Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/4.4.1
4.4.1 Algemeen
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS601885:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Namelijk Rule 23 (b) (1) (B) en 23 (b) (3).
Rule 23 (b) (1) (A) en 23 (b) (2). Indien het een vordering betreft die in essentie een vermomde vordering tot schadevergoeding is, dient de regeling van de limited fund class action of de damages class action te worden toegepast. Klonoff & Bilich 2000, p. 158-64.
Zie voor een uitgebreide Nederlandstalige weergave van deze regeling Frenk 1994, p. 202-35.
Tzankova 2005, p. 100 en de in aldaar in noot 335 genoemde literatuur. 20%-40% van alle acties die als een class action aanhangig worden gemaakt worden daadwerkelijk als een class action gecertificeerd, het merendeel wordt `dismissed or withdrawn'. Van de groep 20%-40% wordt in 90% van de gevallen geschikt: Rothstein & Willging 2005, p. 6. De meningen over de achtergrond van deze hoge schikkingspercentage zijn verdeeld. Zie daarover uitgebreid en met veel verwijzingen Tzankova 2005, p. 97-121.
Daarbij gold de zogenaamde 'Eisen-regel' genoemd naar een uitspraak van de Supreme Court, waarin de regel geformuleerd was. Zie Tzankova 2005, p. 99-100 met verdere verwijzingen, Mulheron 2004, p. 131-2.
Tzankova 2005, p. 104-5 en bijhorende literatuur vermeld in noot 354 en 355: Willging, Hooper & Niemic 1996, p. 8, 29-34, 59-62, Hensler & Rowe 2001, p. 143, Mulheron 2004, p. 130-2.
Het gaat om een aanpassing van Rule 23 (c) (1) door de wetswijziging van december 2003: de regeling spreekt nu ook van 'at an early practicable time' in plaats van 'as soon as practicable'. Rothstein & Willlging 2005, p. 6 en MCL 2004, p. 252-4. In zoverre is het boek van Mulheron 2004, p. 130-6 op dat punt niet helemaal up to date, maar het bevat niettemin een instructief overzicht van hoe in de common law class action jurisdicties door velen gedacht wordt over de mogelijkheid van een vroege inhoudelijke beoordeling van de onderliggende materiële vordering: positief.
Mulheron 2004, p. 140-3.
Mulheron 2004, p. 137 en de daar genoemde rechtspraak. De door mij elders verdedigde aanpak van strooischade (Tzankova 2005) veronderstelt wel de hantering van een dergelijke test om de voorgestelde regeling die uiteindelijk niet tot individuele compensatie, maar wel tot voordeelontneming of ongedaanmaking van groepsnadeel leidt, van toepassing te laten zijn. In mijn visie is dit een nuttige toets in de afbakeningsdiscussie.
Rule 23 (b) onderscheidt een aantal categorieën class actions, waarvan er hier twee van belang zijn,1 omdat zij de effectuering van schadevergoedingsaanspraken betreffen. De andere categorieën2 zijn vergelijkbaar met de in het Nederlandse recht bestaande mogelijkheid om in een collectieve actie een verklaring voor recht, een gebod of een verbod te vorderen. De twee typen die hier van belang zijn, worden aangeduid als `limited fund class actions' en als `damages class actions' .3 In het eerste geval zijn de voor verhaal beschikbare financiële middelen (vermoedelijk) ontoereikend om alle schadelijders volledig schadeloos te stellen, in het tweede geval zijn zij dat niet.
De behandeling van een class action kan globaal in twee fasen worden ingedeeld: de 'formele' ontvankelijkheidsfase waarin het verzoek om als class action te worden aangemerkt beoordeeld wordt en de 'materiële' trial fase, waarin inhoudelijk wordt beslist over de aanspraken die ten grondslag liggen aan de actie. Een feit is echter dat nagenoeg alle class actions die de formele fase doorkomen door middel van een collectieve schikking worden beëindigd. Er is maar een handvol class actions dat uitgeprocedeerd wordt en daadwerkelijk de trial fase bereikt.4
Lange tijd werden de formele en de materiële fase strikt gescheiden gehouden. Bij de beoordeling van de formele vraag mocht de rechter niet anticiperen op een vermoedelijke uitkomst in de tweede fase of op de beantwoording van inhoudelijke punten. Bovendien diende de rechter zo snel mogelijk op de formele ontvankelijkheidsvraag te beslissen.5 In de praktijk bleken veel lagere rechters hiermee niet uit de voeten te kunnen en werden wel preliminaire inhoudelijke oordelen gegeven. Dat had voordelen die ook in de literatuur werden erkend: kansloze en zwakke claims werden ontmoedigd en potentiële verweerders en de rechterlijke macht werden hiermee `gespaard' 6 Inmiddels is deze praktijk gecodificeerd en is de regeling aangepast aan de behoeften van de betrokkenen, ook al blijven kritische geluiden over de uitvoerbaarheid van een dergelijke preliminaire test te horen. De rechter heeft thans in ieder geval 'officieel' meer flexibiliteit gekregen om te bepalen wanneer op het verzoek tot ontvankelijkverklaring (certification) wordt beslist en wanneer preliminaire inhoudelijke oordelen worden geven.7 Deze toets komt ook in 4.8.3 aan bod.
Het maken van een kosten-baten analyse als een voorbeeld van een nuttige, zelfstandige preliminaire toets voor de ontvankelijkheid van een class action is in het verleden overigens ook verdedigd, maar dit voorstel heeft het niet gehaald. De tegenargumenten die zijn aangevoerd betreffen de uitvoerbaarheid van de test.8 De 'minimum fmancial threshold' -test, die vereist dat de afzonderlijke claims een minimumwaarde vertegenwoordigen, wil een actie ontvankelijk zijn, zou als een variant op de eerdergenoemde kosten-baten-test kunnen worden gezien. Deze wordt in het Amerikaanse regime echter evenmin toegepast. Er zijn in de rechtspraak talloze voorbeelden te vinden, waarin de individuele claims gering van omvang zijn, bijvoorbeeld $ 70 of $ 100.9