Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.3.2:5.3.3.2 Omvang en aard van het beslag
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.3.3.2
5.3.3.2 Omvang en aard van het beslag
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS500705:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Kwaak 1990, p. 143.
Oudelaar 2001, p. 99.
Ook Gieske meent dat de begroting van een verhaalsbeslag slechts dient als indicatie voor de hoogte van de zekerheidstelling door de beslagene in het kader van een opheffing van het beslag: Gieske 2012, p. 1327.
Rueb 2011, p. 358-359. Idem: Gieske 2012, p. 1327.
Zie ook paragraaf 9.2.6.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de doctrine bestaat geen eenstemmigheid over de vraag in hoeverre de omvang van het beslag en de soort(en) beslagen als criterium voor toetsing moeten worden beschouwd. Van der Kwaak stelt dat bij de beoordeling van een verzoek om conservatoir beslag te leggen beide aspecten van het beslag door de voorzieningenrechter niet voor vanzelfsprekend moeten worden gehouden; deze omstandigheden zouden tot het niet of gedeeltelijk verlenen van verlof moeten kunnen leiden.1 Ook Oudelaar meende dat bij de begroting van de vordering tussen het bedrag waarvoor verlof is verleend en de waarde van de in beslag te nemen goederen geen wanverhouding mag bestaan.2 De auteurs Stein en Rueb daarentegen menen dat geen sprake kan zijn van een direct verband tussen de omvang van de vordering waarvoor beslag wordt gelegd en de omvang van het beslag.3 Zij noemen hiervoor twee redenen, namelijk de onzekerheid over de uiteindelijke opbrengst van in beslag genomen goederen en het feit dat andere crediteuren die ook beslag hebben gelegd, mogelijk meedelen in de executieopbrengst.4 Alhoewel de door Stein en Rueb gebruikte argumenten op zichzelf genomen juist zijn, meen ik niet dat de gevolgtrekking hieruit zo vergaand zou moeten zijn, dat bij de beoordeling van een verzoekschrift het verband tussen de hoogte van de vordering en de omvang van het beslag, niet in de overwegingen zou moeten worden meegenomen. De reden hiervoor is dat in die redenering de proportionaliteitstoets zonder inhoud zou blijven en daarmee de figuur van een vexatoir beslag feitelijk illusoir zou worden. Naar mijn mening zal er een begrenzing dienen te zijn van de inbreuk, die de beslaglegger op het recht van de beslagene om over diens vermogensbestanddelen te kunnen beschikken, kan maken in het kader van het secureren van een vermeende vordering. Ik kan mij overigens wel voorstellen dat de omvang van het beslag als op zichzelf staande toetsingsgrondslag, mede vanwege de door Stein en Rueb genoemde redenen, in de praktijk niet eenvoudig hanteerbaar is. Het ligt dan ook voor de hand dat dit in onderlinge samenhang met de overige omstandigheden van de zaak waarin verlof wordt gevraagd, wordt meegewogen.5