Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.4.2.3
1.4.2.3 Het vermoeden
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655811:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het verlichten van de bewijslast aan de hand van een vermoeden (onder meer) Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 296-305; Asser 2004, nr. 32-44; Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 2.7-2.8; Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 40-44; Giesen 2001, p. 64-74. Zie hierover ook het kraakheldere en informatieve artikel Snijders 2015, p. 2664-2672.
Vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Asser 2004, nr. 35.
Een uitzondering op de regel dat het vermoeden kan worden ontzenuwd, betreft het zogenoemde ‘onweerlegbare’ wettelijke vermoeden. Dit type vermoeden heeft daarom eigenlijk ook meer het karakter van een materieelrechtelijke rechtsregel dan van een procesrechtelijke bewijslastregel. Het onweerlegbare wettelijke vermoeden laat ik hier verder buiten beschouwing. Zie daarover nader Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 299; Asser 2004, nr. 37; Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 41.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Asser 2004, nr. 35; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 21. Zie ook Asser in zijn NJ-noot (sub 9 – sub 13) onder HR 29 november 2002, NJ 2004/305 (Kastelijn/Gemeente Achtkarspelen).
Asser 2004, nr. 35.
Vgl. Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 298; Asser 2004, nr. 33.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214 onderscheiden naast de drie in de hoofdtekst genoemde vermoedens ook nog het zogenoemde ‘processuele vermoeden’.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214.
Ik wijs erop dat in het schadevergoedingsrecht relatief recent een aantal nieuwe wettelijke vermoedens is ingevoerd, zie art. 6:193l BW (een kartel wordt vermoed schade te veroorzaken), art. 6:193r BW (vermoeden van doorberekening van meerkosten wanneer een door een kartel (beweerdelijk) benadeelde indirecte afnemer de inbreukpleger aansprakelijk stelt) en art. 6:177 lid 6-10 BW (vermoeden van causaal verband bij aansprakelijkheid voor mijnbouwschade).
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 303; Asser 2004, nr. 44; Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 43; Giesen 2001, p. 64-65 en p. 68; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Met onder meer Asser en Giesen ben ik van mening dat het feitelijk vermoeden moet worden onderscheiden van de figuur van de zogenoemde ‘voorshandse aannemelijkheid’, zie Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 295 en nr. 303 en Asser 2004, nr. 44 respectievelijk Giesen 2001, p. 68-69. Het onderscheid is daarin gelegen dat bij de eerstgenoemde constructie het bewijs van het aan te tonen rechtsfeit op indirecte wijze (namelijk op basis van in de procedure vastgestelde hulpfeiten) voorshands geleverd wordt geacht, terwijl bij de laatstgenoemde constructie het bewijs van het aan te tonen rechtsfeit op directe wijze voorshands geleverd wordt geacht. Wel zij toegegeven dat beide constructies zich in de praktijk niet altijd makkelijk laten onderscheiden. Anders Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20, voetnoot 47.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 303-305; Asser 2004, nr. 44; Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 43; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Bewust zeg ik ‘in beginsel’. Het hulpfeit kan namelijk ook komen vast te staan op grond van eigen waarneming van de rechter ter terechtzitting.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 296; Asser 2004, nr. 34; Giesen 2001, p. 65; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Aldus Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 296; Asser 2004, nr. 34; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20; Pitlo/Rutgers & Krans 2014, Bewijs, nr. 43.
Aldus Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 298 en nr. 304; Asser 2004, nr. 33 en nr. 44; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 298 en nr. 300; Asser 2004, nr. 33 en nr. 38; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 20-21.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 298; Asser 2004, nr. 33; Klaassen 2012a, p. 6. Zie over deze normatieve overwegingen uitgebreid Giesen 2001, p. 445 e.v. en Akkermans 2002, p. 123 e.v.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 298; Asser 2004, nr. 33.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 266; Asser 2004, nr. 45-46; Akkermans 2002, p. 12-14; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 21.
Zie over dit tegenbewijs Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 266; Asser 2004, nr. 45-46.
Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 266; Asser 2004, nr. 46; Blomsma, Van Kessel & Scheltema 2010, p. 21.
Wanneer de gedaagde erin slaagt tegenbewijs te leveren, schuift de bewijsleveringslast in beginsel terug naar de benadeelde, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Afhankelijk van het verloop van het partijdebat en afhankelijk van de verder over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden, kan het door de gedaagde leveren van tegenbewijs namelijk ook tot gevolg hebben dat het door de benadeelde ingeroepen rechtsgevolg simpelweg wordt afgewezen.
Zie over het jurisprudentieel vermoeden onder meer Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 298 en nr. 301-302; Asser 2004, nr. 33 en nr. 43.
Ik wijs erop dat de juiste kwalificatie van een door de rechter gehanteerd vermoeden (feitelijk of jurisprudentieel) niet louter een academische kwestie betreft. Heeft een bepaald vermoeden namelijk eenmaal de status van ‘regel’ verworven, dan is de rechter in beginsel niet langer vrij het desbetreffende vermoeden al dan niet toe te passen. De rechter is dan in principe verplicht het vermoeden toe te passen. In het verlengde hiervan kan het onderscheid tussen feitelijk en jurisprudentieel vermoeden ook van belang zijn voor de toetsing in cassatie.
Zie onder meer de volgende arresten HR 29 november 2002, NJ 2004/304, m.nt. W.D.H. Asser onder NJ 2004/305 (The Transport Ferry Service B.V. e.a./Nederlandse Spoorwegen); HR 29 november 2002, NJ 2004/305, m.nt. W.D.H. Asser (Kastelijn/Gemeente Achtkarspelen); HR 25 november 2005, NJ 2007/141, m.nt. C.J.H. Brunner (Eurosportief 2000 C.V. e.a./Wesselink); HR 7 december 2007, NJ 2007/644 (X en Y/Stichting Medisch Centrum Leeuwarden); HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4200 (X/Fortis Corporate Insurance N.V.); HR 19 december 2008, NJ 2009/28 (Smeets/Gemeente Heerlen); HR 23 november 2012, NJ 2012/669 (De erven A./B. en C.); HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1008 (X/Stichting Free Press Unlimited), r.o. 3.4.2.
Het verhaal van de omkeringsregel en de ontwikkeling die zij heeft doorgemaakt, is inmiddels genoegzaam bekend. Treffender dan Schild kan ik het niet verwoorden: ‘Zij kwam, zag en werd weer ingeperkt’, aldus Schild 2009, p. 257. Zie over de ontwikkeling van de omkeringsregel ook het overzichtsartikel van Giesen 2009, p. 69-86.
Aldus onder meer Klaassen 2012a, p. 9; Akkermans & Van Dijk 2012, § 5 en § 7; Snijders, Klaassen & Meijer 2017, nr. 214; Giesen 2009, p. 84-85; Schild 2009, p. 258. Vgl. echter Klaassen 2017 (Mon. BW B35), nr. 49.5 en nr. 54.
Wel wijs ik erop dat de Commissie van Beroep DSI de omkeringsregel een enkele keer heeft toegepast bij het schenden van een informatieplicht door een financiële dienstverlener, zie bijvoorbeeld Commissie van Beroep DSI nr. 369 d.d. 31 maart 2009. Verder wijs ik erop dat A-G T. Hartlief in punt 3.36 van zijn conclusie, ECLI:NL:PHR:2017:430, bij HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452 (X/Y en Z) de omkeringsregel een toelaatbare oplossing lijkt te vinden voor het verlichten van de bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen enerzijds het door een accountant tekortschieten in zijn waarschuwingsplicht en anderzijds de (ondernemings) beslissing(en) die zijn cliënt vervolgens heeft genomen. Zie in dit verband ook punt 3.12 van de conclusie van A-G T. Hartlief, ECLI:NL:PHR:2017:1100, bij het 81 RO-arrest HR 1 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3051 (X/Y en Z), waarin hij enige ruimte ziet voor het toepassen van de omkeringsregel bij schending van waarschuwingsverplichtingen.
Voor de kwalificatie van de in deze arresten toegepaste bewijslastconstructie neem ik hier een genuanceerder standpunt in dan ik deed in een artikel in het WPNR uit 2010 dat ik schreef samen met Van Boom, zie Pijls & Van Boom 2010, p. 194-200.
Voor een ander voorbeeld van een jurisprudentieel vermoeden van causaal verband wijs ik op het arrest HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016/166, m.nt. S.D. Lindenbergh (Staat/X), r.o. 3.6.2 (bij de vaststelling van de schade wegens het niet tijdig implementeren van art. 7 van Richtlijn 2003/88/EG (PbEU 2003, L 299/9), mag tot uitgangspunt worden genomen dat de benadeelde werknemer bij een tijdige implementatie van deze bepaling van de hem alsdan geboden mogelijkheid of aanspraak gebruik zou hebben gemaakt).
a. Inleiding
Een andere (in de praktijk veel voorkomende) manier om de bewijslast van de benadeelde te verlichten is het aannemen van een vermoeden.1 Van een vermoeden spreekt men als uit een of meer vaststaande feiten een ander, niet- vaststaand feit, wordt afgeleid.2 Uit de vaststelling van het feit dat de gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld in combinatie met het feit dat de eiser schade heeft geleden, wordt bijvoorbeeld afgeleid dat deze schade in causaal verband staat met de door de gedaagde begane normschending. Het vermoeden kan worden ontzenuwd door het leveren van tegenbewijs door degene ten nadele van wie dit vermoeden werkt.3, 4
Het is van belang te benadrukken dat bij het hanteren van een vermoeden de bewijslast in de zin van het bewijsrisico niet wordt omgekeerd en dit bewijsrisico (op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv) onverminderd blijft rusten op de partij die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept (in dit geval de benadeelde).5 Weet de partij ten nadele van wie het vermoeden werkt (in dit geval de aansprakelijk gestelde partij) namelijk voldoende twijfel te zaaien, dan zal het door de benadeelde beoogde rechtsgevolg niet intreden. Wel kan worden gezegd dat het ten gunste van de benadeelde aannemen van een vermoeden ertoe leidt dat het op hem rustende bewijsrisico wordt verlicht.6 De benadeelde wordt namelijk bij voorbaat ontheven van de last om (als eerste) bewijsmateriaal naar voren te brengen (de bewijsleveringslast wordt met andere woorden wél omgekeerd). De kans dat het bewijsrisico zich aan de kant van de benadeelde realiseert, neemt hierdoor aanzienlijk af.
In beginsel kunnen drie verschillende soorten vermoedens worden onderscheiden: (i) het (weerlegbare) wettelijk vermoeden; (ii) het jurisprudentieel vermoeden; en (iii) het feitelijk of rechterlijk vermoeden.7, 8 De twee eerstgenoemde vermoedens berusten op (geschreven of ongeschreven) rechtsregels, het feitelijk (of rechterlijk) vermoeden berust puur op de feiten die de rechter in een concrete zaak krijgt voorgelegd.9 Het feitelijk en het jurisprudentieel vermoeden zal ik hierna kort bespreken. Het wettelijk vermoeden laat ik verder buiten beschouwing, aangezien voor de aansprakelijkheidsgronden die voor het onderhavige onderzoek van belang zijn, geen wettelijke vermoedens bestaan.10
b. Het feitelijk of rechterlijk vermoeden
Het feitelijk of rechterlijk vermoeden (hierna: feitelijk vermoeden) betreft een manier van redeneren waarbij de rechter, tegen de achtergrond van de hem toekomende vrijheid in het kader van de bewijswaardering, op grond van indirect bewijs een bepaald feit op voorhand bewezen acht.11 In de context van het causaal verband betekent dit dat de rechter uit een of meer hulpfeiten de aanwezigheid van (het door de benadeelde te bewijzen) causaal verband afleidt.12 Om een feitelijk vermoeden te kunnen aannemen moet aan ten minste twee voorwaarden zijn voldaan.13 Ten eerste moet het hulpfeit dat (of de hulpfeiten die) de grondslag van de redenering vormt (vormen), komen vast te staan, hetgeen in beginsel betekent dat dit feit (of die feiten) bewezen dient (dienen) te worden.14, 15 De bewijslast hiervoor rust op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv op de benadeelde, aangezien het de benadeelde is die van het vermoeden wil profiteren.16 Of het hulpfeit als vaststaand kan worden aangenomen, is uiteraard afhankelijk van de waardering die de rechter aan het desbetreffende bewijs toekent.17 Hierbij geldt dat naarmate de eisen die aan het bewijs van het hulpfeit worden gesteld strenger zijn, het vermoeden minder makkelijk ten gunste van de benadeelde kan worden aangenomen.18 Blomsma e.a. merken in dit verband zeer terecht op dat de rechter hiermee dus een belangrijk instrument in handen heeft om het gebruik van het vermoeden te reguleren.19 Ten tweede moet op basis van de vastgestelde hulpfeiten een sluitende argumentatie worden opgebouwd aan de hand waarvan het aan te nemen vermoeden kan worden beredeneerd.20 Als minimumeis voor deze redenering geldt uiteraard dat zij moet voldoen aan de (meest elementaire) regels van de logica. Aan welke eisen de redenering verder moet voldoen, kan men in algemene zin niet zeggen.21
Wanneer de rechter het instrument van het vermoeden toepast, gaat het meestal om een vermoeden van puur feitelijke aard.22 De rechter neemt het te bewijzen feit aan, omdat hem dat – uitgaande van het vastgestelde hulpfeit – naar algemene ervaringsregels of feiten van algemene bekendheid het meest waarschijnlijk voorkomt.23 Maar soms kunnen bij het aannemen van een vermoeden – naast feitelijke – ook normatieve overwegingen een rol spelen.24 In dat geval is de band tussen enerzijds het vastgestelde hulpfeit en anderzijds het langs de weg van een vermoeden aan te nemen rechtsfeit wat losser (in de zin van naar algemene menselijke en maatschappelijke ervaring minder waarschijnlijk) en dient het vermoeden veeleer als instrument tot handhaving van een bepaalde norm in het concrete geval.25 De rechter zal een dergelijke constructie met name toepassen, wanneer de rechtsbescherming die de materiële norm de benadeelde beoogt te bieden als gevolg van een te bezwarende bewijslast illusoir dreigt te worden.
Zoals ik al opmerkte, heeft de gedaagde de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs en mag hij proberen het ten gunste van de benadeelde aangenomen vermoeden te weerleggen (ervan uitgaande dat hij de desbetreffende stellingen van de benadeelde voldoende gemotiveerd heeft betwist). Daartoe hoeft de gedaagde de rechter niet ten volle te overtuigen van het tegendeel; het zaaien van voldoende twijfel volstaat in principe.26 Dit tegenbewijs kan hij in beginsel op twee manieren leveren.27 Ten eerste kan hij het voorlopig bewezen geachte feit onaannemelijk maken of uitsluiten; daarnaast kan hij de bewijsconstructie (of de bewijsmiddelen) die als grondslag van de redenering dient (dienen), proberen te ontkrachten.28 Slaagt de gedaagde in dit (tegen)bewijs, dan schuift de bewijsleveringslast in beginsel weer terug naar de benadeelde en is de benadeelde dus weer aan zet om het door haar ingeroepen rechtsfeit (alsnog) te bewijzen.29
c. Het jurisprudentieel vermoeden
Na deze uiteenzetting over het feitelijk vermoeden kan ik over het jurisprudentieel vermoeden vrij kort zijn. Het jurisprudentieel vermoeden is qua constructie namelijk dezelfde figuur als het feitelijk vermoeden, zij het dat zij zich in de rechtspraak heeft (door)ontwikkeld tot ongeschreven bewijslastregel.30 Waar het feitelijk vermoeden dus slechts op ad hoc-basis wordt toegepast, heeft het jurisprudentieel vermoeden een breder toepassingsbereik en is het in beginsel steeds van toepassing als aan de daarvoor geldende voorwaarden (lees: de onder de regel voorgeschreven hulpfeiten) is voldaan. Hierbij teken ik aan dat een bepaald in de rechtspraak toegepast vermoeden pas de status van ‘jurisprudentieel vermoeden’ verkrijgt, wanneer de Hoge Raad het als zodanig heeft aanvaard en het daarmee tot (ongeschreven) regel heeft ‘gepromoveerd’.31 Verreweg het belangrijkste jurisprudentieel vermoeden dat wij kennen uit de rechtspraak van de Hoge Raad is de zogenoemde ‘omkeringsregel’.32 Zoals bekend houdt deze regel in dat ‘indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan’.33, 34 Aangezien ik met vele anderen van mening ben dat op grond van de huidige rechtspraak van de Hoge Raad ervan kan worden uitgegaan dat de omkeringsregel alleen (nog maar) van toepassing is bij schending van verkeers- en/of veiligheidsnormen,35 en wij bij misleiding van het beleggend publiek niet met dergelijke normen van doen hebben, is zij voor het onderhavige onderzoek niet van belang.36 In het vervolg van het onderzoek laat ik de omkeringsregel daarom verder buiten beschouwing. Andere voorbeelden van jurisprudentiële vermoedens zijn – althans, ik beschouw ze als zodanig – de door de Hoge Raad geformuleerde ‘uitgangspunten’ voor het bewijs van het causaal verband in de hierna nog te bespreken effectenlease-arresten en het World Online- arrest.37, 38