Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.4.6
4.4.6 Overige rechtspositionele voorschriften
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS499832:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1979/80, 16 162 nr. 3, p. 20 (Nng, deel 23, p. 24).
Ook Van der Burg heeft deze vraag gesteld, die oorspronkelijk afkomstig is van prof. mr. H.J.M. Jeukens (tijdens zijn afscheidscollege d.d. 30 oktober 1980) waarnaar hij verwijst, Handelingen II 1980/81, p. 3254; gezamenlijke mondelinge behandeling van de ontwerpen 16 162, 16 163 (R1146) en 16 164 (R1147) (Nng, deel 23, p. 189).
Handelingen II 1980/81, p. 3317; gezamenlijke mondelinge behandeling van de ontwer-pen 16 162, 16 163 (R1146) en 16 164 (R1147) (Nng, deel 23, p. 212).
M.J.P. Verburgh, ‘De onafhankelijkheid van de (belasting)rechter ten opzichte van de overheid’, in: Eenvoud en doeltreffendheid, Liber Amicorum Mr. J.T. Warnaar, Deventer: Uitgeverij FED 1988, p. 231-240, op p. 236. Zie ook Trema 1979, p. 7-8.
Buijs 1883, deel I, p. 258.
Zie ook Akkermans/Koekkoek 1992, p. 1031-1032.
Overigens bestond er vóór 1983 geen bepaling met de inhoud van artikel 109 Gw. Vroeger was de Koning bevoegd inzake de rechtspositie van ambtenaren.
Artikel 117, vierde lid, Gw bepaalt dat de wet de overige rechtspositie – dus wat niet al expliciet uit artikel 116 of de overige leden van artikel 117 Gw volgt – van de leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de P-G bij de Hoge Raad regelt. De regering wijst er in de toelichting op dat ook deze bepaling van belang is voor de rechterlijke onafhankelijkheid.1 Kamerlid Korte-Van Hemel vroeg zich af hoe het aan iemand is duidelijk te maken dat de bepaling ‘de wet regelt overigens hun rechtspositie’ nog de functie vervult van een grondwettelijke waarborg van de onafhankelijkheid van de leden van de rechterlijke macht.2
Volgens toenmalig minister Wiegel moest de nadruk worden gelegd op het woord ‘overigens’:
‘In de eerste drie leden van artikel 6.5 [117 Gw, PvdE] staan de materiële onafhankelijkheidswaarborgen: benoeming voor het leven; ontslag op eigen verzoek of wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; schorsing en gedwongen ontslag alleen in bij de wet bepaalde gevallen op uitspraak van een tot de rechterlijke macht behorend gerecht. Met andere woorden: de kern staat in de Grondwet zelf en het overige wordt verder bij wet geregeld.’3
Volgens mij moet niet alleen het woord ‘overigens’ benadrukt worden, maar vooral het woord ‘wet’. Van belang is dat de regering niet zelfstandig de rechtspositie van rechters kan regelen, maar dat dit in beginsel door de wetgever moet worden geregeld (delegatie op centraal niveau is wel toegestaan). De nadruk moet er op liggen zoveel mogelijk in de wet vast te leggen. Dan kan de regering geen indirecte invloed uitoefenen op het functioneren van rechtsprekende leden van de rechterlijke macht door middel van ingrepen in hun rechtspositie. Ook anderen hebben erop gewezen dat de regeling van de rechtspositie bij wet (samen met de benoeming voor het leven) van oudsher behoort tot de basisvoorwaarden voor de rechterlijke onafhankelijkheid.4
De rechtspositie is grotendeels geregeld in de al eerder genoemde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Op deze wet berust onder meer het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren, waarin nadere regels zijn gesteld. Een deel van de regelgevende bevoegdheid is dus inderdaad door de wetgever gedelegeerd aan de regering. Met de Wrra, die ook de benoeming voor het leven en de beperkte ontslagbevoegdheden nader regelt, is de rechtspositionele onafhankelijkheid van de betreffende rechterlijke leden sterk gewaarborgd. In Hoofdstuk 6 bespreek ik de concrete onafhankelijkheidswaarborgen uit deze wet en het daarop berustende besluit.
Bij die ‘overige rechtspositie’ kan men onder meer denken aan de regeling van de salariëring van rechters bij wet. De oude specifieke grondwetsbepaling over de bezoldiging van de leden van de rechterlijke macht (art. 72 Gw 1972) is in artikel 117, vierde lid, Gw opgegaan. Die bepaling stond in het grondwetshoofdstuk met betrekking tot de Koning, aangezien het een uitzondering op de algemene Koninklijke bevoegdheid betrof om de bezoldiging van colleges en ambtenaren vast te stellen. Historisch gezien had immers de Koning het opperbestuur van de algemene geldmiddelen en in dat opzicht ook de bevoegdheid om ambtenaren te bezoldigen, maar altijd al met uitzondering van rechterlijke ambtenaren (art. 61 Gw 1815). Volgens Buijs verklaarde ‘de bijzondere aard van de plichten aan deze ambtenaren opgelegd, de behoefte aan hunnen volkomen onafhankelijkheid ook tegenover de regering (...) die uitzonderingen volkomen.’5 De onafhankelijkheid is dus gewaarborgd doordat de bezoldiging van de rechtsprekende leden van de rechterlijke macht niet, zoals voor ambtenaren, door de regering kan worden bepaald.6
Dat volgens de grondwetgever de rechtspositie van rechterlijke ambtenaren bijzondere aandacht verdiende, blijkt ook uit het feit dat naast artikel 109 Gw, dat in algemene zin bepaalt dat de wet de rechtspositie van ambtenaren regelt, dit apart is vermeld voor leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast (ook ambtenaren) in artikel 117, vierde lid, Gw.7 Artikel 109 Gw bevat geen definitie van het begrip ambtenaar, zodat de wetgever daarin vrij is. De rechtspositie van de leden van de rechterlijke macht, de Raad van State en de Algemene Rekenkamer valt echter niet onder de werking van artikel 109 Gw. De regering achtte het meer in overeenstemming met de onafhankelijke positie van de rechterlijke macht en de genoemde colleges indien bepalingen over de rechtspositie van de leden daarvan werden opgenomen in de hoofdstukken 4 en 6 van de Grondwet.8