Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/394
394 Het bezoldigingsbeleid en de lange termijn belangen van de vennootschap
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS366619:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Art. 9a lid 6 Richtlijn (EU) 2017/828 en overweging 29.
Zie in dit kader onder meer de principes van ‘enlightened shareholder value’ die ten grondslag liggen aan de UK Companies Act 2006: Keay 2013.
Vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:799 (Cancun).
Zo kan bij een naamloze vennootschap met een meer besloten karakter het belang van de aandeelhouders een prominentere plaats innemen bij het bepalen van het doel van de desbetreffende vennootschap.
Zie in soortgelijke zin: Dijkhuizen & Nijland 2017.
HR 30 juni 1944, ECLI:NL:HR:1944:BG9449, NJ 1944/465 (Wennex); HR 13 november 1959, NJ 1960/472 (Distilleerderij Melchers).
Richtlijn (EU) 2017/828, overweging 2.
Het voorstel om verplicht een maximumhoogte van de bezoldiging op te nemen in het bezoldigingsbeleid, zoals voorgesteld in het Verenigd Koninkrijk, zou dus ook in Nederland ingevoerd kunnen worden. Zie over dit voorstel randnummer 308.
Richtlijn (EU) 2017/828, overweging 28.
Vorenstaande is niet verwonderlijk wanneer gekeken wordt naar een andere wijziging die de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn met zich brengt. Daarmee doel ik op het vereiste dat het bezoldigingsbeleid duidelijk en begrijpelijk is en bijdraagt aan de ondernemingsstrategie, lange termijn belangen en de duurzaamheid van de vennootschap.1 In deze bepaling weerspiegelt zich de tendens – zoals ook zichtbaar in de Code 2016 – dat het bezoldigingsbeleid vooreerst moet worden ingezet ter bevordering van het succes van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming op de lange termijn. Voor de meer aandeelhoudersgeoriënteerde landen zal dat succes gemeten worden naar gecreërde lange termijn aandeelhouderswaarde.2 In Nederland is het uitgangspunt het bestendige succes van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.3 Hiermee wordt ruimte gelaten om in het licht van de verschillende karakteristieken van een vennootschap het doel te bepalen.4 Voor de beursgenoteerde onderneming geeft de Code 2016 een invulling aan het bestendig succes. De Code 2016 zet in principe 1.1 lange termijn waardecreatie voorop en neemt daarmee afscheid van het streven naar lange termijn aandeelhouderswaarde zoals nog was opgenomen in de Code 2008. In bpb 3.2.1 Code 2016 is opgenomen dat bij het formuleren van het bezoldigingsbeleid de doelstellingen voor de strategie ter uitvoering van lange termijn waardecreatie in overweging moeten worden genomen. Het bezoldigingsbeleid in de Nederlandse beursvennootschap moet aldus dienend zijn aan het creëren van waarde op de lange termijn.
In het licht van vorenstaande is het voor Nederland niet logisch om het zwaartepunt van de macht over de bezoldiging van bestuurders bij de algemene vergadering neer te leggen.5 Aandeelhouders mogen binnen de vennootschapsrechtelijke deelrechtsorde hun eigen belang voorop stellen, behoudens de grenzen van de redelijkheid en billijkheid ex art. 2:8 BW.6 Aandeelhouders hoeven bij het stemmen over een bezoldigingsbeleid dus geen rekening te houden met de lange termijn waardecreatie waartoe het bezoldigingsbeleid moet leiden. Dat hierin een gevaar schuilt wordt in de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn met zoveel woorden onderkend met de overweging dat “[d]oor de financiële crisis is duidelijk geworden dat aandeelhouders het nemen van buitensporige korte termijn risico’s door bestuurders in veel gevallen hebben ondersteund.”7 In dit kader is in het bijzonder van belang dat door de opkomst van de pay-for-performancebenadering bezoldiging wordt ingezet om bestuurders te sturen. In de woorden van de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn is bezoldiging voor vennootschappen “een sleutelinstrument om hun belangen in overeenstemming te brengen met die van hun bestuurders.” De huidige machtsverdeling in Nederland gaat in dat opzicht dus al ver. De AVA zou met een strikt vormgegeven bezoldigingsbeleid de financiële prikkels van de bestuurders kunnen bepalen en daarmee de strategie van de onderneming kunnen beïnvloeden of zelfs kunnen vormgeven.
De oorspronkelijke regeling waarin was opgenomen dat de bezoldiging wordt vastgesteld door de algemene vergadering stamt nog uit 1928, de tijd dat de meeste naamloze vennootschappen een besloten karakter hadden en de beloningsstructuren bij de open naamloze vennootschappen eenvoudig waren. Het ging voornamelijk om de hoogte van de bezoldiging die door de algemene vergadering moest worden vastgesteld. Het belang dat de AVA heeft bij het bepalen van de (maximale) hoogte van de bezoldiging van bestuurders doet ook nu nog opgeld.8 Het is het inzetten van de bezoldiging om de bestuurder te sturen, dat ervoor zorgt dat de macht over de bezoldiging van bestuurders tegenwoordig niet overwegend bij de AVA zou moeten liggen. Ook dit lijkt de herziene aandeelhoudersrechtenrichtlijn impliciet te onderkennen, waarin wordt benadrukt dat de vorm en de structuur van de bezoldiging van bestuurders primair vallen onder de verantwoordelijkheid van de vennootschap, haar directies, aandeelhouders en eventuele werknemersvertegenwoordigers.9
De reden dat in de praktijk de macht van de AVA bij beursgenoteerde vennootschappen beperkt is, komt vooreerst doordat het bezoldigingsbeleid wordt opgesteld door de raad van commissarissen. De AVA kan in beginsel alleen het gepresenteerde beleid goedkeuren of afwijzen. Dit samenspel zorgt voor een onmisbare balans. In tegenstelling tot de AVA, moet de raad van commissarissen zich bij het opstellen van het bezoldigingsbeleid richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.10 Om te waarborgen dat het bezoldigingsbeleid gericht is op lange termijn waardecreatie van de vennootschap dient in Nederland het primaat voor het bepalen van de bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen daarom te (blijven) liggen bij de raad van commissarissen.