De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.6.1:9.6.1 Fusie waarbij de 403-maatschappij vermogen verkrijgt
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/9.6.1
9.6.1 Fusie waarbij de 403-maatschappij vermogen verkrijgt
Documentgegevens:
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250298:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In afbeelding 9.1 heb ik een fusie weergegeven waarbij het vermogen van een verdwenen rechtspersoon – niet zijnde de moedermaatschappij – onder algemene titel is overgegaan op de 403-maatschappij.
Door de fusie is het vermogen van de verdwenen rechtspersoon onder algemene titel overgegaan op de 403-maatschappij. Hierdoor is de 403-maatschappij de debiteur geworden van de crediteuren van de verdwenen rechtspersoon.
De crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling die de verdwenen rechtspersoon voor de fusie heeft verricht, krijgen op grond van de 403-verklaring ook een vordering op de moedermaatschappij.
Er zou mogelijk kunnen worden betoogd dat de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring niet aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen van de verdwenen rechtspersoon. Tot de fusie konden de desbetreffende crediteuren de jaarrekening van de verdwenen rechtspersoon inzien. Er kan worden betoogd dat zij daarom niet gecompenseerd hoeven te worden voor een gebrek aan inzicht. Na de fusie moeten de crediteuren zich echter op de 403-maatschappij verhalen. Zij kunnen de jaarrekening van de 403-maatschappij niet inzien en (mede) aan de hand daarvan schatten hoe groot het risico is dat de 403-maatschappij de vordering niet (volledig) zal voldoen. Voor de crediteuren kan het onder meer van belang zijn om de jaarrekening van de 403-maatschappij in te zien om (mede) aan de hand daarvan te beoordelen of zij eventuele zekerheidsrechten uitoefenen, de overeenkomst met de 403-maatschappij proberen aan te passen of opzeggen, of dat zij het faillissement van de 403-maatschappij aanvragen. Dit geldt in het bijzonder voor crediteuren die een duurovereenkomst zijn aangegaan waaruit periodiek nieuwe vorderingen voortvloeien. Een crediteur die bijvoorbeeld een verhuurovereenkomst heeft afgesloten met de rechtspersoon die door de fusie is verdwenen, heeft er als verhuurder belang bij om de jaarrekening van de 403-maatschappij als nieuwe huurder te kunnen inzien – en om in de toekomst de nieuwe jaarrekeningen van de 403-maatschappij in te zien. Ter compensatie van dit gebrek aan inzicht moeten de crediteuren zich mijns inziens na de fusie op grond van de 403-verklaring op de moedermaatschappij kunnen verhalen.1
De positie van een crediteur van de verdwenen rechtspersoon is vergelijkbaar met de positie van een crediteur die een vordering op de 403-maatschappij heeft voordat de moedermaatschappij de 403-verklaring deponeert. Toen laatstgenoemde crediteur de relatie aanging met de 403-maatschappij kon hij nog de jaarrekening van de 403-maatschappij inzien. Maar vanaf het moment dat de 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime ontbreekt het hem aan deze mogelijkheid. In hoofdstuk 5 heb ik geconcludeerd dat als een moedermaatschappij zich op grond van een 403-verklaring aansprakelijk stelt, zij (mede) om die reden ook aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht voordat de 403-verklaring is gedeponeerd.2