De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.9:2.2.9 Termijnen
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.9
2.2.9 Termijnen
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701982:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onteigeningswet
In tegenstelling tot veel andere aspecten van het deskundigenbericht, is er in de onteigeningswet wel het nodige geregeld omtrent de door deskundigen te hanteren termijnen. Zij het, dat die wettelijke termijnen nog uitgaan van de in praktijk in onbruik geraakte ‘bezwaarschriftprocedure’. In dat kader bepaalt artikel 34 lid 4 van de onteigeningswet dat het deskundigenrapport binnen zes maanden na de descente (of binnen zes maanden na afloop van de termijn voor het verschaffen van nadere inlichtingen als bedoeld in art. 34 lid 3) ter griffie moet worden gedeponeerd. Ingevolge art. 34 lid 6 kan de rechter-commissaris eenmaal uitstel verlenen. Vervolgens is in art. 36 lid 1 bepaald dat partijen vier weken de tijd hebben om een bezwaarschrift in te dienen. Volgens het tweede lid van art. 36 kunnen de overige partijen dan weer binnen vier weken op elkaars bezwaarschrift reageren. Lid 3 bepaalt dat daarna, zo spoedig mogelijk, de bezwarenzitting plaats moet vinden. Ten slotte schrijft art. 37 voor dat vier weken na de bezwarenzitting pleidooi moet volgen en er vier weken na pleidooi een eindvonnis moet zijn.
Omgevingswet
Begrijpelijkerwijs vervallen in de Omgevingswet de oude wettelijke termijnen. Die waren immers gekoppeld aan de bezwaarschriftprocedure. De Omgevingswet zwijgt evenwel in zijn geheel over de door deskundigen te hanteren termijnen. Bij het ontbreken van bepalingen in de Omgevingswet moet worden teruggevallen op de algemene regeling voor deskundigen in Rv. Art. 197 lid 2 Rv schrijft voor dat de rechter de termijn bepaalt waarbinnen deskundigen hun rapport ter griffie moeten deponeren. Die bepaling ziet dan weer alleen op het eindrapport. Al met al heerst er veel onduidelijkheid over de te hanteren termijnen. Ik verwacht dat bij de benoeming van en opdrachtverstrekking aan deskundigen de rechter ook de overige termijnen zal bepalen. Het is dan aan de rechtbank en de rechter-commissaris om de termijnen strak te houden.
Analyse
Een optelsom van de oude wettelijke termijnen uit de onteigeningswet – en die vervolgens ‘toegerekend’ aan de conceptrapportprocedure – komt uit op een maximale termijn van grofweg tien tot twaalf maanden tussen descente en eindvonnis. 1Het komt wel voor dat deze termijn in de praktijk niet wordt gehaald. Er zijn procedures bekend waarin men een jaar op alleen al het conceptrapport moest wachten en soms wel twee jaar op het definitieve rapport.2 De totale tijdsperiode tussen descente en eindvonnis kan in een dergelijk geval oplopen tot een paar jaar.3 Sluysmans heeft, mijns inziens op overtuigende wijze, beredeneerd dat wanneer zich zo een discrepantie tussen wet en praktijk voordoet, dat wel eens strijdig zou kunnen zijn met de eisen van art. 6 EVRM.4