Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/5.4.4.1
5.4.4.1 Lichamelijke integriteit
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD72509:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 oktober 1994, NJ 1996, 346 m.nt. CJHB (RAILS).
Zie voor een overzicht Warnink 1995.
Ook wanneer in eerste instantie geen sprake is van lichamelijk letsel, kan het misbruik wel zijn weerslag hebben op de lichamelijke constitutie, bijv. in de vorm van eetstoornissen etc.
De eis van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt in de rechtspraak m.b.t. seksueel misbruik ook niet met zoveel woorden gesteld. Vgl. Hof Amsterdam 22 december 1988, nj 1990, 85.
De 'context' waarin het misbruik plaatshad is overigens niet beslissend voor de vraag of kan worden gesproken van een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106. De rubricering van gevallen van seksueel misbruik in de categorie onzorgvuldige hulpverlening door Deurvorst (Schadevergoeding, art. 106, aant. 35) komt dan ook wat merkwaardig voor.
Zie over de persoonlijke levenssfeer hierna § 5.4.4.2.
In dezelfde zin Bloembergen 1990, p. 30. Zie voorts in deze zin bijv. Ktg. Eindhoven 27 juli 1993, Prg. 1993, 3998; VRS 1997, 749 en Ktg. Haarlem 10 mei 1988, Prg. 1988, 2917; VRS 1997, 750; RN 1988, 18. Voor het oude recht in tegengestelde zin - m.i. minder juist - Ktg. Nijmegen 16 december 1988, Prg. 1989, 3024; VRS 1997, 769.
Dit is dan ook een groep van gevallen waarin in het arbeidsrecht terecht een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend. Zie over smartengeld in het arbeidsrecht ook hiervoor § 3.3.3 en hierna na § 9.5.2.
Vgl. het meest in het oog springende geval van de toekenning van - aanvankelijk -$ 7.100.000 aan een secretaresse waarbij door een advocaat enkele snoepjes in haar borstzakje waren gestopt. Het bedrag werd overigens later verlaagd tot $ 3.500.000 (bron: San Francisco Daily journal 29 november 1994).
Het gaat in dit kader overigens om de vraag naar aansprakelijkheid en niet over de (rol van persoonlijkheidsrechten bij de) vraag naar een recht op voortplanting en op het gebruik van kunstmatige middelen daartoe. Zie over deze meer algemene rol van persoonlijkheidsrechten bij vragen rondom kunstmatige voortplanting De Ruiter 1993. Zie over allerlei (juridische) complicaties die zich i.v.m. voortplanting kunnen voordoen Broekhuijsen-Molenaar 1991.
Zie bijv. Rb. Alkmaar 11 februari 1988, VRS 1994, 448, waarin ƒ 20.000 smartengeld werd toegekend aan een zonder haar toestemming gesteriliseerde vrouw. Vgl. ook Rb. Utrecht 8 juni 1994, VRS 1997, 404 (verwisseling van patiënten; sterilisatie in plaats van vruchtbaarheidsbehandeling).
Vgl. Rb. Arnhem 4 juni 1992, nj 1992, 614 (abortus na mislukte sterilisatie): 'Een abortus betekent een aantasting van de lichamelijke integriteit van de vrouw en derhalve lichamelijk letsel voor de vrouw. De daarin gelegen aantasting van haar persoon rechtvaardigt toekenning van vergoeding van immateriële schade.' Zie voor een geval van 'psychische nood' wegens een abortus na een mislukte sterilisatie Rb. Arnhem 19 januari 1995, VRS 1997,193.
Zie voor een geval waarin i.v.m. een kankerbehandeling opgeslagen sperma werd vernietigd BGH 9 november 1993, njw 1994, p. 127. Zie over deze uitspraak ook Broekhuijsen-Molenaar 1995a, p. 165.
Een eventueel opnieuw te plegen ingreep (nieuwe sterilisatie) zou wel kunnen worden gezien als lichamelijk letsel, aldus Stolker 1988a, p. 156.
Zie HR 21 februari 1997, RvdW 1997,54 (Wrongful birth), waarin het ging om een geval waarin een arts ten onrechte had nagelaten na een operatie een nieuw spiraaltje te plaatsen.
Hierbij is overigens te onderscheiden tussen 'vervangbaar' voortplantingsmateriaal en materiaal dat de laatste mogelijkheid tot voortplanting vertegenwoordigt. Dit lijkt mij evenwel een aspect dat vooral gewicht toekomt bij de omvang van het smartengeld. In dezelfde zin Broekhuijsen-Molenaar 1991, p. 143. Bij de begroting gaat het overigens niet zozeer om de grootte van de kans dat anders wel een kind was geboren, maar om het verdriet dat bestaat om het gemis van die mogelijkheid. Vgl. ook BGH 9 november 1993, NjW 1994,127. Zie voorts Akkermans 1997, p. 179-180, die deze gevallen behandelt als verlies van een kans.
In het Duitse recht is bij gebrek aan een meer open categorie als 'andere persoonsaantastingen' in de zin van art. 6:106 lid 1 onder b een dergelijke toevlucht tot een royaal letselbegrip wel begrijpelijk.
Aldus BGH 18 januari 1983, BGHZ 86, 240. Hacks, Ring & Böhm 1997 noemen in dit verband bedragen van DM 3.000 tot 10.000. Zie de nrs. 525, 541, 629, 643, 836, 880, 977, 1019,1027, 1091.
Zie hierover Stolker 1988a, p. 105 en HR 21 februari 1997, RvdW 1997, 54 (Wrongful birth), waarin de mogelijkheid van verrekening van immateriële voordelen met immateriële nadelen niet wordt uitgesloten. Zie m.b.t. voordeelstoerekening en immateriële schade nader § 8.3.
Een algemeen recht op 'gezinsplanning' - daargelaten of zoiets in Nederland bestaat - lijkt mij in dergelijke gevallen onvoldoende voor een recht op smartengeld. Vgl. in dezelfde zin BGH 18 januari 1983, BGHZ 86, 249, waarin een recht op 'Familienplanung', 'als Ausstrah-lung des allgemeinen Persönlichkeitsrechts' als zodanig niet wordt erkend.
Vgl. het bijna 'academisch' ogende geval van 'de zaak Koen', waarin met behulp van in vitro fertilisatie een tweeling werd verwekt, deels met zaad van een voor het echtpaar onbekende Antilliaanse man en deels met zaad van de echtgenoot van de moeder. Zie hierover Broekhuijsen-Molenaar 1995b.
Schendingen van de lichamelijke integriteit genieten een hoge prioriteit bij de toekenning van een recht op vergoeding van immateriële schade. Dat blijkt in de eerste plaats uit het feit dat de wetgever bij het toebrengen van lichamelijk letsel steeds een recht op vergoeding van immateriële schade op zijn plaats heeft geacht. Maar ook wanneer schending van de lichamelijke integriteit geen (direct) lichamelijk letsel tot gevolg heeft en evenmin leidt tot geestelijk letsel in de hiervoor omschreven betekenis, is een recht op smartengeld dikwijls op zijn plaats.1 Daarvan zullen hierna enkele groepen worden belicht. Het betreft seksueel misbruik, ongewenste mtimiteiten en aspecten van voortplanting.
Hoewel de lichamelijke integriteit een hoge waardering geniet en een betrekkelijk royale bescherming toekomt, valt niet alles daaronder te brengen. Met name wanneer een gewraakte gedraging onvoldoende verband houdt met het lichaam van de 'gelaedeerde' vindt de bescherming van het recht haar grens. Zo heeft de Hoge Raad bijvoorbeeld een beroep op een inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam expliciet verworpen in een geval waarin vrouwen door een schokkende modereportage 'geestelijk ontredderd' raakten, omdat dat beroep volgens de Hoge Raad uitging van 'een onjuiste opvatting van dat recht'.2
a Seksueel misbruik
Men denke bij schendingen van de lichamelijke integriteit in de eerste plaats aan seksueel misbruik. Daarbij wordt inmiddels algemeen erkend dat een recht op smartengeld bestaat.3 Dit laat zich verklaren doordat - zoals ook dikwijls is terug te vinden in rechterlijke motiveringen - algemeen als ervaringsregel wordt aangenomen dat seksueel misbruik leidt tot ernstige lichamelijke4 en psychische gevolgen. Aldus zou men kunnen zeggen dat er in gevallen van seksueel misbruik veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat sprake is van geestelijk letsel dat kan worden aangemerkt als persoonsaantasting. Maar ook wanneer seksueel misbruik niet leidt tot lichamelijk letsel noch tot een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, wordt doorgaans een recht op smartengeld aangenomen.5 Dat laat zich rechtvaardigen door de aard van de gedragingen en van de gevolgen daarvan, die meebrengen dat kan worden gesproken van een ernstige schending van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Reeds op die grond kan derhalve worden aangenomen dat sprake is van een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b.6
b Ongewenste intimiteiten
Het voorgaande heeft evenzeer te gelden voor zogenaamde ongewenste intimiteiten, mits zij van een zekere ernst zijn. Hier zal het overigens enigszins van de aard van de gedragingen afhangen of het zwaartepunt ligt bij de aantasting van de lichamelijke integriteit of van de persoonlijke levenssfeer.7 De aard van de gedragingen (het doorgaans opzettelijk verrichten van handelingen die als vernederend worden ervaren) en van het daardoor getroffen belang (de intieme sfeer) rechtvaardigt mijns inziens dat hier een recht op vergoeding van immateriële schade betiekkelijk snel mag worden aangenomen.8 In de praktijk doen zich dergelijke gevallen nogal eens voor in de arbeidssfeer,9 waarbij dikwijls bewijsproblemen een drempel opwerpen. Dat doet echter niet af aan het bestaan van een recht op vergoeding in ernstige gevallen. Ten overvloede zij er hier - nogmaals - op gewezen dat exorbitante bedragen die elders wel worden toegewezen als 'punitive damages' hier niet op hun plaats zijn.10
c Aspecten van voortplanting
Voorts rijzen in dit verband vooral vragen bij medische fouten in verband met - meer of minder kunstmatige - voortplanting.11 Soms zal het daarbij duidelijk gaan om lichamelijk letsel, zoals bij een ongewenste sterilisatie,12 abortus,13 het teweegbrengen van een miskraam, of omdat (op andere wijze) onvruchtbaarheid wordt veroorzaakt, danwel doordat een zwangerschap leidt tot lichamelijke complicaties bij de moeder, maar soms bestaat ook twijfel of kan worden gesproken van lichamelijk letsel. Met name wanneer deze 'voort-plantingsperikelen' ook niet dermate ernstige psychische gevolgen hebben dat kan worden gesproken van geestelijk letsel, rijst de vraag of niettemin kan worden gesproken van een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106. Die vraag speelt bijvoorbeeld bij aantasting van zich buiten het lichaam bevindend voortplantingsmateriaal,14 bij mislukte sterilisatie15 of mislukte abortus of het op andere wijze niet voorkómen van een zwangerschap, vooral wanneer de zwangerschap zonder complicaties wordt volbracht.
In een dergelijk geval van ongewenste zwangerschap volgde de Hoge Raad vooralsnog het oordeel van een hof dat een recht op smartengeld afwees, omdat geen sprake was van geestelijk letsel.16 In deze gevallen is het verband met het lichaam evenwel zo nauw - doordat ofwel belangrijke lichaamsfuncties worden aangetast (bij beschadiging van voortplantingsmateriaal17), ofwel het lichaam met een ongewenste zwangerschap en bevalling wordt belast - dat voor een recht op smartengeld steun kan worden gezocht in de schending van de lichamelijke integriteit. Met betrekking tot zwangerschap als gevolg van een mislukte sterilisatie of mislukte abortus en dergelijke betekent dit mijns inziens dat, ook wanneer de zwangerschap een normaal verloop heeft, een recht op smartengeld vanwege de belasting met de ongewenste zwangerschap en de bevalling op zijn plaats is. In het Duitse recht wordt eveneens in deze zin geoordeeld en wordt in deze gevallen een recht op smartengeld aangenomen, gebaseerd op de gedachte dat veroorzaking van een zwangerschap tegen de wil van de vrouw een 'Körperverletzung' vormt, ook wanneer de zwangerschap een normaal verloop heeft. Dit wordt enerzijds gemotiveerd met de gedachte dat iedere onbevoegde ingreep in het 'körperliche Befinden' letsel vormt18 en anderzijds met de gedachte dat 'bei anderer Sichtweise das Recht am eigenen Körper als gesetzlich ausgeformter Teil des allgemeinen Persönlichkeitsrechts nicht hinreichend geschützt ware'.19 Eventuele psychische belasting als gevolg van het bestaan van het kind dient daarbij mijns inziens buiten beschouwing te blijven. Afgezien van de vraag of dergelijk nadeel kan worden 'gecompenseerd' met vreugde om het bestaan van het kind,20 gaat het daarbij mijns inziens niet om letsel of om leed dat met schending van de lichamelijke integriteit voldoende verband houdt, terwijl ook andere persoonlijkheidsrechten hier mijns inziens geen stevige grondslag bieden voor een recht op vergoeding.21
Ook zijn gevallen denkbaar waarin bij iemand bevruchting plaatsvindt met voortplantingsmateriaal dat daarvoor niet bestemd was. Men denke aan een geval waarin bij in vitro fertilisatie abusievelijk sperma wordt gebruikt van iemand die daarvoor geen toestemming heeft gegeven.22 In dit geval rijst niet alleen de vraag of de ongewild 'donerende' persoon, maar ook of de ongewild 'ontvangende' ouders recht hebben op smartengeld. Hoewel het de vraag is welk (aspect van het) persoonlijkheidsrecht hier precies aan de orde is, acht ik het in ernstige gevallen zowel met betrekking tot de 'donerende' man als met betrekking tot de 'ontvangende' vrouw gerechtvaardigd om te spreken van een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106. Daartoe kan steun worden gevonden in het feit dat een dergelijke gebeurtenis de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer raakt, maar ook het belang om zelf te beschikken over de aanwending van eigen voortplantingsmateriaal betreft mijns inziens zozeer het wezen van de mens, dat het gewicht in de schaal legt bij de beoordeling of recht op smartengeld gerechtvaardigd is.