde boete in eerste aanleg niet is verminderd, kan de appelrechter nooit op een hoger bedrag uitkomen.8 Voor wat betreft de cassatiefase heeft Feteris verdedigd dat de Hoge Raad in boetezaken niet ambtshalve ten nadele van de boeteling mag casseren.9
Van belang is nog, dat er nadrukkelijk geen saldo-benadering geldt om te bepalen of de boeteling slechter af is door het instellen van een rechtsmiddel. Als de bezwaarambtenaar of de rechter tot de conclusie komt dat de boete om een bepaalde reden gedeeltelijk moet worden verminderd, kan hij die vermindering niet geheel of gedeeltelijk achterwege laten omdat hij vindt dat de oorspronkelijk opgelegde boete te laag was. Interne compensatie is voor wat betreft de boete niet toegestaan.10 De oorspronkelijk opgelegde boete is dus een gegeven, dat van aanvang af als bovengrens heeft te gelden. Matigingsgronden die later in de procedure opkomen, moeten dan ook leiden tot vermindering van die oorspronkelijke opgelegde boete.11 Dat geldt ook als de inspecteur in eerste instantie is uitgegaan van (de maximum boete bij) grove schuld, maar de schuldgradatie later wijzigt in opzet.12 Strafverminderende omstandigheden moeten dan toch nog in mindering komen op de (per abuis te laag) opgelegde boete.13 Bij wijze van uitzondering heeft de Hoge Raad alleen interne compensatie binnen de (omvang van de) boetegrondslag in bepaalde gevallen toegestaan.14
Tot slot een voorbeeld. Stel dat er een boete is opgelegd van 85, waar het wettelijk maximum 100 is. Op grond van het BBBB zou de boete 75 moeten zijn. De rechter vindt een boete van 90 passend en geboden. Hij moet de opgelegde boete dan toch (op grond van het vertrouwensbeginsel15) verlagen naar 75. Rechterlijke interne compensatie (terug) naar 85, laat staan een verhoging naar 90, is niet mogelijk. Als er strafverminderende omstandigheden zijn, zal de rechter deze bovendien moeten toepassen op het beleidsmatige maximum van 75 en de boete zo nodig dus nog verder moeten verlagen.16