De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.6.2:5.2.6.2 De kring der verzekerden volgens de Wam: algemeen
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.6.2
5.2.6.2 De kring der verzekerden volgens de Wam: algemeen
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398388:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken 111976177, 14 281, nr. 3, p. 15.
De Bosch Kemper & Gruben, nr. 33.
Benelux-Gerechtshof 22 december 1981, NJ 1983, 755 m.nt. WMK, VR 1982, 44.
Zie De Bosch Kemper & Gruben, nr. 3.4 en Ktr. Rotterdam 8 januari 1976, VR 1977, 73.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De kring van verzekerden wordt aangeduid in art. 3 lid 1 Wam: verzekerd dient te zijn de aansprakelijkheid van iedere bezitter, houder en bestuurder, alsmede van ieder die met het motorrijtuig wordt vervoerd. Een uitzonderingsmogelijkheid wordt gecreëerd voor degenen die zich na het sluiten van de verzekering door diefstal of geweldpleging de macht over het motorrijtuig hebben verschaft, alsmede voor degenen die - dit wetende - het motorrijtuig zonder geldige reden gebruiken. Het is de verzekeraar toegestaan de aansprakelijkheid van deze niet gemachtigde bestuurders/gebruikers van de dekking uit te sluiten. Voor de goede orde: de polisvoorwaarden moeten een dergelijke uitsluiting bevatten. Is dat niet het geval, dan dekt de verzekeraar de schade aan derden.
De eigenaar komt in de opsomming van art. 3 Wam niet voor. De reden daarvoor is - blijkens de parlementaire toelichting - dat art. 31 (thans 185) WVW de aansprakelijkheid van de bezitter centraal stelt en niet meer die van de eigenaar.1 In verband daarmee moet ook de aansprakelijkheid van de bezitter worden verzekerd. De bezitter is in beginsel ook de verzekeringnemer.
De houder in art. 3 is niet dezelfde (beperkte, want duurzame) houder van art. 2. Het omvat alle houders. Het begrip 'houder' in art. 3 is, zoals De Bosch Kemper & Gruben opmerken, nimmer sluitend gedefinieerd.2 Wel kan worden gewezen op een uitspraak van het Benelux-Gerechtshof van 22 december 19813, waarin de vraag aan de orde kwam of als houder in de zin van art. 3 Wam ook kan gelden een persoon die niet zelf of door middel van een ander de feitelijke heerschappij over het motorrijtuig heeft. Het antwoord op die vraag luidde ontkennend. Steeds moet worden onderzocht of de bedoelde persoon de feitelijke heerschappij over het motorrijtuig had. In zijn noot onder het arrest in de NJ stelt Kleijn dat naar Nederlands recht het algemene begrip 'houderschap' in verband met art. 3 Wam moet worden gehanteerd. Als houder (in de zin van art. 3 Wam) is te zien degene die voor zich of voor een ander houdt en daartoe de feitelijke macht middellijk of onmiddellijk uitoefent. Ik wijs er nog op dat in het kader van art. 3 Wam niet iedere (burgerrechtelijke) houder als zodanig kwalificeert, maar alleen de in dat artikel bedoelde 'duurzame' houder.
De dief is bezitter in zakenrechtelijke betekenis. Hij heeft immers de intentie zich het motorrijtuig toe te eigenen. De polis mag de dief en degene die zich door geweldpleging de macht over het motorrijtuig heeft verschaft van de dekking uitsluiten, behoudens voor zover zij - na de diefstal - een verzekering hebben afgesloten. Behoeft de verzekeraar niet te dekken de schade die door een gestolen motorrijtuig is veroorzaakt, het slachtoffer - met inbegrip van de inzittende die van de diefstal op de hoogte was, voor zover hij niet als (mede)bezitter valt aan te merken - staat niet in de kou, want hij kan zich wenden tot het Waarborgfonds Motorverkeer op grond van art. 25 lid 1 onder c) Wam. Zie voor de dekking van het Waarborgfonds in dit kader paragraaf 5.5.8. Een en ander is in overeenstemming met art. 13 lid 2 van de Richtlijn.
Het begrip diefstal moet volgens de heersende literatuur en jurisprudentie4 in strafrechtelijke zin worden opgevat. Het is de verzekeraar echter niet alleen toegestaan om de aansprakelijkheid van de echte dief uit te sluiten, maar ook die van bijvoorbeeld de joyrider die niet de bedoeling heeft zich het bezit van het motorrijtuig te verschaffen, maar die van plan is het na zijn plezierrit ergens achter te laten, vooropgesteld dat deze zich door geweldpleging de macht over het motorrijtuig heeft verschaft. Pakt de joyrider echter de sleuteltjes weg (of stapt hij in een auto waarvan de sleutel nog in het contactslot zit) dan kan de verzekeraar zich dus niet op de polisuitsluiting beroepen.
Naar Belgisch recht en naar de uitleg van het Benelux Gerechtshof valt joyriding wel onder het begrip diefstal in de Gemeenschappelijke bepalingen. Zie Benelux Gerechtshof 20 mei 1983, VR 1983, 59.