Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.2.0
10.2.0 Een substantieel aandelenbelang
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS302598:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik geef de voorkeur aan het begrip verantwoordelijkheid boven zorgvuldigheid, omdat zorgvuldigheid lijkt te duiden op het proces van besluitvorming, en minder goed duidelijk maakt dat het gaat om de belangen die door de aandeelhouder moeten worden meegewogen en zo nodig moeten overwegen.
Zie in dit verband onder meer: Abma 2012-1, p. 564 en 574; Assink 2009, p. 107; Bakker 2011, p. 42; Huizink 2014 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 8, Aant. 2; Van den Ingh 2000, p. 208; De Jongh 2011; De Jongh 2012-2, p. 189. Abma vat dit standpunt, zich baserend op de Nederlandse Corporate Governance Code, goed samen: ‘Aandeelhouders mogen bij de uitoefening van hun rechten in beginsel hun eigen belang nastreven, voor zover de gedragsnorm van de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW) niet worden geschonden. In zijn algemeenheid geldt hierbij dat hoe groter het belang is dat een aandeelhouder in de vennootschap houdt, des te groter is zijn verantwoordelijkheid jegens de betreffende vennootschap, de minderheidsaandeelhouder en andere bij de vennootschap betrokkenen.’ (Abma 2012-1, p. 564).
Zie in dit verband onder meer: HR 14 september 2007, NJ 2007, 612 m.nt. Maeijer (Versatel I); HR 12 juli 2013, NJ 2013, 461 m.nt. Van Schilfgaarde (VEB/KLM).
Preambule 9 van de Nederlandse Corporate Governance Code.
Zie dit in verband ook hetgeen overwogen is in hoofdstuk 5, paragraaf 5.2.1.5.
Mijns inziens wordt deze omstandigheid ten onrechte zo sterk benadrukt. De nadruk zou juist meer moeten liggen op de (feitelijke) macht die de aandeelhouder heeft. Dit is zeker het geval sinds de introductie van de flex-BV, waarbij het stemrecht niet langer aan de nominale waarde van het aandeel behoeft te zijn gekoppeld. Dit zal in paragraaf 10.3.6. nader worden toegelicht.
Een uitzondering hierop: Assink 2009, p. 108. Zie over deze vraag ook: Abma 2015, p. 126.
Evenzo: Abma 2015, p. 127.
Evenzo: Abma 2015, p. 126. Natuurlijk kan voor sommige besluiten op basis van de wet of statuten een versterkte meerderheid of unanimiteit vereist zijn. In het algemeen zal echter een absolute meerderheid van de stemgerechtigde aandelen op de algemene vergadering van aandeelhouders voldoende zijn om de vergadering te domineren. Dat de aandeelhouder als gevolg van het feit dat hij de vergadering domineert een verdergaande mate van verantwoordelijkheid heeft jegens andere belanghebbenden bij de vennootschap, heeft te maken met de macht die dit aandelenbelang geeft.
De eerste categorie omstandigheden is het aandelenbelang dat de aandeelhouder in de vennootschap houdt. Deze omstandigheid wordt in de literatuur frequent genoemd in relatie tot de mate van verantwoordelijkheid1 van de aandeelhouder jegens het belang van andere belanghebbenden, waaronder het belang van de vennootschap.2 Ook door de Hoge Raad wordt het substantiële aandeelhoudersbelang, meestal in relatie tot een meerderheidsaandeelhouder, aangehaald als argument voor een zwaardere verantwoordelijkheid voor de aandeelhouder jegens andere belanghebbenden.3 Daarnaast wijst ook de Nederlandse Corporate Governance Code op deze omstandigheid als medebepalend voor de mate van verantwoordelijkheid:
‘Hoe groter het belang is dat een aandeelhouder in de vennootschap houdt, hoe groter zijn verantwoordelijkheid is jegens de vennootschap, minderheidsaandeelhouders en andere bij de vennootschap betrokkenen.’4
Nu dit is opgenomen in de preambule van de Code, kan worden verdedigd dat dit de in Nederland heersende rechtsovertuiging is.5 Blijkens de literatuur, jurisprudentie en Code is het een algemeen aanvaarde overtuiging dat het aandelenbelang relevant is bij het bepalen van de verantwoordelijkheid van de aandeelhouders jegens andere belanghebbenden bij de vennootschap.6
Desondanks wordt weinig tot geen aandacht besteed aan de vraag wanneer er sprake is van een substantieel belang.7 Dit is op zichzelf ook niet bijzonder verrassend, omdat het een begrip is dat zichzelf lastig in algemeenheid laat definiëren. Het zal afhangen van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer de verspreiding van de aandelen en de gemiddelde opkomst bij algemene vergaderingen van aandeelhouders (zeker bij beursgenoteerde vennootschappen of niet-beursgenoteerde vennootschappen met een groot aandeelhoudersbestand) relevant zullen zijn.8
Dat het afhankelijk is van de omstandigheden van het geval betekent echter niet dat het onmogelijk is deze omstandigheid (iets) nader te concretiseren. Wanneer de aandeelhouder een absolute meerderheid (50% plus 1 stem) van de stemmen heeft, domineert hij in beginsel de algemene vergadering.9 Dit is echter te eenvoudig gesteld; er moet worden gekeken naar de gemiddelde opkomst bij algemene vergaderingen van aandeelhouders bij de specifieke vennootschap. Bij deze vergaderingen oefent de aandeelhouder immers zijn (doorgaans) belangrijkste recht uit, althans het recht dat hem de meeste macht geeft; het stemrecht. Wanneer op een algemene vergadering van aandeelhouders maar 60% van de stemgerechtigde aandelen vertegenwoordigd zijn, dan zal 30% plus één stem al een absolute meerderheid binnen de algemene vergadering van aandeelhouders vormen en in de regel voldoende zijn om deze te domineren.