Rechtbank Limburg 12 februari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1107.
HR, 20-12-2024, nr. 23/03274
ECLI:NL:HR:2024:1914
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2024
- Zaaknummer
23/03274
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Civiel recht algemeen (V)
Ondernemingsrecht (V)
Aanbestedingsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1914, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:2079
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:667
ECLI:NL:PHR:2024:667, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1914
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑10‑2023
- Vindplaatsen
JAAN 2025/21
JOR 2025/78 met annotatie van Mr. A.J.S.M. Tervoort
JAAN 2024/114
Uitspraak 20‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Europees aanbestedingsrecht. Vraag wanneer vennootschap onder firma kan volstaan met indienen van één Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA), Richtlijn 2014/24/EU. Toepassing HvJEU 10 november 2022, zaak C-631/21, ECLI:EU:C:2022:869 (Taxi Horn Tours). 'Eigen middelen' van vof, beroep op draagkracht vennoten. Uitleg gedingstukken, stelplicht en bewijslast, motivering.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03274
Datum 20 december 2024
ARREST
In de zaak van
TAXI HORN TOURS B.V.,
gevestigd te Horn,
EISERES tot cassatie,
hierna: Taxi Horn,
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
1. GEMEENTE WEERT,
zetelende te Weert,
2. GEMEENTE NEDERWEERT,
zetelende te Nederweert,
VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: de gemeenten,
advocaat: N.E. Groeneveld-Tijssens,
3. KUPERS TOURINGCARS V.O.F.,
gevestigd te Weert,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de VOF,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/03/272721 / KG ZA 19-587 van de voorzieningenrechter te Maastricht van 12 februari 2020;
b. de tussenarresten in de zaak 200.279.133/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2021 en 5 oktober 2021;
c. het arrest in de zaak C-631/21 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2022;
d. het eindarrest in de zaak 200.279.133/02 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 juni 2023.
Taxi Horn heeft tegen het eindarrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.De gemeenten hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend. Tegen de VOF is verstek verleend.De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van het eindarrest van 27 juni 2023 en tot verwijzing.De advocaat van de gemeenten heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Deze zaak gaat over de vraag of een vennootschap onder firma in het kader van een Europese openbare aanbesteding kon volstaan met het indienen van één Uniform Europees Aanbestedingsdocument (hierna: UEA). Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) heeft in dit geding prejudiciële vragen van het hof ’s-Hertogenbosch over dat onderwerp beantwoord. Het cassatiemiddel stelt aan de orde of het hof vervolgens het Unierecht goed heeft toegepast.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De gemeenten hebben in 2019 een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor het gymnastiekvervoer in de periode van 1 januari 2020 tot aan het einde van het schooljaar 2027-2028. Het gunningscriterium was de economisch meest voordelige inschrijving.
(ii) Op 11 november 2019 bleek dat alleen Taxi Horn en de VOF op de aanbesteding hadden ingeschreven. Namens de VOF is één UEA ingediend.
(iii) Bij e-mail van 12 november 2019 heeft Taxi Horn aan de gemeenten onder meer gevraagd of de VOF voor ieder van beide vennoten een UEA had ingediend. Bij e-mail van dezelfde dag hebben de gemeenten geantwoord dat de stukken van inschrijvers vertrouwelijk zijn en dat zij geen inzage geven in informatie die een andere inschrijver heeft ingediend.
(iv) Bij brieven van 3 en 5 december 2019 hebben de gemeenten aan Taxi Horn meegedeeld dat zij het voornemen hadden de opdracht te gunnen aan de VOF.
(v) De gemeenten hebben – na het hierna te noemen vonnis van de voorzieningenrechter in deze procedure – voor het gymnastiekvervoer overeenkomsten gesloten met de VOF. Deze zijn op 1 maart 2020 ingegaan.
2.3
Taxi Horn heeft in dit kort geding vorderingen ingesteld die er kort gezegd toe strekken dat de opdracht niet aan de VOF zal worden gegund. De VOF is in eerste aanleg tussengekomen en heeft gevorderd – in de kern samengevat – dat de gemeenten de opdracht aan geen ander gunnen dan aan haar.
2.4
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Taxi Horn afgewezen en de vordering van de VOF toegewezen.1.
2.5.1
Taxi Horn heeft in hoger beroep haar vorderingen beperkt tot de proceskostenveroordeling, omdat zij ongeacht de uitkomst in hoger beroep de opdracht niet meer gegund kon krijgen. In verband hiermee heeft Taxi Horn in hoger beroep alleen de vraag aan de orde gesteld of de VOF mocht volstaan met het indienen van één UEA, of dat de beide vennoten ieder ook een eigen UEA hadden moeten indienen.
2.5.2
Het hof heeft bij tussenarrest2.over deze kwestie vragen gesteld aan het HvJEU.
2.6.1
Het HvJEU heeft in antwoord op de vragen van het hof onder meer overwogen:3.
“43 In dit verband volgt uit artikel 2, lid 1, punt 10, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met overweging 14 ervan, dat het begrip „ondernemer” in ruime zin dient te worden opgevat, zodat daar alle personen en/of entiteiten onder vallen die het verlenen van diensten op de markt aanbieden, ongeacht de rechtsvorm die zij voor hun activiteiten hebben gekozen en ongeacht of zij rechtspersonen zijn of niet.
44 Hieruit volgt dat een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht kan worden beschouwd als een „ondernemer” in de zin van artikel 2, lid 1, punt 10, van deze richtlijn.
45 Deze richtlijn hanteert echter ook een ruime opvatting van het begrip „combinatie van ondernemers”. Volgens artikel 19, lid 2, eerste alinea, van deze richtlijn mogen combinaties van ondernemers, waaronder tijdelijke samenwerkingsverbanden, immers deelnemen aan procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten en kan een aanbestedende dienst niet eisen dat zij voor het indienen van een inschrijving of een verzoek tot deelname een bepaalde rechtsvorm aannemen.
46 Derhalve moet worden vastgesteld of een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht moet worden beschouwd als een ondernemer of een combinatie van ondernemers in de zin van respectievelijk artikel 2, lid 1, punt 10, en artikel 19, lid 2, van richtlijn 2014/24.
47 Anders dan de gemeenten, de Nederlandse regering en de Europese Commissie in hun schriftelijke opmerkingen hebben aangevoerd, kan het begrip „combinatie van ondernemers” in de zin van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn niet worden beperkt tot tijdelijke samenwerkingsverbanden, met uitsluiting van groeperingen of ondernemersverenigingen met een permanent karakter. (…) Er dient dus geen onderscheid te worden gemaakt tussen combinaties van ondernemers naargelang zij tijdelijk dan wel permanent zijn.
48 Bovendien volgt uit artikel 59, lid 1, van richtlijn 2014/24 dat het UEA drie doelstellingen nastreeft. Dit document is namelijk een bijgewerkte eigen verklaring, als voorlopig bewijs ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven certificaten die bevestigen, ten eerste, dat de betrokken ondernemer zich niet bevindt in een van de in artikel 57 van deze richtlijn bedoelde situaties die tot uitsluiting van een ondernemer moet of kan leiden, ten tweede, dat hij voldoet aan de toepasselijke selectiecriteria die overeenkomstig artikel 58 van die richtlijn zijn vastgesteld, en, ten derde, dat hij in voorkomend geval voldoet aan de objectieve regels en criteria die in overeenstemming met artikel 65 zijn vastgesteld.
49 Een UEA is dus bedoeld om de aanbestedende dienst een nauwkeurig en getrouw beeld te geven van de situatie van elke ondernemer die verzoekt om deel te nemen aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht of die een inschrijving wenst in te dienen. Daarmee concretiseert het UEA het doel van de artikelen 57 en 63 van richtlijn 2014/24, namelijk de aanbestedende dienst in staat stellen zich ervan te vergewissen dat elk van de inschrijvers integer en betrouwbaar is, en dat er dus geen vertrouwensbreuk is met de betrokken ondernemer (zie in die zin arresten van 19 juni 2019, Meca, C‑41/18, EU:C:2019:507, punt 29, en 3 juni 2021, Rad Service e.a., C‑210/20, EU:C:2021:445, punt 35).
50 In dit verband moet worden opgemerkt dat tot de inlichtingen die een ondernemer in het UEA moet aangeven, niet de middelen van de gezamenlijke vennoten van een gemeenschappelijke onderneming behoren. Het maakt dan ook geen verschil of de gezamenlijke vennoten van een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht actief zijn op hetzelfde gebied of op dezelfde markt als deze vennootschap, aangezien deze inlichting niet via het UEA van de gemeenschappelijke onderneming ter kennis van de aanbestedende dienst kan worden gebracht.
(…)
52 Om de aanbestedende dienst in staat te stellen zich van haar integriteit te vergewissen, dient een gemeenschappelijke onderneming zoals een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht, derhalve elke uitsluitingsgrond te vermelden die van toepassing is op elke gezamenlijke vennoot of elke persoon in dienst van een van haar gezamenlijke vennoten die lid is van het bestuurs-, beheers- of toezichthoudend orgaan van de gemeenschappelijke onderneming of die een vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid binnen die onderneming heeft.
53 Bovendien moet een gemeenschappelijke onderneming, zoals een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht, om haar betrouwbaarheid aan te tonen, enkel worden geacht individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht te willen deelnemen of een inschrijving te willen indienen, indien zij aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, dat wil zeggen met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen en waarover zij vrijelijk kan beschikken. In een dergelijk geval kan deze vennootschap ermee volstaan alleen haar eigen UEA bij de aanbestedende dienst in te dienen.
54 In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan in hoeverre in geval van een dergelijke vennootschap, gelet op de bijzondere kenmerken van haar rechtsvorm als maatschap en de banden tussen haar en haar gezamenlijke vennoten, van bovengenoemde situatie sprake is.
55 Indien een dergelijke vennootschap daarentegen voor de uitvoering van een overheidsopdracht meent een beroep te moeten doen op de middelen van de gezamenlijke vennoten, dan moet zij worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten in de zin van artikel 63 van richtlijn 2014/24. In dat geval moet die vennootschap niet alleen haar eigen UEA indienen, maar ook dat van elk van de gezamenlijke vennoten op wier draagkracht zij een beroep wil doen.”
2.6.2
Het HvJEU heeft voor recht verklaard:
“Artikel 59, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, punt 10, en artikel 63 van deze richtlijn en bijlage 1 bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument,
moet in die zin worden uitgelegd dat:
een gemeenschappelijke onderneming die, zonder een rechtspersoon te zijn, de vorm heeft van een vennootschap die wordt beheerst door de nationale wetgeving van een lidstaat, die is ingeschreven in het handelsregister van die lidstaat, die tijdelijk of permanent kan zijn opgericht en waarvan de gezamenlijke vennoten op dezelfde markt actief zijn als zij en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de goede uitvoering van de door haar aangegane verbintenissen, bij de aanbestedende dienst alleen haar eigen Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) hoeft in te dienen, wanneer zij voornemens is individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht deel te nemen of een inschrijving in te dienen en aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren. Indien deze gemeenschappelijke onderneming daarentegen meent voor de uitvoering van een overheidsopdracht een beroep te moeten doen op de eigen middelen van bepaalde vennoten, dan moet zij worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten in de zin van artikel 63 van richtlijn 2014/24 en dient zij niet alleen haar eigen UEA in te dienen, maar ook het UEA van elk van de vennoten op wier draagkracht zij een beroep wil doen.”
2.7
Bij eindarrest heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.4.Daaraan heeft het – voor zover in cassatie van belang – het volgende ten grondslag gelegd.
Uit het arrest van het HvJEU volgt dat het enkele feit dat de VOF een vennootschap onder firma is, niet maakt dat meer dan één UEA had moeten worden ingediend. Indien een inschrijvende vennootschap onder firma voornemens is individueel aan een aanbestedingsprocedure deel te nemen en aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, volstaat één UEA. Van het uitvoeren van de opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel is sprake wanneer de vennootschap onder firma de overeenkomst kan uitvoeren met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen en waarover zij vrijelijk kan beschikken. Indien een vennootschap onder firma meent voor de uitvoering van een overheidsopdracht een beroep te moeten doen op de eigen middelen van bepaalde vennoten, dan dient zij niet alleen haar eigen UEA in te dienen, maar ook het UEA van elk van de vennoten op wier draagkracht zij een beroep wil doen. (rov. 2.6)
Met het UEA heeft de VOF een eigen verklaring afgegeven over de in deze aanbestedingsprocedure van toepassing verklaarde uitsluitingsgronden en gestelde geschiktheidseisen. Volgens Taxi Horn voldoet de VOF niet met eigen middelen aan de geschiktheidseisen omdat de voorgeschreven bussen niet bij haar in eigendom zijn. De geschiktheidseisen waarover de VOF heeft verklaard staan in de Aanbestedingsleidraad. Daarin is niet voorgeschreven dat de inschrijver de middelen (waaronder de bussen) waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in eigendom heeft (of het personeel waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in dienst heeft), zodat de gemeenten dit ook niet hebben hoeven toetsen. (rov. 2.7)
Uit de overweging van het HvJEU dat de inschrijver aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, volgt bovendien niet dat een inschrijver steeds het materieel dat voor het uitvoeren van de opdracht nodig is, in eigendom moet hebben. Daarvoor volstaat dat de inschrijver de overeenkomst kan uitvoeren met middelen (personeel en materieel) waarover zij vrijelijk kan beschikken. Een inschrijver beschikt niet alleen vrijelijk over materieel wanneer het in eigendom is, maar bijvoorbeeld ook wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleaset. Dat de VOF beschikt over de benodigde vergunning en ook over voldoende bussen beschikt, in de hiervóór bedoelde zin, om de overeenkomst te kunnen uitvoeren en dat de VOF dat zelfstandig financiert, is niet in geschil. Dat dit ten tijde van de inschrijving niet zo zou zijn geweest, of niet zou zijn aangetoond, heeft Taxi Horn niet (voldoende) gesteld. Taxi Horn heeft ook niet (voldoende) gesteld dat de VOF niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht (zonder van de financiering van derden afhankelijk te zijn) over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door ze te huren of te leasen. (rov. 2.8)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt over de wijze waarop het hof toepassing heeft gegeven aan regels die zijn vervat in de antwoorden van het HvJEU. Onderdeel 2 betoogt dat het hof in rov. 2.8 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te beoordelen of de VOF vrijelijk kon beschikken over het materieel dat voor de opdracht benodigd is, terwijl volgens het HvJEU beslissend is of de middelen eigendom waren van de VOF.
3.2.1
Een vennootschap onder firma is een bij overeenkomst aangegane rechtsverhouding, strekkende tot de uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam in een duurzaam samenwerkingsverband. Aan de vennootschap onder firma komt naar geldend recht geen rechtspersoonlijkheid toe. Wet en rechtspraak kennen niettemin tot op zekere hoogte in het rechtsverkeer aan de vennootschap onder firma een zelfstandige positie toe ten opzichte van de afzonderlijke vennoten. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het voor het bedrijf van de vennootschap onder firma bestemde vermogen van de vennoten afgescheiden van hun privévermogens. Op dit afgescheiden vermogen kunnen schulden, aangegaan in het kader van het door de vennootschap onder firma uitgeoefende bedrijf, worden verhaald. Het ontbreken van rechtspersoonlijkheid brengt mee dat een vennootschap onder firma niet zelfstandig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen. Wanneer een vennoot handelt in naam van de vennootschap onder firma, handelt hij namens de gezamenlijke vennoten en bindt hij de gezamenlijke vennoten. Een overeenkomst ‘met de vennootschap onder firma’ moet dan ook worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten.5.
3.2.2
Uit de uitspraak van het HvJEU volgt, anders dan het onderdeel verdedigt, niet dat een vennootschap onder firma alleen dan mag volstaan met de indiening van één eigen UEA indien zij de voor de uitvoering van de opdracht benodigde middelen in eigendom heeft. Een dergelijke lezing ligt al niet voor de hand omdat het HvJEU in zijn uitspraak heeft onderkend dat de vennootschap onder firma naar Nederlands recht geen rechtspersoon is en niet zelfstandig draagster kan zijn van subjectieve rechten en verplichtingen.6.Een vennootschap onder firma kan de middelen voor de uitvoering van de opdracht dus niet in eigendom hebben. Indien het HvJEU voor het mogen volstaan met het indienen van één UEA door een vennootschap onder firma eigendom van de benodigde middelen zou hebben willen vereisen, zou het zich hebben kunnen beperken tot de overweging dat een vennootschap onder firma nooit aan dat vereiste zou kunnen voldoen. De antwoorden van het HvJEU zouden dan verder zonder betekenis zijn.
Het vereisen van eigendom bij de vennootschap onder firma is ook niet nodig om te voldoen aan de doelstellingen van het UEA waarnaar het HvJEU in punt 48 van zijn uitspraak verwijst (zie hiervoor in 2.6.1). Indien het vereiste van eigendom zou worden gesteld, zou op dat punt voorts een ongerechtvaardigd onderscheid kunnen ontstaan met andere ondernemingsvormen, zoals rechtspersonen, die kunnen volstaan met het indienen van een eigen UEA, zonder dat daarvoor het vereiste geldt dat zij alle middelen die zij voor de uitvoering van de opdracht willen gebruiken in eigendom hebben.
3.2.3
De woorden “de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen” in punt 53 van de uitspraak van het HvJEU, moeten naar het oordeel van de Hoge Raad dan ook aldus worden begrepen, dat het gaat om middelen die de vennoten ten tijde van het indienen van het UEA in overeenstemming met de vennootschapsovereenkomst aan de vennootschap onder firma ter beschikking hebben gesteld op zodanige wijze dat zij deel zijn gaan uitmaken van de vennootschappelijke goederengemeenschap. Over die middelen moet de vennootschap onder firma bovendien vrijelijk kunnen beschikken. Onder het aldus ‘overdragen’ van middelen aan de vennootschap onder firma moet in de eerste plaats worden begrepen de inbreng van goederen in de vennootschappelijke goederengemeenschap, waardoor deze aan de gezamenlijke vennoten in hun hoedanigheid van vennoten gaan toebehoren. Er is evenwel geen goede reden om daaronder niet ook te begrijpen de inbreng van het volledige vrije genot van goederen, waarbij eventuele waardeveranderingen al dan niet voor rekening van de inbrengende vennoot kunnen blijven. Tot slot behoren ook de opbrengsten van de activiteiten van de vennootschap onder firma, en de daarmee aangeschafte goederen, tot de ‘eigen middelen’ van de vennootschap onder firma, voor zover zij deel uitmaken van de vennootschappelijke goederengemeenschap. In al deze gevallen heeft de vennootschap onder firma immers de volledige zeggenschap over de middelen en behoeft zij om de opdracht uit te voeren geen beroep op de draagkracht van haar vennoten te doen. De woorden “met uitsluitend eigen (…) materieel” in hetgeen het HvJEU voor recht heeft verklaard, moeten naar het oordeel van de Hoge Raad eveneens in deze zin worden begrepen.
3.2.4
Uit de uitspraak van het HvJEU kan bovendien niet worden afgeleid dat de vennootschap onder firma niet meer kan volstaan met één eigen UEA zodra zij enig voor de uitvoering van de opdracht benodigd middel extern verwerft, bijvoorbeeld door dit in te huren. Het HvJEU stelt de “eigen middelen” van de vennootschap onder firma tegenover de middelen van de vennoten. Waar het om gaat, is dat de vennootschap onder firma alleen mag afzien van het indienen van een UEA voor de vennoten, en mag volstaan met één eigen UEA, indien zij geen beroep doet op middelen van die vennoten, en daarmee op hun draagkracht. Indien de vennootschap onder firma bijvoorbeeld bussen of uitzendkrachten inhuurt en deze inhuur zelf ten laste van de vennootschappelijke goederengemeenschap financiert, doet zij geen beroep op de draagkracht van haar vennoten, en is er geen goede grond te verlangen dat zij ook een UEA indient voor die vennoten. Er zou in een andere opvatting wederom een niet te rechtvaardigen onderscheid bestaan met andere ondernemingsvormen. Ook als de externe inhuur met eigen middelen tegen marktconforme voorwaarden bij een van de vennoten geschiedt, doet de vennootschap onder firma geen beroep op de draagkracht van die vennoot. Deze vennoot onderscheidt zich dan niet van een derde die geen vennoot is. Onderdeel 2 faalt dus omdat het berust op een onjuiste rechtsopvatting.
3.3
Onderdeel 1 voert aan dat het hof in rov. 2.7 en 2.8 ten onrechte ermee rekening heeft gehouden dat de geschiktheidseisen in de Aanbestedingsleidraad niet voorschrijven dat de VOF de middelen (waaronder de bussen) waarmee de opdracht wordt uitgevoerd, in eigendom heeft. Dit oordeel miskent dat het HvJEU een zelfstandig criterium heeft gegeven om uit te maken of een vennootschap onder firma kan volstaan met één UEA. Dat criterium geldt onafhankelijk van de aanbestedingsdocumentatie, aldus het onderdeel.
3.4
In punt 53 van zijn arrest in deze zaak formuleert het HvJEU een criterium aan de hand waarvan moet worden bepaald of een gemeenschappelijke onderneming, zoals een vennootschap onder firma, ermee kan volstaan alleen haar eigen UEA bij de aanbestedende dienst in te dienen (zie hiervoor in 2.6.1). Uit de door het HvJEU in punt 53 en voorgaande genoemde doelstellingen van het UEA volgt dat dit criterium niet afhankelijk is van de geschiktheidseisen in aanbestedingsdocumentatie. Het HvJEU verwijst ook niet naar dergelijke eisen. Het onderdeel berust dus op een juiste rechtsopvatting. Het kan echter niet tot cassatie leiden. Het hof heeft in rov. 2.8 beoordeeld of de VOF in het licht van de antwoorden van het HvJEU kon volstaan met het indienen van één eigen UEA. Uit deze overweging blijkt dat het hof niet heeft miskend dat een verplichting tot het indienen van een afzonderlijke UEA voor een of meer van de vennoten ook onafhankelijk van de geschiktheidseisen kan bestaan.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt Taxi Horn in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de gemeenten begroot op € 857,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Taxi Horn deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan, en aan de zijde van Kupers begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 20 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2024
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3019, na aankondiging ten behoeve van uitlating partijen in gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1676.
HvJEU 10 november 2022, zaak C-631/21, ECLI:EU:C:2022:869 (Taxi Horn Tours).
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2079.
Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, rov. 3.4.1-3.4.2 met verdere verwijzingen.
HvJEU 10 november 2022, zaak C-631/21, ECLI:EU:C:2022:869 (Taxi Horn Tours), punt 32 en 41.
Conclusie 21‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Aanbestedingsrecht. Europese openbare aanbesteding; opdracht gegund aan vof; criteria om uit te maken of ook van vennoten van vof een Uniform Europees Aanbestedingsdocument moet worden ingediend. Vervolg op HvJEU 10 november 2022, C-631/21, ECLI:EU:C:2022:869.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03274
Zitting 21 juni 2024
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
Taxi Horn Tours B.V.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. J.P. van den Berg (voordien: mr. J. van Weerden)
tegen
1. Gemeente Weert,
2. Gemeente Nederweert,
verweersters in cassatie,
advocaat: mr. N.E. Groeneveld-Tijssens,
3. Kupers Touringcars V.O.F.,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als Taxi Horn, respectievelijk de gemeenten en Kupers.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft een Europese aanbesteding. Taxi Horn komt in kort geding op tegen de gunning aan Kupers van een opdracht van de gemeenten voor het verzorgen van busvervoer van basisschoolleerlingen. Kupers is een vennootschap onder firma (hierna: vof), die bij haar inschrijving een zogeheten Uniform Europees Aanbestedingsdocument (afgekort: UEA) heeft ingediend. De vraag is of daarnaast een UEA van haar beide vennoten had moeten worden overgelegd. Taxi Horn meent van wel, de gemeenten menen van niet.
1.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Taxi Horn afgewezen. In hoger beroep heeft het hof Den Bosch aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) prejudiciële vragen gesteld over de verplichting tot indiening van een UEA in het geval van een vof. Bij arrest van 10 november 2022 heeft het HvJ beslist dat een vof die voor de uitvoering van een overheidsopdracht beroep doet op middelen van (een of meer) vennoten, geacht wordt beroep te doen op ‘de draagkracht van andere entiteiten’ in Unierechtelijke zin. In dat geval moet ook van die andere entiteiten een UEA worden ingediend. In zijn eindarrest past het hof de in de prejudiciële beslissing gegeven uitleg toe op de feiten van de zaak en maakt daarbij het door de gemeenten verdedigde standpunt tot het zijne.
1.3
Taxi Horn komt in cassatie tegen het eindarrest op. Het middel bestrijdt met name de duiding die het hof heeft gegeven van de in de prejudiciële beslissing gegeven uitleg van het Unierecht. Ik meen dat enkele klachten slagen en dat het bestreden arrest moet worden vernietigd. Na verwijzing zal het verwijzingshof de relevante omstandigheden van de zaak opnieuw kunnen toetsen aan de rechtsregel die het HvJ in genoemd arrest heeft ontwikkeld.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.1.
2.2
Voorheen heeft Taxi Horn in opdracht van de gemeenten het vervoer verzorgd van basisschoolleerlingen in het kader van bewegingsonderwijs (gymnastiekvervoer). Deze opdracht liep tot 1 augustus 2019, met de mogelijkheid van verlenging. De gemeenten hebben de opdracht niet verlengd. Zij hebben in plaats daarvan een Europese openbare aanbesteding uitgeschreven voor het gymnastiekvervoer in de periode van 1 januari 2020 tot en met het schooljaar 2027-2028.2.Het gunningscriterium was de economisch meest voordelige inschrijving (afgekort: EMVI).
2.3
Tot de aanbestedingsdocumenten behoort onder meer de door de gemeenten vastgestelde aanbestedingsleidraad.3.Daarin staat onder meer het volgende:
“1.9 Tekenbevoegdheid
Een functionaris die bevoegd is de onderneming te vertegenwoordigen en te binden dient de in te vullen Eigen Verklaring (UEA – Uniform Europees Aanbestedingsdocument), inschrijving en bijlagen te ondertekenen. Met ondertekenen geeft de ondertekenaar de garantie voor de juistheid en rechtsgeldigheid van de totale inschrijving.
(…)
1.18
Inschrijven
(…)
Inschrijven in combinatie met meerdere vervoerders is ook toegestaan. De combinatie dient aan de gestelde eisen te voldoen. Als u inschrijft als combinatie dient de combinatie een penvoerder aan te wijzen. Iedere combinant is hoofdelijk aansprakelijk voor nakoming van de uitvoering van de vervoersovereenkomst. Uit de inschrijving van combinanten moet blijken hoe de continuïteit van het gymnastiekvervoer wordt gewaarborgd wanneer één of meer combinanten niet aan hun verantwoordelijkheden kan/kunnen voldoen.
(…)
2.1
Aantal exemplaren/volledigheid
(…)
De inschrijving moet volledig zijn en bevat de volgende documenten:
- Een volledig ingevuld en rechtsgeldig ondertekende Eigen Verklaring (UEA, Bijlage 2); het UEA is een invulbaar pdf bestand dat wij via TenderNed beschikbaar hebben gesteld
- (…)”
2.4
Op 11 november 2019 bleek dat alleen Taxi Horn en Kupers op de aanbesteding hadden ingeschreven. De inschrijving van Kupers was ingediend door [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft, namens Kupers, één UEA ingediend. Bij e-mail van 12 november 2019 heeft Taxi Horn aan de gemeenten gevraagd of Kupers voor ieder van haar beide vennoten een UEA had ingediend. Daarop hebben de gemeenten geantwoord dat de stukken van inschrijvers vertrouwelijk zijn en dat aan een inschrijver geen inzage wordt gegeven in informatie die een andere inschrijver heeft ingediend.
2.5
Bij brieven van 3 en 5 december 2019 hebben de gemeenten aan Taxi Horn meegedeeld dat zij het voornemen hadden de opdracht te gunnen aan Kupers.
2.6
Taxi Horn is bij dagvaarding van 24 december 2019 een kort geding gestart tegen de gemeenten. Taxi Horn vorderde onder meer de ongeldigverklaring van de inschrijving van Kupers en een verbod om de opdracht aan een andere partij te gunnen dan aan Taxi Horn. Kupers is in die procedure tussengekomen. Kupers vorderde een gebod uitvoering te geven aan de gunningsbeslissing. Bij vonnis van 12 februari 20204.wees de voorzieningenrechter de vorderingen van Taxi Horn af en de vordering van Kupers toe. Taxi Horn werd veroordeeld in de proceskosten van de gemeenten en in die van Kupers.5.
2.7
Bij appeldagvaarding van 10 maart 2020 is Taxi Horn in hoger beroep gekomen van het vonnis. Na eiswijziging bij memorie van grieven vorderde Taxi Horn primair vernietiging van het vonnis en veroordeling van de Gemeenten en Kupers in de proceskosten in beide instanties. Subsidiair vorderde Taxi Horn gedeeltelijke vernietiging van het vonnis en herziening van ‘de dubbele proceskostenveroordeling’ in eerste aanleg.
2.8
De gemeenten hebben verweer gevoerd. Kupers is niet verschenen. In hoger beroep is alleen de rechtsvraag aan de orde of Kupers mocht volstaan met het indienen van één UEA voor de vof, of dat beide vennoten ook ieder een eigen UEA hadden moeten indienen. Nadat het hof bij tussenarrest van 1 juni 20216.(hierna: eerste tussenarrest) het voornemen had geuit om overeenkomstig art. 267 VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ, hebben partijen zich bij akte hierover uitgelaten. Vervolgens heeft het hof bij tussenarrest van 5 oktober 20217.(hierna: tweede tussenarrest) het volgende overwogen en beslist:
“Vragen van uitleg
10.15.
In dit geval zijn de vennoten (Kupers B.V. en [A] B.V.) zelf ondernemers, die met een eigen onderneming ook zelf actief zijn op dezelfde markt als de onderneming (de vennootschap onder firma) die heeft ingeschreven (Kupers). Taxi Horn heeft daarbij aangevoerd dat Kupers gebruik maakt van middelen die vanuit de eigen ondernemingen van de vennoten aan Kupers ter beschikking worden gesteld. De gemeenten hebben dit weersproken.
10.16.
Het is van belang dat de aanbestedende dienst kan toetsen of de ondernemer die een opdracht wil uitvoeren, moet worden uitgesloten en of hij voldoet aan geschiktheidseisen, specifieke voorwaarden en selectiecriteria. Als personen duurzaam en onder een gemeenschappelijke naam samenwerken in een afzonderlijke, gezamenlijke onderneming, rijst de vraag of de toets beperkt mag blijven tot alleen de gezamenlijke onderneming of dat de toets ook betrekking moet hebben op ieder van de samenwerkende personen.
10.17.
De kernvraag is wanneer een ondernemer, indien daarin personen (natuurlijke personen en/of rechtspersonen) samenwerken, mag volstaan met het indienen van één UEA. Dit vereist uitleg van de artikelen 2, 19, 59 en 63 van Richtlijn 2014/24/EU van 26 februari 2014 en van de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7. De vragen van uitleg van de artikelen 2, 19, 59 en 63 van Richtlijn 2014/24/EU van 26 februari 2014 en van de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7, die voortvloeien uit de kernvraag, formuleert het hof hierna in 11.1.
11. De uitspraak
Het hof:
11.1.
verzoekt het Hof van Justitie EU uitleg te geven van de artikelen 2, 19, 59 en 63 van Richtlijn 2014/24/EU van 26 februari 2014 en van de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 door uitspraak te doen over de volgende vragen:
1. Als samenwerkende personen (natuurlijke personen en/of rechtspersonen) een gezamenlijke onderneming hebben (in dit geval in de vorm van een vennootschap onder firma):
- moet ieder van de samenwerkende personen dan afzonderlijk een Uniform Europees Aanbestedingsdocument indienen; of
- moeten ieder van de samenwerkende personen én hun gezamenlijke onderneming dan afzonderlijk een Uniform Europees Aanbestedingsdocument indienen; of
- behoeft alleen de gezamenlijke onderneming dan één Uniform Europees Aanbestedingsdocument in te dienen?
2. Maakt het hierbij verschil:
- of de gezamenlijke onderneming tijdelijk of niet tijdelijk (duurzaam) is;
- dat de samenwerkende personen zelf ondernemers zijn;
- dat de samenwerkende personen een eigen onderneming exploiteren die soortgelijk is aan de gezamenlijke onderneming, althans op dezelfde markt actief is;
- dat de gezamenlijke onderneming geen rechtspersoon is;
- dat de gezamenlijke onderneming wel een (van het vermogen van de vennoten) afgescheiden (en voor verhaal vatbaar) vermogen kan hebben;
- of de gezamenlijke onderneming naar nationaal recht bevoegd is om de samenwerkende personen te vertegenwoordigen bij het beantwoorden van de vragen van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument;
- dat naar nationaal recht bij een vennootschap onder firma het de vennoten zijn die de verplichtingen uit hoofde van de opdracht op zich nemen en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het nakomen daarvan (en dus niet de vennootschap onder firma zelf)?
3. Indien meerdere van de hiervoor onder 2 genoemde factoren van betekenis zijn, hoe verhouden deze factoren zich dan tot elkaar? Zijn bepaalde factoren van grotere betekenis dan andere factoren of zelfs van doorslaggevende betekenis?
4. Is het juist dat bij een gezamenlijke onderneming in elk geval een afzonderlijke Uniform Europees Aanbestedingsdocument is vereist van een samenwerkende persoon, indien voor het uitvoeren van de opdracht (ook) gebruik zal worden gemaakt van middelen die tot de eigen onderneming van deze persoon behoren (zoals personeel en bedrijfsmiddelen)?
5. Moet de gezamenlijke onderneming aan bepaalde eisen voldoen om als één ondernemer te kunnen worden beschouwd? Zo ja, welke eisen zijn dit?
2.9
Het HvJ heeft – zonder een mondelinge behandeling te houden en zonder voorafgaande conclusie van de advocaat-generaal – bij arrest van 10 november 2022 de vragen geherformuleerd en beantwoord.8.Ik citeer de voor deze cassatieprocedure belangrijkste overwegingen uit het arrest van het HvJ (mijn onderstreping, ook in de citaten hierna, A-G):
“41 Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 59, lid 1, van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, punt 10, en artikel 63 van deze richtlijn en met bijlage 1 bij uitvoeringsverordening 2016/7, in die zin moet worden uitgelegd dat een gemeenschappelijke onderneming die, zonder een rechtspersoon te zijn, de vorm heeft van een vennootschap die wordt beheerst door de nationale wetgeving van een lidstaat, die is ingeschreven in het handelsregister van die lidstaat, die tijdelijk of permanent kan zijn opgericht en waarvan de gezamenlijke vennoten op dezelfde markt actief zijn als zij en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de goede uitvoering van de door haar aangegane verbintenissen, bij de aanbestedende dienst haar eigen UEA moet indienen, dan wel in die zin dat zij tevens, of enkel, het UEA van elk van de gezamenlijke vennoten moet indienen.
42 Meteen moet worden opgemerkt dat de zeventiende tot en met de negentiende alinea van bijlage 1 bij uitvoeringsverordening 2016/7 luiden als volgt:
“Een ondernemer die zelfstandig deelneemt en zich niet beroept op de draagkracht van andere entiteiten om aan de selectiecriteria te voldoen, moet één UEA invullen.
Een ondernemer die zelfstandig deelneemt, maar zich beroept op de draagkracht van een of meer andere entiteiten, moet ervoor zorgen dat de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit zijn eigen UEA samen met een afzonderlijk UEA met de relevante informatie voor elk van de entiteiten waarop hij steunt, ontvangt.
Ten slotte moet, als combinaties van ondernemers – waaronder tijdelijke samenwerkingsverbanden – samen deelnemen aan een aanbestedingsprocedure, voor elk van de deelnemende ondernemers een afzonderlijk UEA worden ingediend met daarin de in de delen II tot en met V gevraagde gegevens.”
(…)
49 Een UEA is dus bedoeld om de aanbestedende dienst een nauwkeurig en getrouw beeld te geven van de situatie van elke ondernemer die verzoekt om deel te nemen aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht of die een inschrijving wenst in te dienen. Daarmee concretiseert het UEA het doel van de artikelen 57 en 63 van richtlijn 2014/24, namelijk de aanbestedende dienst in staat stellen zich ervan te vergewissen dat elk van de inschrijvers integer en betrouwbaar is, en dat er dus geen vertrouwensbreuk is met de betrokken ondernemer (…).
50 In dit verband moet worden opgemerkt dat tot de inlichtingen die een ondernemer in het UEA moet aangeven, niet de middelen van de gezamenlijke vennoten van een gemeenschappelijke onderneming behoren. Het maakt dan ook geen verschil of de gezamenlijke vennoten van een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht actief zijn op hetzelfde gebied of op dezelfde markt als deze vennootschap, aangezien deze inlichting niet via het UEA van de gemeenschappelijke onderneming ter kennis van de aanbestedende dienst kan worden gebracht.
51 Bovendien volstaat het bestaan van hoofdelijke aansprakelijkheid tussen de vennootschap onder firma en de vennoten niet om de aanbestedende dienst in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat aan de kwalitatieve selectiecriteria is voldaan. In het stadium van het onderzoek van de ontvankelijkheid van de inschrijvingen verricht de aanbestedende dienst immers een retrospectieve beoordeling, die bedoeld is om na te gaan of een inschrijver over kwaliteiten beschikt die een aanwijzing vormen dat de betrokken opdracht daadwerkelijk zal worden uitgevoerd. In die omstandigheden kan het ontbreken van deze kwaliteiten niet worden gecompenseerd door de toekomstige rechtsbetrekking op grond waarvan de leden van een vennootschap onder firma hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van een dergelijke maatschap (…).
52 Om de aanbestedende dienst in staat te stellen zich van haar integriteit te vergewissen, dient een gemeenschappelijke onderneming zoals een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht, derhalve elke uitsluitingsgrond te vermelden die van toepassing is op elke gezamenlijke vennoot of elke persoon in dienst van een van haar gezamenlijke vennoten die lid is van het bestuurs-, beheers- of toezichthoudend orgaan van de gemeenschappelijke onderneming of die een vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid binnen die onderneming heeft.
53 Bovendien moet een gemeenschappelijke onderneming, zoals een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht, om haar betrouwbaarheid aan te tonen, enkel worden geacht individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht te willen deelnemen of een inschrijving te willen indienen, indien zij aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, dat wil zeggen met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen en waarover zij vrijelijk kan beschikken. In een dergelijk geval kan deze vennootschap ermee volstaan alleen haar eigen UEA bij de aanbestedende dienst in te dienen.
54 In dit verband staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan in hoeverre in geval van een dergelijke vennootschap, gelet op de bijzondere kenmerken van haar rechtsvorm als maatschap en de banden tussen haar en haar gezamenlijke vennoten, van bovengenoemde situatie sprake is.
55 Indien een dergelijke vennootschap daarentegen voor de uitvoering van een overheidsopdracht meent een beroep te moeten doen op de middelen van de gezamenlijke vennoten, dan moet zij worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten in de zin van artikel 63 van richtlijn 2014/24. In dat geval moet die vennootschap niet alleen haar eigen UEA indienen, maar ook dat van elk van de gezamenlijke vennoten op wier draagkracht zij een beroep wil doen.
(…)
Het Hof (…) verklaart voor recht:
Artikel 59, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 1, punt 10, en artikel 63 van deze richtlijn en bijlage 1 bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument,
moet in die zin worden uitgelegd dat:
een gemeenschappelijke onderneming die, zonder een rechtspersoon te zijn, de vorm heeft van een vennootschap die wordt beheerst door de nationale wetgeving van een lidstaat, die is ingeschreven in het handelsregister van die lidstaat, die tijdelijk of permanent kan zijn opgericht en waarvan de gezamenlijke vennoten op dezelfde markt actief zijn als zij en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de goede uitvoering van de door haar aangegane verbintenissen, bij de aanbestedende dienst alleen haar eigen Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) hoeft in te dienen, wanneer zij voornemens is individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht deel te nemen of een inschrijving in te dienen en aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren. Indien deze gemeenschappelijke onderneming daarentegen meent voor de uitvoering van een overheidsopdracht een beroep te moeten doen op de eigen middelen van bepaalde vennoten, dan moet zij worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van andere entiteiten in de zin van artikel 63 van richtlijn 2014/24 en dient zij niet alleen haar eigen UEA in te dienen, maar ook het UEA van elk van de vennoten op wier draagkracht zij een beroep wil doen.”
2.10
Na dit prejudiciële arrest is de hoger beroepsprocedure hervat en hebben Taxi Horn (op 21 februari 2023) en de gemeenten (op 18 april 2023) zich bij akte uitgelaten. Bij eindarrest van 27 juni 20239.heeft het hof het vonnis bekrachtigd en Taxi Horn veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Daartoe heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen:
a) Het standpunt van Taxi Horn is dat Kupers niet had kunnen volstaan met het indienen van één UEA, omdat Kupers niet zelfstandig deelnam aan de aanbesteding. In dat kader is aangevoerd dat Kupers zich beroept op draagkracht van derden (de vennoten) en – in het verlengde daarvan – dat Kupers niet over eigen bussen beschikt. Die zullen moeten worden gehuurd of geleased. Daarmee behoren de noodzakelijke bussen niet tot de middelen van Kupers. (rov. 2.3-2.5)
b) Uit het arrest van het HvJ volgt dat het enkele feit dat Kupers een vennootschap onder firma is, niet maakt dat meer dan één UEA had moeten worden ingediend. (rov. 2.6)
c) In de aanbestedingsleidraad is niet voorgeschreven dat de inschrijver de middelen (waaronder de bussen) waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in eigendom heeft, of dat de inschrijver het personeel waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in dienst heeft. De Gemeenten hoefden dit dus ook niet te toetsen. (rov. 2.7)
d) Uit het arrest van het HvJ volgt bovendien niet dat een inschrijver steeds het materieel dat voor het uitvoeren van de opdracht nodig is, in eigendom moet hebben. Daarvoor volstaan middelen waarover de inschrijver vrijelijk kan beschikken. Dat is ook zo bij huren of leasen, als dat zelfstandig wordt gefinancierd. (rov. 2.8)
e) Dat Kupers over voldoende bussen beschikt en dat zelfstandig financiert is niet in geschil. Taxi Horn heeft niet (voldoende) gesteld dat (i) dit tijdens de inschrijving niet zo zou zijn geweest, (ii) of dat dit niet zou zijn aangetoond. Ook is niet (voldoende) gesteld dat Kupers niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door deze te huren of te leasen. (rov. 2.8)
f) [betrokkene 1] mocht dus als volledig gevolmachtigde namens Kupers het UEA ondertekenen en een door een van de vennoten of door beide vennoten ondertekende UEA was daarnaast niet vereist. (rov. 2.8)
2.11
Taxi Horn heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest. De gemeenten voeren verweer. Tegen Kupers is verstek verleend. Taxi Horn en de gemeenten hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten, waarna is gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.10.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen. De klachten komen er vooral op neer dat het hof het prejudiciële antwoord van het HvJ op onjuiste wijze heeft toegepast, althans dat het hof een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven in het licht van het prejudiciële arrest.
Inleidende opmerkingen
3.2
Het UEA is een (geharmoniseerd) standaardformulier, dat zijn grondslag vindt in art. 59 van Richtlijn 2014/24/EU,11.de ‘algemene aanbestedingsrichtlijn’.
3.3
Art. 58 lid 1 van die richtlijn luidt:
“1. Selectiecriteria kunnen betrekking hebben op:
a) geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen;
b) de economische en financiële draagkracht;
c) de technische en beroepsbekwaamheid.
De aanbestedende diensten mogen alleen de criteria bedoeld in de leden 2, 3 en 4 als voorwaarden voor deelname opleggen aan ondernemers. De aanbestedende diensten beperken eventuele voorwaarden tot die welke kunnen garanderen dat een gegadigde of inschrijver over de juridische en financiële middelen12.en de technische bekwaamheden en beroepsbekwaamheden beschikt om de te gunnen opdracht uit te voeren (…).”
3.4
Art. 59 lid 1 van Richtlijn 2014/24/EU luidt, voor zover hier van belang:
“1. Op het ogenblik van de indiening van de verzoeken tot deelname of de inschrijvingen, aanvaarden de aanbestedende diensten — als voorlopig bewijs ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven certificaten die bevestigen dat de betrokken ondernemer aan alle volgende voorwaarden voldoet — het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA), bestaande uit een bijgewerkte eigen verklaring:
a) hij bevindt zich niet in een van de situaties als bedoeld in artikel 57, waardoor ondernemers kunnen of moeten worden uitgesloten;
b) hij voldoet aan de toepasselijke selectiecriteria als vastgesteld overeenkomstig artikel 58;
c) hij voldoet, indien van toepassing, aan de objectieve regels en criteria als vastgesteld overeenkomstig artikel 65.
Indien de ondernemer overeenkomstig artikel 63 een beroep doet op de draagkracht van andere entiteiten bevat het UEA ook de in de eerste alinea van dit lid genoemde gegevens ten aanzien van die entiteiten.
(…)”
3.5
Art. 63 van Richtlijn 2014/14/EU heeft als opschrift ‘Beroep op de draagkracht van andere entiteiten’. Het eerste lid luidt, voor zover hier van belang:
“1. Met betrekking tot de in artikel 58, lid 3, bedoelde criteria inzake economische en financiële draagkracht en de in artikel 58, lid 4, bedoelde criteria inzake technische bekwaamheid en beroepsbekwaamheid kan een ondernemer zich, in voorkomend geval en voor een bepaalde opdracht, beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van zijn banden met die entiteiten. (…) Wanneer een ondernemer zich op de draagkracht van andere entiteiten wil beroepen, toont hij ten behoeve van de aanbestedende dienst aan dat hij zal kunnen beschikken over de nodige middelen, bijvoorbeeld door overlegging van een verbintenis daartoe van deze andere entiteiten. De aanbestedende dienst gaat overeenkomstig de artikelen 59, 60 en 61 na of de entiteiten op wier draagkracht de ondernemer zich wil beroepen, aan de selectiecriteria voldoen of dat er redenen zijn voor uitsluiting volgens artikel 57. (…).”
3.6
Op grond van art. 59 lid 2 van Richtlijn 2014/14/EU wordt het UEA opgesteld op basis van een standaardformulier. De Commissie stelt dat standaardformulier op door middel van uitvoeringshandelingen. Het UEA is vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7.13.Overweging (1) van deze Uitvoeringsverordening luidt, voor zover hier van belang:
“Een van de belangrijkste doelstellingen van de Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU is het verlichten van de administratieve lasten van aanbestedende diensten, aanbestedende entiteiten en ondernemers, waaronder niet in de laatste plaats de kleine en middelgrote ondernemingen. In dat kader is het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) van groot belang. Het standaardformulier voor het UEA dient dan ook zodanig te worden opgesteld dat het niet meer nodig is om een groot aantal certificaten of andere documenten in verband met uitsluitings- en selectiecriteria over te leggen. Daartoe dient het standaardformulier ook de relevante informatie te bevatten over de entiteiten op de draagkracht waarvan de ondernemer een beroep doet, zodat die informatie samen met en onder dezelfde voorwaarden als de informatie betreffende de hoofdondernemer kan worden gecontroleerd.”
3.7
Art. 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 stelt het gebruik van het standaardformulier verplicht voor het opstellen van het UEA.
3.8
Bijlage 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 bepaalt onder meer:
“Het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (UEA) is een eigen verklaring waarmee ondernemers voorlopig bewijs overleggen ter vervanging van door overheidsinstanties of derden afgegeven certificaten. Zoals bepaald in artikel 59 van Richtlijn 2014/24/EU is het een formele verklaring van de ondernemer dat hij zich niet bevindt in een van de situaties waardoor ondernemers kunnen of moeten worden uitgesloten en dat hij voldoet aan de toepasselijke selectiecriteria en, indien van toepassing, aan de objectieve regels en criteria als vastgesteld met het oog op de beperking van het aantal in andere opzichten gekwalificeerde gegadigden dat wordt uitgenodigd tot deelneming. Het is de bedoeling dat het UEA de administratieve lasten zal beperken die voortvloeien uit het voorschrift om een aanzienlijk aantal certificaten of andere documenten die betrekking hebben op de uitsluitings- en selectiecriteria over te leggen.”
En (vet gedrukte letters in origineel, citaat zonder voetnoot, A-G):
“Een ondernemer die zelfstandig deelneemt, maar zich beroept op de draagkracht van een of meer andere entiteiten, moet ervoor zorgen dat de aanbestedende dienst of aanbestedende entiteit zijn eigen UEA samen met een afzonderlijk UEA met de relevante informatie voor elk van de entiteiten waarop hij steunt, ontvangt.”
3.9
Bijlage 2 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 bevat het standaardformulier voor het UEA. Deel II (‘Gegevens met betrekking tot de ondernemer’), onder C (‘Informatie over beroep op draagkracht van andere entiteiten’) bevat de volgende tekst:
“Doet de ondernemer beroep op de draagkracht van andere entiteiten om te voldoen aan de selectiecriteria van deel IV en de (eventuele) criteria en regels van de onderstaande afdeling V?
Zo ja, verstrek voor elk van de betrokken entiteiten een afzonderlijk UEA-formulier met de informatie die wordt gevraagd in de afdelingen A en B van dit deel van Deel III. Dit formulier moet door de betrokken entiteiten naar behoren worden ingevuld.”
3.10
In de Nederlandse wetgeving wordt een UEA aangeduid als ‘een eigen verklaring’ (art. 2.84 Aanbestedingswet 2012).14.In het UEA verklaart een inschrijver onder meer over de gestelde uitsluitingsgronden, selectiecriteria en geschiktheidseisen. Bewijsstukken hoeven dan bij inschrijving niet te worden ingediend; de eigen verklaring volstaat.15.Dit zorgt voor uniformiteit en minder administratieve lasten voor ondernemers en aanbestedende diensten.16.Het gebruik van deze ‘eigen verklaring’ is in Nederland voorgeschreven op grond van een ministeriële regeling.17.
3.11
Een vof kan optreden als inschrijver. Voor de toepassing van de hiervoor geschetste regelgeving zijn de vennoten van de vof aan te merken als ‘andere entiteiten’. De vof en de vennoten worden dus niet gezamenlijk beschouwd als één onderneming of als één ondernemer. Dit verklaart waarom in een geval als hier aan de orde moet worden nagegaan of de vof, die geldt als inschrijver, bij het uitvoeren van de opdracht beroep zal doen op de draagkracht van de vennoten. Indien dat het geval is, moet ook van de beide vennoten een UEA worden ingediend.
Duiding van het arrest van het HvJ
3.12
De vraag die het hof naar aanleiding van de grieven van Taxi Horn moest beantwoorden is of Kupers mocht volstaan met het indienen van één UEA voor de vof of dat zij gebruik maakte van de draagkracht van de (twee) vennoten en daarom ook van die vennoten een UEA moest overleggen. De vraag die het hof vervolgens heeft voorgelegd aan het HvJ is (zie rov. 5.20 eerste tussenarrest en rov. 10.17 tweede tussenarrest): wanneer mag een ondernemer, indien daarin personen (natuurlijke personen en/of rechtspersonen) samenwerken, volstaan met het indienen van één UEA?
3.13
Het HvJ heeft geantwoord dat met één UEA alleen kan worden volstaan wanneer een onderneming waarin natuurlijke of rechtspersonen samenwerken voornemens is individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht deel te nemen aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren (dictum). Dat wil zeggen: “met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen en waarover zij vrijelijk kan beschikken” (punt 53, hiervoor geciteerd in 2.9).18.Enkel in dat geval kan de vof worden geacht individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht te willen deelnemen en volstaat een UEA van de vof.
3.14
In de Franse taalversie (de interne werktaal van het HvJ), alsook in de Duitse en de Engelse taalversies van het arrest luidt genoemd punt 53 als volgt (mijn onderstreping, A-G):
“Par ailleurs, pour attester sa fiabilité, une entreprise commune, telle qu’une société en nom collectif, au sens du droit néerlandais, doit être considérée comme souhaitant participer, à titre individuel, à une procédure de passation de marché public ou soumettre une offre uniquement si elle démontre pouvoir exécuter le marché en cause en n’utilisant que ses propres personnels et matériels, autrement dit les ressources que ses coassociés lui ont transférées conformément au contrat de société et dont elle a la libre disposition. Dans une telle hypothèse, il suffit pour cette société de fournir son propre DUME au pouvoir adjudicateur.”
“Im Hinblick auf den Nachweis der Zuverlässigkeit ist im Übrigen davon auszugehen, dass ein Gemeinschaftsunternehmen wie eine offene Handelsgesellschaft niederländischen Rechts nur dann beabsichtigt, in eigenem Namen an einem Verfahren zur Vergabe öffentlicher Aufträge teilzunehmen oder ein Angebot abzugeben, wenn es nachweist, dass es den fraglichen Auftrag ausschließlich mit eigenem Personal und Material, also mit Mitteln ausführen kann, die ihm gemäß dem Gesellschaftsvertrag von seinen Gesellschaftern übertragen wurden und über die es frei verfügen kann. In einem solchen Fall reicht es aus, dass es dem öffentlichen Auftraggeber seine eigene EEE vorlegt.”
“Furthermore, in order to demonstrate its reliability, a joint undertaking, such as a general partnership, within the meaning of Netherlands law, must be regarded as intending to participate, on an individual basis, in a public procurement procedure or to submit a tender only if it shows that it is capable of performing the contract in question using only its own personnel and materials, in other words, the resources which its joint partners transferred to it in accordance with the partnership agreement and which are freely available to it. In such a case, it is sufficient for that firm to supply its own ESPD to the contracting authority.
3.15
Elk van deze taalversies (en overigens ook de Spaanse en Italiaanse taalversies die ik kortheidshalve niet citeer) is gelijkluidend met de Nederlandse taalversie van het arrest. Er blijkt uit dat met eigen middelen van de vof is bedoeld de middelen die (i) door de vennoten zijn overgedragen (transférées, übertragen, transferred) aan de vennootschap overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst én (ii) vrijelijk beschikbaar zijn voor de vennootschap. Die twee voorwaarden zijn cumulatief. Verder overweegt het HvJ dat de vof moet aantonen (démontre, nachweist, shows) dat zij de opdracht kan uitvoeren met de bedoelde eigen middelen. Enkel in zo’n geval kan worden volstaan met één UEA, namelijk het UEA van de vennootschap. Oftewel: als een vof een opdracht zelfstandig kan uitvoeren, zonder beroep te hoeven doen op middelen van haar vennoten, kan worden volstaan met één UEA. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of daarvan sprake is (punt 54).
3.16
Het HvJ heeft vervolgens in punt 55 geoordeeld wat heeft te gelden buiten de gevallen als bedoeld in punt 53. Dat volgt uit het gebruik in punt 55 van het woord ‘daarentegen’ (en revanche, hingegen, by contrast). Dan moet de vof worden geacht (être considérée, zu betrachten, regarded as) een beroep te doen op de draagkracht van ‘andere entiteiten’ in de zin van artikel 63 van richtlijn 2014/24. In dat geval moet die vennootschap niet alleen haar eigen UEA indienen, maar ook het UEA van elk van de vennoten op wier draagkracht zij beroep zal doen. Oftewel: als een vof een opdracht niet zelfstandig kan uitvoeren want daarvoor beroep moet doen op middelen van haar vennoten, kan zij (in aanmerking komen voor de opdracht, maar) niet volstaan met één UEA.
3.17
De situatie waarin het UEA van de vof volstaat wordt door het HvJ restrictief uitgelegd. De reden daarvoor is dat het UEA de aanbestedende dienst in staat moet stellen te toetsen en dus te beoordelen of de inschrijvende partij geacht kan worden te voldoen aan de gestelde geschiktheidseisen, selectiecriteria en uitvoeringsvoorwaarden. Indien een vof tot het uitvoeren van de opdracht slechts in staat is als zij beroep doet op middelen (en daarmee: op de ‘draagkracht’) van de vennoten, moet daarom ook van de vennoten een UEA worden ingediend. Die voorwaarde volgt rechtstreeks uit het Unierecht en geldt ongeacht of de aanbestedingsdocumentatie van de aanbesteder een dergelijke voorwaarde bevat.
3.18
Het rechtsgevolg van het ontbreken van UEA’s van de vennoten, waar die wel moesten worden overgelegd, lijkt te zijn dat de inschrijving incompleet is en de inschrijver daarom moet worden uitgesloten van verdere beoordelingen. Dat zou ook in deze zaak zo zijn.19.
3.19
Ik kom nu toe aan de bespreking van de klachten.
Bespreking van de klachten
3.20
Ik bespreek de klachten in de onderdelen 1 en 2 gezamenlijk.
3.21
In rov. 2.7 van het bestreden arrest gaat het hof na of in de geschiktheidseisen van de aanbestedingsleidraad van de gemeenten staat voorgeschreven dat de middelen waarmee de opdracht wordt uitgevoerd eigendom moeten zijn van de inschrijver. Het hof stelt vast dat dit niet het geval is.
3.22
Terecht klaagt het middel dat niet relevant is dat in de aanbestedingsleidraad van de gemeenten niet als eis is opgenomen dat de middelen waarmee de opdracht wordt uitgevoerd eigendom zijn van de inschrijver. Zoals opgemerkt, heeft het HvJ een toets geformuleerd die onafhankelijk is van de in concreto gestelde geschiktheidseisen. Het HvJ heeft de hem voorgelegde vraag benaderd vanuit de optiek van de draagkracht van de inschrijver en de informatieverstrekking daarover aan de aanbestedende dienst. Alleen als deze een nauwkeurig en getrouw beeld krijgt van de situatie van de inschrijvende onderneming (arrest, punt 49) is hij in staat om de betrouwbaarheid van een inschrijving goed te toetsen. Wanneer een vennootschap onder firma moet worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van een of meer andere entiteiten is ook van die anderen entiteiten UEA nodig. De door het HvJ genoemde factoren, en niet of de aanbestedende dienst in de aanbestedingsstukken bepaalde geschiktheidseisen heeft gesteld, zijn doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of kan worden volstaan met één UEA.
3.23
Bovendien klaagt het middel terecht dat Taxi Horn, anders dan het hof overweegt, niet heeft gesteld dat de reden waarom Kupers niet met eigen middelen aan de geschiktheidseisen voldoet zou zijn dat de voorgeschreven bussen niet bij haar in eigendom zijn. Het punt dat Taxi Horn maakt is dat Kupers bij de inschrijving niet heeft beoogd met eigen middelen de opdracht uit te voeren.20.Die stelling is in lijn met rov. 2.3 en 2.4 waarin het hof – in essentie – oordeelt dat Taxi Horn heeft aangevoerd dat Kupers niet heeft beoogd de opdracht met eigen middelen uit te voeren; de daarvoor noodzakelijke bussen bijvoorbeeld (EURO-6 bussen, die voldoen aan de hoogste milieueisen) behoren niet tot de eigen middelen van Kupers. Deze overwegingen staan in cassatie niet ter discussie. Taxi Horn heeft dus niet betoogd dat een geschiktheidseis zou zijn dat de bussen eigendom van Kupers zijn.
3.24
In rov. 2.8 oordeelt het hof dat uit het arrest van het HvJ niet volgt dat een inschrijver steeds het materieel dat voor het uitvoeren van de opdracht nodig is in eigendom hoeft te hebben. Het volstaat volgens het hof dat de inschrijver aantoont dat hij de opdracht kan uitvoeren met middelen waarover hij vrijelijk kan beschikken en dat daarvan ook sprake is wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleased.
3.25
Het middel voert daartegen een rechtsklacht aan. Het HvJ heeft namelijk met zo veel woorden uitgemaakt dat uitsluitend eigen middelen van de inschrijver bepalend zijn. Die middelen kunnen afkomstig zijn van vennoten, maar moeten dan wel aan de inschrijver zijn overgedragen. Het HvJ overweegt immers in punt 53 dat de middelen die door vennoten zijn overgedragen aan de vennootschap (de eerste cumulatieve voorwaarde) vrijelijk beschikbaar moeten zijn om de opdracht uit te voeren (de tweede cumulatieve voorwaarde). Die laatste voorwaarde betekent in mijn ogen dat de middelen bijvoorbeeld niet mogen zijn verhuurd of uitgeleend door de vennootschap. Bovendien heeft het hof in punt 55 overwogen dat in de andere situatie – wanneer een beroep wordt gedaan op de middelen van de vennoten – de vof moet worden geacht een beroep te doen op de draagkracht van anderen. Het bestreden oordeel, dat afwijkt van het oordeel van het HvJ, getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting.
3.26
Nu de zojuist besproken klachten slagen kan het bestreden arrest niet in stand blijven. Volledigheidshalve ga ik nog in op twee argumenten die centraal staan in het verweer van de gemeenten.
3.27
De gemeenten benadrukken in de eerste plaats dat zij, anders dan het HvJ volgens hen heeft aangenomen,21.in dit geval geen geschiktheidseisen of uitvoeringsvoorwaarden hadden gesteld ten aanzien personeel en materieel. Op de inschrijvers rustte daarom niet een verplichting om aan te tonen dat zij uitvoering konden geven aan de aanbestede opdracht middels een bepaalde hoeveelheid menskracht en materieel waarover zij vrijelijk konden beschikken. Nu de gemeenten dergelijke eisen niet hadden gesteld hoefden zij bovendien niet na te gaan of daaraan was voldaan.22.Tot slot voldeed Kupers volgens de gemeenten aan de geschiktheidseisen die zij hadden gesteld in de aanbestedingsleidraad en was Kupers zelfstandig in staat uitvoering te geven aan de opdracht.23.
3.28
Dienaangaande merk ik op dat de verplichting van een aanbestedende dienst om de eis van het indienen van een UEA (volledig) na te leven volgt uit het Unierecht zoals omgezet in nationale regelgeving (zie hiervoor 3.7-3.11). Daarbij is beslissend of de inschrijver geacht moet worden beroep te doen op de draagkracht van ‘andere entiteiten’. De verplichting een UEA op te leggen is een autonome Unierechtelijke verplichting, waarvan het bestaan dus niet afhangt van eisen waaraan de inschrijver op grond van de aanbestedingsvoorwaarden is gebonden (zie ook hiervoor, 3.22).
3.29
De gemeenten benadrukken in de tweede plaats dat de door Taxi Horn voorgestane uitleg tot gevolg heeft dat voor inschrijvers een ‘nieuwe categorie’ voorwaarden ontstaat, waaraan aanbestedende diensten moeten toetsen.24.In het bijzonder zou de voorwaarde worden geïntroduceerd dat de betrokken opdracht uitsluitend met eigen personeel en materieel moet worden uitgevoerd. In dat verband keren de gemeenten zich ook tegen de stelling van Taxi Horn dat de inschrijver zelf de eigendom zou moeten hebben van het materieel, welke eis een onwerkbare situatie zou doen ontstaan en voor zowel aanbestedende diensten als inschrijvers zou leiden tot een verzwaring van de lasten.25.
3.30
Deze tegenwerping gaat mijns inziens niet op. De door Taxi Horn gegeven uitleg van het arrest van het HvJ brengt niet mee dat aanbestedende diensten bepaalde geschiktheidseisen of uitvoeringsvoorwaarden aan inschrijvers moeten gaan stellen. Het gaat er alleen om of de vof moet worden geacht beroep te doen op de draagkracht van de beide vennoten. Dat is bijvoorbeeld het geval als de vennoten het te gebruiken materieel of het in te zetten personeel ter beschikking stellen aan de vof. In dat geval doet zich namelijk de situatie voor waarin de vof beroep doet op de draagkracht van de vennoten. Het gevolg daarvan is enkel dat bij de inschrijving ook van beide vennoten een UEA moet worden ingediend. Anders dan de gemeenten veronderstellen, is een aanbestedende dienst in dat geval niet verplicht eisen en voorwaarden te stellen over de wijze waarop een opdracht in financiële en organisatorisch zin moet worden uitgevoerd. Uit het arrest van het HvJ volgt ook niet dat de inschrijver moet worden verplicht het bij het uitvoeren van de opdracht te gebruiken materieel in eigendom te hebben. Er volgt slechts uit dat, als de inschrijver eigenaar is (geworden), hij - althans in zoverre - geen beroep doet op de draagkracht van de vennoten. In die situatie is het niet noodzakelijk dat ook van de vennoten een UEA wordt ingediend, naast het UEA van de vof die als inschrijver optreedt.
3.31
Tot slot ga ik in op de klacht van Taxi Horn in onderdeel 3 dat het hof had behoren te oordelen of de gemeenten (als aanbestedende dienst) de inschrijving van Kupers op de door het HvJ voorgeschreven manier hebben beoordeeld. Daarin kan zij niet worden gevolgd. Het hof stond voor de vraag of Kupers heeft mogen volstaan met het indienen van één UEA. Voor het antwoord op die vraag is een oordeel over het handelen van de gemeenten niet nodig.
3.32
Het lijkt in deze procedure overigens vast te staan dat de gemeenten een controleverplichting hadden op het punt van het aantal UEA dat moest worden ingediend, waarbij de gevolgen van het nalaten het vereiste aantal gelijk zijn aan de gevolgen van het indienen van geen UEA. Dit leid ik uit het volgende af.
In het eerste tussenarrest staat nog de volgende (concept)vraag aan het HvJ opgenomen:
“5.20 (…)
5. Is de aanbestedende dienst verplicht te controleren, ingeval sprake is van samenwerkende natuurlijke en/of rechtspersonen, of kan worden volstaan met het indienen van één UEA, indien namens de gezamenlijke onderneming één UEA wordt ingediend?”
In het tweede tussenarrest staat vervolgens:
“8.15 Het hof ziet ervan af om een vraag te stellen over een controleverplichting van de aanbestedende dienst. Het valt niet in te zien dat op dit onderdeel andere verplichtingen gelden dan ten aanzien van andere opgaven die inschrijvers doen.
8.16
Het hof neemt niet de vraag op welke gevolgen het moet hebben als niet ieder van de samenwerkende personen een UEA heeft ingediend, hoewel zij daartoe verplicht waren. Er is geen reden om aan te nemen dat dit gevolg anders is dan in de situatie dat een inschrijver geen UEA heeft ingediend.”
3.33
In rov. 2.8 van het eindarrest oordeelt het hof voorts dat:
- niet in geschil is dat Kupers vrijelijk beschikt – in de door het hof overwogen zin – over voldoende bussen om de overeenkomst te kunnen uitvoeren en dat Kupers dat zelfstandig financiert;
- Taxi Horn niet (voldoende) heeft gesteld dat dit tijdens de inschrijving niet zo zou zijn geweest of dat dit niet zou zijn aangetoond; en
- Taxi Horn niet (voldoende) heeft gesteld dat Kupers niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door ze te huren of leasen.
3.34
Over deze oordelen klaagt onderdeel 3 van het middel. Het hof zou buiten de rechtsstrijd zijn getreden, een onbegrijpelijke uitleg hebben gegeven aan de stellingen van de gemeenten, ten onrechte geen gelegenheid aan Taxi Horn hebben geboden om te reageren en zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over de stelplicht en bewijslast.
3.35
Bij deze klachten bestaat mijns inziens geen belang. De omstandigheid dat Kupers voldoende bussen (vrijelijk) beschikbaar heeft door deze op eigen draagkracht te huren of te leasen, wat daar ook van zij, is irrelevant voor de vraag naar het aantal UEA dat moest worden ingediend, als wordt uitgegaan van een juiste rechtsopvatting (het oordeel van het HvJ) over wat ‘eigen middelen’ in dit verband behelzen (zie hiervóór 3.17).
3.36
Ook inhoudelijk zie ik de klachten niet opgaan. Uitgangspunt in kort geding is dat de rechter grote vrijheid toekomt met betrekking tot zijn oordeel omtrent het voldoende gesteld zijn en het voldoende vaststaan van de feiten die hij nodig heeft om tot het al of niet toewijzen van de gevorderde voorziening te komen.26.Verder brengen de aard en de functie van het kort geding met zich dat de beoordeling fundamenteel anders plaatsvindt dan via toepassing van de regels van stelplicht en bewijslast. Beslist zal moeten worden aan de hand van een beoordeling van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en (summierlijk) met bewijsmateriaal is onderbouwd.27.Ook in hoger beroep geldt dat de rechter in kort geding niet aan de wettelijke bewijsregels is gebonden.28.Mede in dit licht heeft het hof zijn bestreden oordeel, zonder partijen nog gelegenheid te geven zich daarover uit te laten, kunnen baseren op wat door Taxi Horn29.en de gemeenten30.naar voren is gebracht. Dit is, zeker in kortgeding,31.niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk te noemen.
3.37
Uw Raad kan deze klachten echter ook onbesproken laten en zo ervoor zorgen dat de verwijzingsrechter niet gebonden is aan de hier bestreden beslissingen van het hof.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het eindarrest van 27 juni 2023 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑06‑2024
Zie de tussenarresten en het eindarrest van het hof ’s-Hertogenbosch: 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1676; 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3019; en 27 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2079, JAAN 2023/167 m.nt. J.W.A. Meesters. In het tussenarrest van 1 juni 2021 overweegt het hof onder 3: “In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de voorzieningenrechter heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.” Met het bestreden vonnis is bedoeld: Rb. Limburg 12 februari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1107.
Een eerste aanbesteding werd uitgeschreven op 28 februari 2019. Die aanbesteding werd ingetrokken nadat de ene aanbieder, Taxi Horn, te weinig punten had behaald om in aanmerking te komen voor de opdracht en een andere aanbieder geen rechtsgeldige inschrijving had gedaan. Op vordering van Taxi Horn heeft de voorzieningenrechter toen de gemeenten gelast dezelfde opdracht opnieuw aan te besteden. Zie Rb. Limburg (vzr.) 23 juli 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:6843.
Prod. 1 bij inleidende dagvaarding.
Rb. Limburg 12 februari 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:1107.
De Gemeenten hebben de overeenkomsten gesloten met Kupers, met als ingangsdatum 1 maart 2020. Taxi Horn behield procesbelang omdat zij door de voorzieningenrechter in de proceskosten was veroordeeld.
Hof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:1676.
Hof ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3019.
HvJ 10 november 2022, C-631/21, ECLI:EU:C:2022:869. Dit arrest is o.m. besproken door: N. Majewski & J-L. Wein, ‘EuGH mit Neuigkeiten zur Einheitlichen Europäischen Eigenerklärung?’, NZBau 2024, 82; R.M. Stein en J. Haenel (Stein/Haenel, jurisPR-Compl 3/2023); en S. Smith, ‘Taxi Horn Tours (C-631/21): is there an obligation to submit one or several European Single Procurement Documents (ESPD) when a bidder is a joint undertaking?’, Public Procurement Law Review 2023, n° 2.
Hof ’s-Hertogenbosch 27 juni 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2079, JAAN 2023/167 m.nt. J.W.A. Meesters.
Hangende de procedure, ná de dagbepaling voor de conclusie A-G, heeft de cassatieadvocaat van Taxi Horn, mr. J. van Weerden, zich aan de zaak onttrokken. Een andere cassatieadvocaat, mr. J.P. van den Berg, heeft zich vervolgens gesteld voor Taxi Horn.
Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG, PbEU 2014, L 94/65. De richtlijn is op voor deze zaak niet relevante punten een keer gecorrigeerd en een aantal keren aangepast.
Engels: “has the legal and financial capacities”. Frans: « dispose de la capacité juridique et financière ».
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7 van de Commissie van 5 januari 2016 houdende een standaardformulier voor het Uniform Europees Aanbestedingsdocument, PbEU 2016, L 3/16.
D.R. Versteeg, in: T&C Aanbestedingsrecht, commentaar op afd. 2.3.4 Aanbestedingswet 2012: “Deze afdeling gaat over de eigen verklaring. Daardoor zijn ondernemers niet gehouden omvangrijke bewijsstukken aan de aanmelding of inschrijving toe te voegen. De aanbesteder kan slechts de onderneming die voor gunning dan wel voor uitnodiging in aanmerking komt om bewijsstukken vragen (zie art. 2.101).” Dat laatste betekent dat de inschrijvende entiteit voor de aanbesteder het enige aanspreekpunt is, maar sluit niet uit dat de inschrijver informatie over ‘andere entiteiten’ moet aanleveren.
Kamerstukken II 2009/10, 32 440, nr. 3 (MvT), p. 17 (onderaan): “Een uniforme eigen verklaring zorgt ervoor dat lasten voor ondernemers worden teruggebracht doordat zij minder vaak bewijsstukken hoeven aan te leveren. Daarnaast draagt het bij aan uniformering doordat er een standaard eigen verklaring zal gaan gelden. Voor aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven leidt de uniforme eigen verklaring tot een vermindering aan uitvoeringslasten, omdat zij niet langer van alle ondernemers de verschillende gegevens en documenten hoeven te verifiëren.” Zie ook considerans onder 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7.
Ministeriële regeling van 21 maart 2013, WJZ/13041522, Stcrt. 2013, 8061 (Regeling modellen eigen verklaring Aanbestedingswet 2012), zoals gewijzigd bij regeling van 23 juni 2016, WJZ/16087848, Stcrt. 2016, 34239, op basis van art. 2 lid 3 Aanbestedingsbesluit.
Ook in het Unierecht geldt dat het dictum in het licht van de voorgaande overwegingen moet worden gelezen. Zie bijvoorbeeld: HvJ 16 maart 1978, 135/77, ECLI:EU:1978:75 (Bosch), punt 4.
In die zin de akte van 27 december 2022 van Taxi Horn (na het arrest van het HvJ) onder 18, onder verwijzing naar punt 2.2 van de Aanbestedingsleidraad van de gemeenten (prod. 1 bij inleidende dagvaarding).
Het uitgangspunt van het betoog van Taxi Horn staat in akte uitlating na arrest HvJ (van 21 februari 2023), punt 4: “Voor de beoordeling of Kupers Touringcars mocht volstaan met één UEA (alleen voor zichzelf), is relevant of Kupers Touringcars bij inschrijving heeft beoogd met eigen middelen (personeel en materieel) de opdracht uit te zullen voeren (en dus niet met middelen van haar vennoten of derden).”
Zie antwoordakte uitlating na arrest onder 33, schriftelijke toelichting onder 4(i) en dupliek onder 1.5
Zie antwoordakte uitlating na arrest onder 32 e.v., schriftelijke toelichting onder 13 en dupliek onder 2.6.
Zie schriftelijke toelichting onder 34.
Zie schriftelijke toelichting onder 12 en 16.
Zie schriftelijke toelichting onder 27 en 39.
HR 21 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AH8582, NJ 1979/194 m.nt. W.H. Heemskerk (Pfizer/Meditec), t.a.v. middelonderdeel 4b.
Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/162, in samenhang met par. 111 waar onder meer staat: “(…) Daarnaast zou een verplichte inachtneming van bewijsregels zoals die met betrekking tot waardering van bewijs en ten aanzien van stelplicht en bewijslast de kortgedingrechter te zeer belemmeren in zijn beoordelingsvrijheid. (…)”
Akte uitlating na arrest HvJ van 21 februari 2023, punt 14: “Uit de verschillende jaarrekeningen komt het beeld naar voren dat Kupers Touringcars onvoldoende ondernemingsvermogen heeft om met eigen middelen de opdracht te kunnen uitvoeren. Uit de opzet van de ondernemingsstructuur van Kupers Touringcars blijkt dat de bussen die voor uitvoering nodig zijn, in alle waarschijnlijkheid op de balans staan bij [B] B.V. en bij Kupers B.V. en van daaruit worden ingehuurd of geleased. (…).”
Antwoordakte uitlating na arrest HvJ van 23 april 2023, punten 72: “In randnummers 10 en 11 [van de akte uitlating na arrest HvJ, A-G] betoogt Taxi Horn dat het is uitgesloten dat Kupers over eigen middelen beschikt omdat de Gemeenten de voorwaarde hanteren dat EURO-6 bussen moeten worden ingezet. Daarmee miskent Taxi Horn – zoals ook blijkt uit het voorgaande – dat deze bussen niet in eigendom van Kupers hoeven te zijn om uitvoering te kunnen geven aan de opdracht. Kupers heeft – zo begrijpen de Gemeenten – de beschikking over 88 bussen, waarvan 87 EURO-6. (…).”
Zie over de eisen die art. 6 EVRM aan een kortgedingprocedure stelt: Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/76.
Beroepschrift 03‑10‑2023
Procesinleiding terzake een vorderingsprocedure in cassatie ex artikel 407 Rv
Eiseres
Eiseres is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Taxi Horn Tours B.V., die gevestigd is te Horn gemeente Leudal (‘Taxi Horn’), die voor deze cassatieprocedure woonplaats kiest aan de Phoenixstraat 49A, 2611 AL Delft, wat het kantooradres is van de advocaat bij de Hoge Raad mr. J. van Weerden, die door Taxi Horn is aangewezen haar in deze cassatieprocedure te vertegenwoordigen en die deze procesinleiding op 22 augustus 2023 heeft ondertekend en ingediend.
Verweersters
Verweersters zijn:
- 1.
de gemeente Gemeente Weert, met zetel in Weert, 2. de gemeente Gemeente Nederweert, met zetel te Nederweert, (‘tezamen: de Gemeenten’), die in de vorige instantie woonplaats hebben gekozen ten kantore van de advocaat mr. N.A.D. Groot, die kantoor houdt aan het Marsveldplein 5, 1050 Brussel, België, 3. de vennootschap onder firma Kupers Touringcars V.O.F., gevestigd te Weert, (‘Kupers’), die niet is verschenen in de vorige instantie en die in de eerste instantie woonplaats heeft gekozen ten kantore van de advocaat mr. P.J.M. van Limpt, die kantoor houdt aan de Noord-Brabantlaan 1a, 5652 LA Eindhoven, alsmede van de voormalige advocaat mr. H.M.H. van Gerven, die bij het indienen van deze procesinleiding niet als advocaat is ingeschreven.
Cassatieberoep
Taxi Horn stelt hierbij tijdig, beroep in cassatie in bij de Hoge Raad der Nederlanden, gevestigd aan het Korte Voorhout 8 te 2511 EK Den Haag, die bevoegd is van dit cassatieberoep kennis te nemen, tegen het arrest in kort geding van 27 juni 2023 met kenmerk 200.279.133/02 (‘het arrest’) dat het gerechtshof 's‑Hertogenbosch (‘het gerechtshof’) in hoger beroep heeft gewezen tussen Taxi Horn als appellante en de Gemeenten en Kupers als geïntimeerden.
Verschijnen verweersters
Verweersters kunnen, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ten laatste als verweerster in cassatie verschijnen op 3 (drie) oktober 2023 (tweeduizend drieëntwintig). De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op de vrijdagen die worden genoemd in hoofdstuk I van het Procesreglement van de Hoge Raad voor civiele vorderingszaken (Stcrt. 2017/5928) om 10:00 uur. De behandeling van de zaken vindt plaats in het gebouw aan het Korte Voorhout 8 te 2511 EK Den Haag.
Cassatiemiddel, vordering
Het gerechtshof heeft het recht geschonden en/of op straffe van nietigheid voorschreven vormen verzuimd in acht te nemen, zoals blijkt uit de hierna genoemde, separaat en in hun onderlinge samenhang te beschouwen klachten met toelichting. Op grond hiervan vordert Taxi Horn dat de Hoge Raad het arrest vernietigt en zodanige verdere uitspraak geeft als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, ook omtrent de kosten.
Klacht 1
Onder 2.7. en 2.8. heeft het gerechtshof geoordeeld als hierna schematisch en samengevat weergegeven.
- a.
Volgens Taxi Horn voldoet Kupers niet met eigen middelen aan de geschiktheidseisen omdat de voorgeschreven bussen niet bij haar in eigendom zijn.
- b.
De geschiktheidseisen waarover Kupers heeft verklaard staan in paragraaf 3.2 van de Aanbestedingsleidraad. Daarin is niet voorgeschreven dat de inschrijver de middelen (waaronder de bussen) waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in eigendom heeft (of het personeel waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in dienst heeft), zodat de gemeenten dit ook niet hebben hoeven toetsen.
- c.
De grieven 1 en 2 van Taxi Horn slagen niet.
Deze oordelen zijn om elk van de volgende separaat en gezamenlijk te beschouwen redenen rechtens onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
- 1.
Het gerechtshof heeft er onvoldoende oog voor gehad dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘het HvJ’) in zijn arrest van 10 november 2022 in deze zaak, bindend een niet van de aanbestedingsdocumentatie van de Gemeenten afhankelijke voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de inschrijving van (hier:) Kupers heeft geformuleerd, zodat het gerechtshof met zijn aanpak van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan.
- 2.
De vaststelling door het gerechtshof dat volgens Taxi Horn Kupers niet met eigen middelen aan de geschiktheidseisen voldoet omdat de voorgeschreven bussen niet bij haar in eigendom zijn, is in haar onvolledigheid feitelijk onjuist en daarmee onbegrijpelijk. Indien het gerechtshof heeft gemeend dat de aangehaalde stellingen van Taxi Horn niet relevant zijn, is het gerechtshof, gelet op klachtonderdeel 1 hiervoor, van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.
Hierna licht Taxi Horn deze klacht toe en werkt zij deze uit.
Toelichting klacht 1
1.1.
Het gerechtshof heeft zijn oordeel, kort gezegd, dat de gemeenten niet hebben hoeven toetsen of Kupers de middelen waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in eigendom heeft, erop gebaseerd dat in de aanbestedingsdocumentatie van de Gemeenten, niet is voorgeschreven dat de inschrijver de middelen waarmee de opdracht wordt uitgevoerd in eigendom heeft.
1.2.
Door dat oordeel aldus te motiveren heeft het gerechtshof er onvoldoende oog voor gehad dat het HvJ in zijn arrest van 10 november 2022 in deze zaak, een niet van de aanbestedingsdocumentatie van de Gemeenten afhankelijke voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de inschrijving van een vennootschap onder firma, althans de betrouwbaarheid van een vennootschap onder firma (hier: Kupers) heeft geformuleerd.
1.3.
Die voorwaarde luidt, samengevat weergeven, dat een vennootschap onder firma bij de aanbestedende dienst alleen haar eigen Uniform Europees Aanbestedingsdocument(UEA) hoeft in te dienen, wanneer zij voornemens is individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht deel te nemen of een inschrijving in te dienen en aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren.
1.4.
Ter onderbouwing van haar stelling dat hier sprake is van een niet van de aanbestedingsdocumentatie van de Gemeenten afhankelijke voorwaarde voor de toelaatbaarheid van de inschrijving van Kupers, wijst Taxi Horn op de en citeert, met onderstrepingen van haar advocaat, uit de volgende rechtspraak.
- a.
De conclusie van 30 maart 2007, onder 3.6.3, voorafgaand aan Hoge Raad 22 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA1828.
‘3.6.3
Naar ik meen, heeft het hof de mogelijkheid van een beroep op de bekwaamheden van een derde zoals [A] niet gebaseerd op een bepaalde (ruime) uitleg van art. 3.3 van het selectiedocument (en van het daarin gehanteerde begrip ‘onderaannemer’), maar op de mogelijkheid van inschakeling van derden, zoals die rechtstreeks uit het Europese aanbestedingsrecht voortvloeit (vergelijk rov. 6, op één na laatste volzin en de daarin voorkomende zinsnede ‘gelet op het Europese aanbestedingsrecht’). Bij die stand van zaken kan voor de gelding van een eis die het communautaire aanbestedingsrecht als voorwaarde voor de toelaatbaarheid van een beroep op de bekwaamheden van een derde als [A] stelt(25), niet beslissend zijn dat het selectiedocument daarover zwijgt. De ervaring van een derde als [A] kan naar mijn mening bij de beoordeling of aan de kwalitatieve selectiecriteria is voldaan, slechts dan op grond van de hiervoor reeds besproken rechtspraak (en buiten het selectiedocument om) in aanmerking worden genomen, als de daadwerkelijke beschikbaarheid van de betrokken derde voor het beoogde werk is aangetoond, óók als het selectiedocument daarover zwijgt (en óók als het selectiedocument een vergelijkbare eis niet stelt met betrekking tot een aangemelde onderaannemer die binnen het raam van de uitdrukkelijk door dat document voorziene versoepeling van het zelfvereiste een bepaalde ervaringseis zelfstandig vervult). Door de (niet van het selectiedocument afhankelijke) gelding van de in de Europese rechtspraak geformuleerde voorwaarde voor de toelaatbaarheid van een beroep op de bekwaamheden van een derde te miskennen, heeft het hof naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, zodat de daarop gerichte klacht van subonderdeel 5c slaagt.
25 HvJ EG 2 december 1999, zaak C-176/98 (Holst Italia), Jurispr. 1999, p. I-8607, punt 28:
‘Een dergelijk beroep op referenties van derden is echter niet onder alle omstandigheden toegestaan. (…)’’
- b.
Hoge Raad 22 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA1828, onder 3.5.2.
‘3.5.2
Zoals in de onder 3.2.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) steeds is benadrukt, mogen gegadigden voor een overheidsopdracht niet worden uitgesloten van deelneming aan een aanbestedingsprocedure op de enkele grond dat zij bij de uitvoering van de beoogde opdracht een beroep willen doen op een of meer derden en hun technische bekwaamheden. Dit geldt ongeacht de juridische aard van de met die derden bestaande banden, zij het dat de gegadigden dienen te bewijzen dat zij werkelijk kunnen beschikken over de hun ten dienste staande, niet aan henzelf toebehorende middelen die voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk zijn. Een dienovereenkomstige regel is neergelegd in art. 48 lid 3 van Richtlijn 2004/18 EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, Pb EU 2004, L 134/114 en in art. 49 lid 3 van het tot implementatie van onder meer genoemde richtlijn strekkende Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Stb. 2005, 408), dat op 1 december 2005 in werking is getreden. De zojuist weergegeven rechtspraak van het HvJEG heeft louter tot strekking zeker te stellen dat een gegadigde voor een overheidsopdracht daadwerkelijk kan beschikken over de voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijke middelen en vaardigheden van derden die hij, zoals hem vrijstaat, voornemens is in te zetten bij die uitvoering. Zij biedt geen aanknopingspunt voor de door de Staat verdedigde opvatting dat een gegadigde zich ten aanzien van een ervaringseis niet mag beroepen op de vaardigheden van direct dan wel indirect met hem verbonden derden die slechts tezamen aan die eis voldoen. Veeleer impliceert die opvatting een niet met voormelde strekking te verenigen beperking van de vrijheid van de gegadigde om derden in te zetten bij de uitvoering van de opdracht. De onderdelen 1–4 falen.’
- c.
Rechtbank Maastricht, 9 juli 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BA9093, onder 3.3.
‘3.3
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geldt dat wanneer een onderneming, om tot een aanbestedingsprocedure te worden toegelaten, ten bewijze van haar technische bekwaamheid naar de bekwaamheden van ondernemingen verwijst waarmee zij rechtstreekse of indirecte banden heeft, zij dient te bewijzen dat zij werkelijk kan beschikken over de haar ten dienste staande, niet aan haarzelf toebehorende middelen die voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk zijn (HvJ EG 2 december 1999, zaak C-176/98 (Holst Italia). Deze rechtspraak stelt in een geval als het onderhavige dwingend, en ongeacht de inhoud van het selectie-document, als voorwaarde voor toelating dat een gegadigde bewijst dat hij werkelijk kan beschikken over de hem ten dienste staande, niet aan hemzelf toebehorende middelen die voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk zijn. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 juni 2007 (LJN: BA1828).’
1.5.
Het arrest van het HvJ in deze zaak is bindend voor het gerechtshof (zie HvJ 24 juni 1969, 29–68, onder ‘I — Ten aanzien van 's Hofs bevoegdheid’).
1.6.
Taxi Horn heeft, onder 4. tot en met 6. bij akte van 21 februari 2023, ter beantwoording van de door haar opgeworpen vraag (arrest onder 2.4, arrest van 1 juni 2021 onder 5.2.) of de Gemeenten Kupers op basis van alleen haar UAE met recht tot de aanbestedingsprocedure hebben toegelaten en haar de opdracht hebben gegund, zakelijk weergegeven, het volgende gesteld.
- a.
Voor de beoordeling of Kupers mocht volstaan met één UEA (alleen voor zichzelf), is relevant of Kupers bij inschrijving heeft beoogd met eigen middelen (personeel en materieel) de opdracht uit te zullen voeren (en dus niet met de middelen van haar vennoten of van derden).
- b.
Relevant is of de gemeente dit bij aanbesteding getoetst heeft, gelet op het door de gemeenten consequent gevoerde verweer, dat Kupers mocht volstaan met één UEA omdat zij een zelfstandige onderneming zou zijn. Taxi Horn gaat er vanuit dat de gemeenten die toets nooit verricht hebben, alsmede dat de gemeenten nooit verder hebben gekeken dan hun eigen argumentatie dat er sprake zou zijn van één onderneming.
- c.
De Gemeenten hadden, bij de beoordeling van de bieding van Kupers, aan de hand van de VOF-overeenkomst van Kupers, moeten toetsen in welke mate middelen aan het afgescheiden vermogen van de vennootschap onder firma aan Kupers zijn toebedeeld.
1.7.
Hiermee heeft Taxi Horn kennelijk vooral gesteld dat de Gemeenten ervan hadden moeten uitgaan dat Kupers heeft beoogd met eigen middelen (personeel en materiaal) de opdracht uit te voeren, dat de Gemeenten hadden moeten toetsen of Kupers had aangetoond daartoe in staat te zijn en dat de Gemeenten hebben nagelaten dit te doen.
1.8.
In zoverre is de vaststelling door het gerechtshof onder 2.7 dat volgens Taxi Horn Kupers niet met eigen middelen aan de geschiktheidseisen voldoet omdat de voorgeschreven bussen niet bij haar in eigendom zijn (zie de klacht onder a.), in haar onvolledigheid feitelijk onjuist en daarmee onbegrijpelijk. Indien het gerechtshof heeft gemeend dat de aangehaalde stellingen van Taxi Horn niet relevant zijn, is het gerechtshof, zoals hierna zal blijken, van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.
1.9.
Gelet op de bindende kracht van het arrest van het HvJ en de aangehaalde stellingen van Taxi Horn had het gerechtshof behoren te oordelen dat:
- a.
Kupers met indiening van een UEA heeft volstaan en daarom had beoogd of geacht moet worden te hebben beoogd individueel haar inschrijving in te dienen,
- b.
de Gemeenten de inschrijving van, ten tijde van de inschrijving, althans voorafgaan aan de gunning in het kader van de toelaatbaarheid van die inschrijving dan wel van de betrouwbaarheid van Kupers en ongeacht de selectievoorwaarden van de Gemeenten, hadden moeten nagaan of Kupers had aangetoond dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kon uitvoeren.
1.10.
Tevens had het gerechtshof hierom behoren na te gaan of de Gemeenten de onder 1.9.b. hiervoor genoemde toets hadden aangelegd.
1.11.
De Gemeenten hadden tenslotte, om de betrouwbaarheid van Kupers te toetsen, die voornemens was (of geacht moet worden dat te zijn) individueel aan de procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht deel te nemen of een inschrijving in te dienen, moeten nagaan of Kupers had aangetoond de betrokken opdracht te kunnen kon uitvoeren met uitsluitend eigen personeel en materieel en dat zij daarover vrijelijk kon beschikken.
1.12.
Uit het arrest blijkt dat het gerechtshof niet heeft vastgesteld dat de Gemeenten de toets als hiervoor genoemd hebben uitgevoerd. Dat betekent dat het oordeel van het gerechtshof dat de grieven 1 en 2 van Taxi Horn niet slagen, niet in stand kan blijven.
1.13.
Hierom dient het arrest te worden vernietigd.
Klacht 2
Onder 2.8. heeft het gerechtshof geoordeeld als hierna schematisch en samengevat weergegeven.
- a.
Uit de overweging van het hof van Justitie EU dat de inschrijver aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, volgt bovendien niet dat een inschrijver steeds het materieel dat voor het uitvoeren van de opdracht nodig is, in eigendom moet hebben.
- b.
Daarvoor volstaat dat de inschrijver de overeenkomst kan uitvoeren met middelen (personeel en materieel) waarover zij vrijelijk kan beschikken. Een inschrijver beschikt niet alleen vrijelijk over materieel wanneer het in eigendom is maar bijvoorbeeld ook wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleaset.
- c.
Dat Kupers beschikt over de benodigde vergunning en ook over voldoende bussen beschikt, in de hiervóór bedoelde zin, om de overeenkomst te kunnen uitvoeren en dat Kupers dat zelfstandig financiert, is niet in geschil.
- d.
Dat dit ten tijde van de inschrijving niet zo zou zijn geweest. of niet zou zijn aangetoond, heeft Taxi Horn niet (voldoende) gesteld. Taxi Horn heeft ook niet (voldoende) gesteld dat Kupers niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht (zonder van de financiering van derden afhankelijk te zijn) over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door ze te huren of te leasen.
- e.
Dat betekent dat [betrokkene 1] als volledig gevolmachtigde namens Kupers het UEA heeft mogen ondertekenen en dat daarnaast niet nog een door een van de vennoten of door beide vennoten ondertekende UAE was vereist.
- f.
De grieven 1 en 2 van Taxi Horn slagen niet.
Deze oordelen zijn om elk van de volgende separaat en gezamenlijk te beschouwen redenen rechtens onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
- 1.
Het gerechtshof heeft in strijd met zijn uit het arrest van het HvJ volgende verplichting daartoe, niet vastgesteld of de Gemeenten de inschrijving van Kupers op de door het HvJ onder 53 van zijn arrest en in het dictum aldaar bepaalde manier hebben beoordeeld, maar wel beoordeeld of Kupers vrijelijk kon beschikken over het materieel dat voor de opdracht benodigd is, terwijl uit het arrest van het HvJ niet volgt dat het gerechtshof met de beoordeling die het gerechtshof heeft gehanteerd, heeft kunnen beslissen dat Kupers met indiening van een UEA voor alleen zichzelf heeft kunnen volstaan.
- 2.
De overweging van het gerechtshof dat een inschrijver niet alleen vrijelijk over materieel beschikt wanneer het in eigendom is maar bijvoorbeeld ook wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleaset, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel van een onjuiste interpretatie van het arrest van het HvJ.
- 3.
Het gerechtshof heeft ten onrechte geoordeeld dat Kupers, op grond van (eigendom,) huur of lease (op eigen draagkracht) vrijelijk kon beschikken over het materieel dat voor de uitvoering van de opdracht benodigd is, omdat uit niets van wat het gerechtshof heeft overwogen blijkt dat de Gemeenten voorafgaand aan de gunning hebben geoordeeld dat Kupers, om haar betrouwbaarheid aan te tonen, zulks heeft aangetoond.
- 4.
Het gerechtshof is ten onrechte uitgegaan van de rechtsopvatting dat ook andere rechtsvormen dan eigendom kunnen leiden tot het oordeel dat Kupers vrijelijk over het benodigde materieel kon beschikken.
- 5.
De opvatting van het gerechtshof dat een inschrijver vrijelijk over materieel beschikt wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleaset en, kennelijk, dat aldus een inschrijver met indiening van alleen zijn UEA kan volstaan, is rechtens onjuist.
Hierna licht Taxi Horn deze klacht toe en werkt zij deze uit.
Toelichting klacht 2
2.1.
Het HvJ heeft onder 53 in zijn arrest overwogen, samengevat weergegeven, dat een gemeenschappelijke onderneming, zoals een vennootschap onder firma in de zin van het Nederlandse recht, om haar betrouwbaarheid aan te tonen, enkel moet worden geacht individueel aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht te willen deelnemen of een inschrijving te willen indienen, indien zij aantoont dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, dat wil zeggen met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen en waarover zij vrijelijk kan beschikken, alsmede dat in een dergelijk geval deze vennootschap ermee kan volstaan alleen haar eigen UEA bij de aanbestedende dienst in te dienen.
2.2.
Onder 54 van zijn arrest heeft het HvJ overwogen dat het in dit verband aan de verwijzende rechter staat om na te gaan in hoeverre in geval van een dergelijke vennootschap, gelet op de bijzondere kenmerken van haar rechtsvorm als maatschap en de banden tussen haar en haar gezamenlijke vennoten, van bovengenoemde situatie sprake is.
2.3.
Aldus heeft het HvJ bepaald dat:
- a.
een gemeenschappelijke onderneming, om haar betrouwbaarheid aan te tonen, alleen ermee kan volstaan haar eigen UEA bij de aanbestedende dienst in te dienen, als een gemeenschappelijke onderneming aantoont:
- 1.
dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, dat wil zeggen met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen,
- 2.
dat zij daarover vrijelijk kan beschikken.
- b.
de verwijzende rechter moet nagaan in hoeverre van bovengenoemde situatie sprake is.
2.4.
Aldus en mede gelet op de ontkennende stellingen terzake van Taxi Horn (zie onder 4. tot en met 6. bij akte van 21 februari 2023), had het gerechtshof behoren na te gaan of Kupers tegenover de Gemeenten had aangetoond dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren en dat zij daarover vrijelijk kan beschikken.
2.5.
Het gerechtshof heeft niet vastgesteld dat de Gemeenten de inschrijving van Kupers, aan de hand van stellingen van Kupers ten tijde van de inschrijving althans voorafgaand aan de gunning, op de zo-even genoemde manier hebben beoordeeld. Daarentegen heeft het gerechtshof aan de hand van stellingen van de Gemeenten en dus niet van Kupers, beoordeeld of Kupers vrijelijk kon beschikken over het materieel dat voor de opdracht benodigd is. Hiermee heeft het gerechtshof er dan ook onvoldoende oog voor gehad dat het gerechtshof uit kracht van het arrest van het HvJ, had behoren te beoordelen of de Gemeenten de inschrijving van Kupers op de juiste manier heeft beoordeeld. Het gerechtshof is aldus van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan.
2.6.
Voorts getuigt de overweging van het gerechtshof dat een inschrijver niet alleen vrijelijk over materieel beschikt wanneer het in eigendom is maar bijvoorbeeld ook wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleaset, van een onjuiste rechtsopvatting dan wel van een onjuiste interpretatie van het arrest van het HvJ.
2.7.
Uit de voornoemde overwegingen van het HvJ vloeit namelijk voort dat het gerechtshof ter beantwoording van de vraag of Kupers had aangetoond dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kan uitvoeren, had behoren te onderzoeken of de Gemeenten hebben getoetst of Kupers de betrokken opdracht kan uitvoeren met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen in de zin dat, zoals het gerechtshof kennelijk en met recht heeft verondersteld, sprake is van eigendom van die middelen.
2.8.
Omdat aldus sprake moet zijn van eigendom aan de zijde van Kupers, kon het gerechtshof niet met recht uitgaan van de opvatting dat ook andere rechtsvormen kunnen leiden tot het oordeel dat Kupers vrijelijk over het benodigde materieel kon beschikken. In dat licht bezien is de wijze waarop Kupers de desbetreffende contractuele relaties zou hebben gefinancierd, rechtens irrelevant, anders dan waarvan het gerechtshof is uitgegaan.
2.9.
Evenmin kon het gerechtshof met juistheid oordelen dat Kupers, op grond van eigendom, huur of lease (op eigen draagkracht) vrijelijk kon beschikken over het materieel dat voor de uitvoering van de opdracht benodigd is. Het gerechtshof heeft namelijk ten onrechte niet vastgesteld dat de Gemeenten voorafgaand aan de gunning hebben geoordeeld dat Kupers, om haar betrouwbaarheid aan te tonen (zie ook arrest HvJ onder 49), zulks heeft aangetoond.
2.10.
De opvatting van het gerechtshof dat een inschrijver vrijelijk over materieel beschikt wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleaset en, kennelijk, dat aldus een inschrijver met indiening van alleen zijn UEA kan volstaan, is rechtens onjuist.
2.11.
Uit de volgende rechtspraak van het HvJ waaruit Taxi Horn hierna citeert, volgt namelijk dat wanneer een onderneming, om tot een aanbestedingsprocedure te worden toegelaten, ten bewijze van haar technische bekwaamheid en financiële en economische draagkracht naar de bekwaamheden van ondernemingen of rechtssubjecten verwijst waarmee zij rechtstreekse of indirecte banden heeft, zij, ongeacht de juridische aard van die banden, dient te bewijzen dat zij werkelijk kan beschikken over de hen ten dienste staande, niet aan haarzelf toebehorende middelen die voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk zijn."
- a.
Hof van Justitie EU 14 april 1994, C-389/92 (Ballast Nedam I)
- ‘18.
Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat (…) bij de beoordeling van de criteria waaraan een aannemer moet voldoen bij het onderzoek van een erkenningsaanvraag ingediend door een dominerende rechtspersoon van een groep, rekening kan worden gehouden met de vennootschappen die van deze groep deel uitmaken, voor zover de betrokken rechtspersoon aantoont dat hij werkelijk kan beschikken over de middelen van deze vennootschappen die voor de uitvoering van de opdrachten noodzakelijk zijn. Het staat aan de nationale rechter, te onderzoeken of dit bewijs in de hoofdzaak is geleverd.’
- b.
Hof van Justitie EU 2 december 1999, C-176/98 (Holst Italia)
- ‘26.
Zowel uit het doel als uit de bewoordingen van die bepalingen blijkt dus, dat een persoon niet van deelneming aan een procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor diensten kan worden uitgesloten op de enkele grond, dat hij voor de uitvoering van de opdracht middelen wil inzetten, die niet hemzelf, maar aan een of meerdere andere entiteiten ter beschikking staan.
- 27.
Een dienstverlener die niet zelf aan de minimumvoorwaarden voor deelneming aan de aanbestedingsprocedure voor een opdracht voor diensten voldoet, kan zich dus tegenover de aanbestedende dienst beroepen op de bekwaamheden van derden van wie hij gebruik wil maken indien de opdracht hem wordt gegund.
- 28.
Een dergelijk beroep op referenties van derden is echter niet onder alle omstandigheden toegestaan. Gelijk artikel 23 van richtlijn 92/50 preciseert, moet de aanbestedende dienst immers de geschiktheid van de dienstverleners toetsen aan de opgesomde criteria. Deze toetsing beoogt de aanbestedende dienst met name de garantie te geven, dat de inschrijvende onderneming tijdens de uitvoering van de opdracht inderdaad gebruik kan maken van de soorten middelen waarover hij stelt te beschikken.
- 29.
Wanneer een onderneming, om tot een aanbestedingsprocedure te worden toegelaten, ten bewijze van haar technische bekwaamheid en financiële en economische draagkracht naar de bekwaamheden van ondernemingen of rechtssubjecten verwijst waarmee zij rechtstreekse of indirecte banden heeft, dient zij dus, ongeacht de juridische aard van die banden, te bewijzen dat zij werkelijk kan beschikken over de hen ten dienste staande, niet aan haarzelf toebehorende middelen die voor de uitvoering van de opdracht noodzakelijk zijn.’
- c.
Hof van Justitie EU 18 december 1997, C-5/97 (Ballast Nedam II)
- ‘14.
Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, (…), dat de instantie die bevoegd is te beslissen over een erkenningsaanvraag van een dominerende rechtspersoon van een groep, bij de beoordeling van de geschiktheid van die rechtspersoon overeenkomstig de criteria van de artikelen 23 tot en met 28 van richtlijn 71/305, verplicht is rekening te houden met de referenties van de vennootschappen van die groep, wanneer het bewijs wordt geleverd dat die rechtspersoon werkelijk kan beschikken over de middelen van de vennootschappen van de groep die voor de uitvoering van de opdrachten noodzakelijk zijn.’
- d.
Hof van Justitie EU 18 maart 2004, C-314/01 (Siemens Österreich)
- ‘45.
Zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen op goede gronden heeft opgemerkt, is een verbod of beperking van onderaanneming voor de uitvoering van wezenlijke onderdelen van de opdracht niet in strijd met richtlijn 92/50 wanneer juist de aanbestedende dienst niet in staat is geweest om bij het onderzoek van de offertes en de selectie van de beste inschrijver de technische bekwaamheid en de economische draagkracht van de onderaannemers na te gaan.’
- e.
Hof van Justitie EU 26 september 2019, C-63/18, ECLI:EU:C:2019:787
- ‘27.
Volgens vaste rechtspraak en zoals blijkt uit overweging 78 van richtlijn 2014/24, is het immers in het belang van de Unie dat de openstelling van overheidsopdrachten voor mededinging wordt versterkt. Het beroep op onderaanneming, dat de toegang van ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf tot overheidsopdrachten kan bevorderen, draagt bij tot de verwezenlijking van deze doelstelling (zie in die zin arrest van 5 april 2017, Borta, C-298/15, EU:C:2017:266, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 28.
Voorts heeft het Hof in punt 35 van het arrest van 14 juli 2016, Wrocław — Miasto na prawach powiatu (C-406/14, EU:C:2016:562), dat betrekking had op de uitlegging van richtlijn 2004/18, geoordeeld dat een beding in het bestek van een overheidsopdracht voor de uitvoering van werken dat het beroep op onderaannemers op abstracte wijze beperkt tot een bepaald percentage van de opdracht, en dit ongeacht de mogelijkheid de bekwaamheid en de draagkracht van de eventuele onderaannemers na te gaan en zonder vermelding van de wezenlijke aard van de betrokken taken, niet verenigbaar is met deze richtlijn, die van toepassing was in het geding dat tot dat arrest heeft geleid.
- 29.
Dienaangaande zij erop gewezen dat artikel 71 van richtlijn 2014/24 de inhoud van artikel 25 van richtlijn 2004/18 weliswaar in wezen overneemt, maar ook aanvullende regels inzake onderaanneming vaststelt. Dit artikel 71 voorziet met name in de mogelijkheid voor de aanbestedende dienst om de inschrijver te verzoeken, of zelfs om door de lidstaat te worden verplicht hem te verzoeken, aan te geven of hij voornemens is een beroep te doen op onderaanneming, en om onder bepaalde voorwaarden rechtstreeks betalingen aan de onderaannemer te verrichten voor diensten, leveringen of werken aan de hoofdaannemer. Voorts bepaalt artikel 71 dat de aanbestedende diensten kunnen controleren, of door de lidstaten verplicht worden te controleren, of er gronden voor uitsluiting van onderaannemers in de zin van artikel 57 van deze richtlijn voorhanden zijn, die met name verband houden met deelname aan een criminele organisatie, omkoping of fraude.
- 30.
Uit de wens van de Uniewetgever om met de vaststelling van een dergelijke regeling nauwkeuriger af te bakenen in welke gevallen de inschrijver een beroep doet op onderaanneming, kan echter niet worden afgeleid dat de lidstaten voortaan de mogelijkheid hebben om het beroep op onderaannemers op abstracte wijze te beperken tot een bepaald percentage van de opdracht, zoals het geval is met de door de betrokken regeling in het hoofdgeding opgelegde beperking.’
2.12.
Omdat aldus moet worden geoordeeld dat ingeval van huur of lease ook sprake is van een beroep op de draagkracht van een derde, heeft het gerechtshof niet met recht kunnen oordelen, wat het gerechtshof wel heeft gedaan, dat de Gemeenten mocht menen dat Kupers met de indiening van alleen een UEA voor zichzelf heeft kunnen volstaan.
2.13.
Hierom kan het arrest niet in stand blijven.
Klacht 3
Onder 2.8. heeft het gerechtshof onder meer geoordeeld zoals hierna schematisch en samengevat weergegeven.
- a.
Dat Kupers beschikt over de benodigde vergunning en ook over voldoende bussen beschikt, in de hiervóór bedoelde zin, om de overeenkomst te kunnen uitvoeren en dat Kupers dat zelfstandig financiert, is niet in geschil.
- b.
Dat dit ten tijde van de inschrijving niet zo zou zijn geweest, of niet zou zijn aangetoond, heeft Taxi Horn niet (voldoende) gesteld. Taxi Horn heeft ook niet (voldoende) gesteld dat Kupers niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht (zonder van de financiering van derden afhankelijk te zijn) over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door ze te huren of te leasen.
- c.
Dat betekent dat [betrokkene 1] als volledig gevolmachtigde namens Kupers het UEA heeft mogen ondertekenen en dat daarnaast niet nog een door een van de vennoten of door beide vennoten ondertekende UAE was vereist.
- d.
De grieven 1 en 2 van Taxi Horn slagen niet.
Deze oordelen zijn om elk van de volgende separaat en gezamenlijk te beschouwen redenen rechtens onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
- 1.
Door aldus en kennelijk te oordelen dat niet in geschil is dat Kupers beschikt over de benodigde vergunning en over voldoende bussen doordat zij het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) huurt of leaset, is het gerechtshof buiten de rechtsstrijd getreden, heeft hij een onbegrijpelijke uitleg aan de relevante stellingen terzake van de Gemeenten gegeven, dan wel heeft het gerechtshof Taxi Horn ten onrechte geen gelegenheid geboden daarop te reageren.
- 2.
Met zijn kennelijke oordeel dat Taxi Horn ook niet (voldoende) heeft gesteld dat Kupers niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht (zonder van de financiering van derden afhankelijk te zijn) over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door ze te huren of te leasen, is het gerechtshof van de onjuiste rechtsopvatting uitgegaan dat de stelplicht (en bewijslast) op deze punten op Taxi Horn rust.
Hierna licht Taxi Horn deze klacht toe en werkt zij deze uit.
Toelichting klacht 3
3.1.
Met de zinsnede ‘in de hiervóór bedoelde zin’ zal het gerechtshof hebben gedoeld op zijn direct daaraan voorafgaande overweging dat een inschrijver beschikt (niet alleen) vrijelijk over materieel wanneer het in eigendom is maar bijvoorbeeld ook) wanneer het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) wordt gehuurd of geleaset.
3.2.
Onder 2.7. arrest had het gerechtshof namelijk vastgesteld dat Taxi Horn de bussen waarmee Kupers de opdracht uitvoert, niet bij haar in eigendom zijn, zodat de eigendomssituatie van de bussen wel in geschil was. Een andere opvatting van het gerechtshof zou onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn.
3.3.
Door aldus en kennelijk te oordelen dat niet in geschil is dat Kupers beschikt over de benodigde vergunning en over voldoende bussen doordat zij het materieel op eigen draagkracht (zonder voor de financiering daarvan afhankelijk te zijn van derden) huurt of leaset, is het gerechtshof buiten de rechtsstrijd getreden of heeft hij een onbegrijpelijke uitleg aan de relevante stellingen terzake van de Gemeenten gegeven, dan wel heeft het gerechtshof Taxi Horn ten onrechte geen gelegenheid geboden daarop te reageren. Taxi Horn bespreekt hiertoe de relevante stellingen.
3.4.
De Gemeenten hebben zich beperkt, bij akte van 18 april 2023, tot de stelling onder 54. en 56. dat vrijelijk kunnen beschikken over personeel en bussen in vele juridische verschijningsvormen, waaronder, als het bussen gaat, lease en huur. Onder 58. aldaar hebben de Gemeenten, zij het slechts in hypothetische zin, gesproken over inhuur van personeel en huur van bussen. Onder 59. hebben de Gemeenten, met verwijzing naar productie 9 aldaar, gesteld dat Kupers ‘in het licht van het arrest van het HvJ’ tegenover de Gemeenten gesteld te beschikken over voldoende personeel en bussen, dat haar personeel bij haar in dienst is en dat zij exclusief over 88 bussen kan beschikken. Onder 72. Hebben de Gemeenten, in zinspelende zin, gesteld dat Taxi Horn miskent dat de 88 bussen waarover zij beschikt, niet in eigendom van Kupers hoeven te zijn en onder 75., ten aanzien van de kentekenbewijzen, dat Kupers ‘wettelijk wordt verondersteld’ houder van de desbetreffende voertuigen te zijn.
3.5.
In deze verkort weergegeven stellingen van de Gemeenten heeft het gerechtshof in redelijkheid niet kunnen lezen dat de Gemeenten hebben aangevoerd dat Kupers de bussen onder gelding van een lease- dan wel huurovereenkomst gebruikt en dat zij voor de financiering daarvan niet op anderen hoeft terug te vallen. Voor zover de Hoge Raad zou menen dat het gerechtshof wel in die stellingen voldoende basis heeft kunnen vinden voor zijn hier bestreden oordeel, moet volgens Taxi Horn worden vastgesteld dat het gerechtshof haar ten onrechte geen reactiemogelijkheid heeft geboden; partijen hebben tenslotte na de voornoemde akte van de Gemeenten niet nader gedebatteerd maar arrest gevraagd (Hoge Raad 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3800, NJ 2003, 442, onder 3.4).
3.6.
Met het woord ‘dit’ in de eerste volzin van de onder b. van de klacht weergegeven overweging, zal het gerechtshof hebben willen verwijzen naar de daaraan voorafgaande, hier samengevat weergegeven overweging dat Kupers beschikt over de benodigde vergunning en over voldoende bussen, in de zin dat Kupers als inschrijver vrijelijk beschikte over het voor de opdracht benodigde materieel doordat Kupers dit op eigen draagkracht huurt of leaset.
3.7.
Zo bezien heeft het gerechtshof kennelijk geoordeeld dat Taxi Horn niet (voldoende) heeft gesteld dat Kupers ten tijde van de inschrijving niet beschikte over de benodigde vergunning en over voldoende bussen, in de zin dat Kupers als inschrijver vrijelijk beschikte over het voor de opdracht benodigde materieel doordat Kupers dit op eigen draagkracht huurde of leasete.
3.8.
Aldus en met zijn oordeel dat Taxi Horn ook niet (voldoende) heeft gesteld dat Kupers niet in staat zou zijn (geweest) op eigen draagkracht (zonder van de financiering van derden afhankelijk te zijn) over de bussen te beschikken, bijvoorbeeld door ze te huren of te leasen, is het gerechtshof van de onjuiste rechtsopvatting uitgegaan dat de stelplicht (en bewijslast) op deze punten op Taxi Horn rust.
3.9.
Immers, op grond van het arrest van het HvJ in deze zaak:
- a.
waren de Gemeenten gehouden te beoordelen of Kupers, die ermee had volstaan haar eigen UEA bij de Gemeenten in te dienen, om haar betrouwbaarheid aan te tonen, had aangetoond:
- 1.
dat zij de betrokken opdracht met uitsluitend eigen personeel en materieel kon uitvoeren, dat wil zeggen met de middelen die haar gezamenlijke vennoten overeenkomstig de vennootschapsovereenkomst aan haar hebben overgedragen,
- 2.
dat zij daarover vrijelijk kan beschikken;
- b.
was het gerechtshof als de verwijzende rechter gehouden na te gaan in hoeverre van bovengenoemde situatie sprake is.
3.10.
Als op het in dit bestreden oordeel genoemde punt al een stel- en bewijsplicht van toepassing zijn, rust deze op de Gemeenten. Veel meer echter meent Taxi Horn op grond van het arrest van het HvJ dat, zoals in de voorgaande klachten betoogd, het werkelijke debat op een ander vlak dient plaats te hebben, namelijk en kort gezegd of het gerechtshof heeft vastgesteld dat de Gemeenten aan haar plicht heeft voldaan om te toetsen of Kupers met de indiening van haar enkele UEA heeft kunnen volstaan. Taxi Horn heeft dit een en ander gemotiveerd betwist en daarmee aan haar stelplicht voldaan; tot meer was zij niet gehouden.
3.11.
Hierom kan het arrest niet in stand blijven.
Slotsom
Op grond van de voorgaande klacht kunnen de overige vaststellingen en beslissingen niet in stand blijven en dient het arrest te worden vernietigd.
Naar de mening van Taxi Horn kan de Hoge Raad de zaak na vernietiging zelf afdoen, door vast te stellen dat de Gemeenten de toets die het HvJ heeft voorgeschreven, niet hebben uitgevoerd, dat de grieven 1 en 2 van Taxi Horn slagen.
De Gemeenten hebben namelijk niet gesteld dat zij een toets hebben uitgevoerd als door het HvJ (zie hierboven onder 1.9.) voorgeschreven. De Gemeenten hebben wel — en ten onrechte — aangevoerd dat zij niet verplicht waren een dergelijke toets uit te voeren en het aan het HvJ hebben verweten van een onjuist begrip van de feiten te zijn uitgegaan. Zie name paragraaf III. van de akte van 18 april 2023 van de Gemeenten en dat wat de Gemeenten onder 27., 33. en 34. aldaar hebben aangevoerd.
Voorts kan de Hoge Raad volgens Taxi Horn op grond van artikel 149 lid 1 Rv de juistheid van de stelling van Taxi Horn onder 4. tot en met 6. bij akte van 21 februari 2023 vaststellen, dat de Gemeenten niet bij aanbesteding hebben getoetst of Kupers bij inschrijving heeft beoogd met eigen middelen de opdracht uit te zullen voeren, omdat de Gemeenten die stelling met hun akte van 18 april 2023 (onder 47., 48. en 73) niet hebben weersproken.
Als de Hoge Raad de zaak zelf zou afdoen, zou de Hoge Raad volgens Taxi Horn, de Gemeenten (zie arrest van 1 juni 2021 onder 5.2.) hoofdelijk in de proceskosten van Taxi Horn in eerste en tweede aanleg dienen te veroordelen, Kupers in de proceskosten van Taxi Horn in eerste aanleg dienen te veroordelen en de Gemeenten respectievelijk Kupers te veroordelen de eventueel door Taxi Horn aan (ieder van) hen betaalde proceskostenvergoeding tot betaling waarvan Taxi Horn in eerste aanleg is veroordeeld, aan Taxi Horn terug te betalen.
Vordering
Taxi Horn vordert dat de Hoge Raad het arrest vernietigt en zodanige verdere uitspraak geeft als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, waaronder zo nodig een beslissing tot het stellen van préjudiciële vragen aan het HvJ, dat de Hoge Raad de Gemeenten en Kupers hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten van Taxi Horn en dat de Hoge Raad de Gemeenten hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de Hoge Raad begroten proceskosten, te berekenen vanaf 14 dagen na de datum van het in deze zaak te wijzen arrest van de Hoge Raad.
Advocaat bij de Hoge Raad
Bronnen
Hof van Justitie EU 24 juni 1969, 29–68 (Milch-, Fett- und Eierkontor)
Hof van Justitie EU 14 april 1994, C-389/92 (Ballast Nedam I)
Hof van Justitie EU 18 december 1997, C-5/97 (Ballast Nedam II)
Hof van Justitie EU 2 december 1999, C-176/98 (Holst Italia)
Hof van Justitie EU 18 maart 2004, C-314/01 (Siemens Österreich)
Hof van Justitie EU 26 september 2019, C-63/18, ECLI:EU:C:2019:787 (Vitali/Autostrade per l'Italia)
Hoge Raad 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3800, NJ 2003, 442
Hoge Raad 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1828, conclusie
Rechtbank Maastricht, 9 juli 2007, ECLI:NL:RBMAA:2007:BA9093, onder 3.3.