Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/1.2.5
1.2.5 Verhouding Unierecht – nationaal recht
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496609:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Ter ere van deze mijlpaal organiseert het Fonds Indirect Tax op donderdag 28 juni 2018 een congres waarin op de afgelopen vijftig jaar wordt teruggekeken.
Aanleiding voor bedoelde wetswijziging was vooral dat art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) in de praktijk op veel bezwaren stuitte (zie onder meer paragraaf 4.2) en bovendien diverse onevenwichtigheden kende, die ook als strijdig met het Unierecht werden ervaren (zie uitgebreid Heijnen 2010 en de aldaar aangehaalde rechtspraak en literatuur).
Buitengewoon recent zijn bijvoorbeeld HvJ 12 oktober 2017, nr. C-404/16, V-N 2017/51.14 (Lombard) (paragraaf 3.3.1.3), HvJ 23 november 2017, nr. C-246/16, V-N Vandaag 2017/2753 (Enzo di Maura) (paragraaf 3.3.6.2.1) en de thans nog bij het HvJ aanhangig zijnde zaak T-2 (nr. C-396/16, V-N 2017/51.18.34) (paragraaf 7.2.2.1).
De Nederlandse btw viert volgend jaar haar vijftig jarig bestaan.1 Daarbij zien ook de correcties bij niet-betaling Abraham. Op zowel Unierechtelijk als op nationaalrechtelijk niveau maken zij vanaf het eerste begin deel uit van het btw-systeem. Gelet op deze tijdspanne zou men verwachten dat de btw-correcties bij niet-betaling vandaag de dag voldoende zijn uitgekristalliseerd en over de verhouding van het nationale recht tot het Unierecht weinig misverstanden bestaan, temeer nu het uitgangspunt is dat het nationale recht steeds aan het Unierecht moet voldoen. Toch lijkt niets minder waar. De rechtspraak over de uitleg en het toepassingsbereik van art. 29 Wet OB 1968 is legio en het einde van de hoeveelheid rechtspraak is niet in zicht. Ook de recente (ingrijpende) wetswijziging per 1 januari 2017 doet vermoeden dat art. 29 Wet OB 1968 zijn perfecte (pas)vorm nog niet gevonden heeft.2 Op Unierechtelijke niveau vindt bedoelde twijfel zijn legitimatie in de toevlucht van de hoeveelheid rechtspraak van het HvJ.3 De onduidelijkheid over toepassing van art. 90 en art. 185 Btw-richtlijn wordt niet alleen gevoed door (prejudiciële) vragen over de inhoud van bedoelde bepalingen, maar ook door (prejudiciële) vragen over hun onderlinge verhouding, hun doorwerking naar het nationale recht (zeker daar waar het ‘kan’-bepalingen betreft) en hun verhouding tot diverse rechtsbeginselen. Na vijftig jaar lijkt het leerstuk over niet-betaling zich derhalve in de bloei van zijn leven te begeven.