Aandeelhoudersverantwoordelijkheid
Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.2.1:10.2.1 Een kort uitstapje: Beursgenoteerde vennootschappen
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.2.1
10.2.1 Een kort uitstapje: Beursgenoteerde vennootschappen
Documentgegevens:
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299026:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Abma 2014. Zie voor cijfers betreffende eerdere jaren onder meer: Abma 2013; Abma 2012-2.
Tiemstra & De Keijzer 2008, p. 195.
Art. 5:70 Wft.
Kamerstukken II 2005/06, 30419, nr. 3, p. 23. Deze conclusie lijkt te worden gesteund door de (voornoemde) cijfers van Eumedion.
Report from the Commission to the European Parliament, the Council, The European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions, 28 juni 2012, p. 5. (laatst bekeken op 23 augustus 2013).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij niet-beursgenoteerde vennootschappen valt over de opkomst bij de algemene vergadering van aandeelhouders niet veel meer te zeggen; daarvoor is de variatie te groot. Bij beursgenoteerde vennootschappen kan hier in zijn algemeenheid wel meer over worden gezegd. Bij beursvennootschappen was tijdens het seizoen van de jaarlijkse algemene vergaderingen 2014 de gemiddelde opkomst volgens Eumedion voor AEX-vennootschappen bijna 70% en voor AMX-vennootschappen bijna 60%.1 Algemeen wordt wel aangenomen dat een aandeelhouder met tussen de 15 en 25% al een zeer grote invloed binnen de algemene vergadering kan uitoefenen en dat met ongeveer de helft van de (aanwezige) aandelen een aandeelhouder de algemene vergadering domineert.2
Voor beursgenoteerde vennootschappen zijn er bovendien ook andere bepalingen die erop wijzen dat wanneer de aandeelhouder een bepaald aandelenbelang in een vennootschap houdt, van deze aandeelhouder een verdergaande mate van verantwoordelijkheid wordt gevergd. Hierbij kan onder meer worden gewezen op de regeling omtrent het doen van een verplicht bod op aandelen. In het kader van de regeling omtrent openbare biedingen bestaat er voor aandeelhouders de verplichting om een openbaar bod uit te brengen wanneer, door een persoon alleen of tezamen met andere personen, overwegend zeggenschap wordt verkregen.3 Het begrip overwegend zeggenschap wordt vervolgens nader gedefinieerd in artikel 1:1 Wft, waar staat: ‘het kunnen uitoefenen van ten minste 30 procent van de stemrechten in een algemene vergadering van een naamloze vennootschap’. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor deze drempel is gekozen, omdat er in de praktijk bij deze drempel sprake is van controle over de algemene vergadering.4 Deze bepaling is ingevoerd als gevolg van de dertiende EG-richtlijn betreffende het openbaar bod, waar in artikel 5 lid 3 aan lidstaten de ruimte is gegeven om dit percentage zelf vast te stellen. Over het algemeen hebben de lidstaten gekozen voor een drempel rond het bezit van ongeveer één derde van de uitgegeven aandelen.5
Over het algemeen kan dus worden vastgesteld dat bij beursvennootschappen sprake is van een substantieel belang wanneer een aandeelhouder, al dan niet tezamen met andere personen, tussen de 20- en 30% van de aandelen heeft.
10.2.1.1 Bijkomende verplichtingen10.2.1.2 De meldingsplicht10.2.1.3 Informeren