Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.8.1:6.8.1 De bevoegdheden van een pandhouder
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.8.1
6.8.1 De bevoegdheden van een pandhouder
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648839:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zelfstandigheid van de 403-vordering leidt ook bij verschillende situatie waarbij gebruik wordt gemaakt van verpanding tot hoofdbrekens. In dergelijke situaties is het de vraag of de pandhouder van een vordering op een vrijgestelde rechtspersoon de bevoegdheid heeft om de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd aan te spreken en daarnaast of hij de enige is die dit recht heeft.
Artikel 3:246 lid 1 BW geeft een pandhouder de bevoegdheid om de vordering waarop het pandrecht rust, te innen.
Artikel 3:246
Rust het pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming daarvan te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze bevoegdheden blijven bij de pandgever, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld.
Om inningsbevoegd te worden met betrekking tot de verpande vordering, dient de pandhouder een mededeling daaromtrent te doen aan de debiteur. Artikel 3:246 BW zou de pandhouder van de hoofdvordering de mogelijkheid geven de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd aan te spreken wanneer hij naast een pandrecht op de hoofdvordering tevens een pandrecht op de 403-vordering had verkregen. Indien dat niet het geval is, is het nog maar de vraag of een pandhouder dat recht heeft en of hij het recht heeft om zich te verzetten tegen een door de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd voorgenomen beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid. Mogelijk biedt artikel 3:245 BW uitkomst:
Artikel 3:245 BW:
Tot het instellen van rechtsvorderingen tegen derden ter bescherming van het verpande goed is zowel de pandhouder als de pandgever bevoegd, mits hij zorg draagt dat de ander tijdig in het geding wordt geroepen.
Op basis van dit artikel zou geredeneerd kunnen worden dat een pandhouder – met slechts een pandrecht op de hoofdvordering en niet op de 403-vordering – de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd moet kunnen aanspreken op basis van een 403-verklaring en verzet moet kunnen aantekenen tegen het beëindigen van de overblijvende aansprakelijkheid van de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd omdat deze acties erop zijn gericht om de vordering te beschermen. De vraag is wel of de term ‘het verpande goed’ ruim mag worden gelezen, wanneer de conclusie wordt getrokken dat alleen de hoofdvordering is verpand.