Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.5.4:4.5.4 Implementatie in de Wet versterking positie slachtoffers
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/4.5.4
4.5.4 Implementatie in de Wet versterking positie slachtoffers
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces, Stb. 2010, 1.
Zie daarover bijvoorbeeld Van Schijndel 2006.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mede vanwege de evaluatie door de Europese Commissie van de implementatie van het kaderbesluit slachtofferzorg, maar ook vanwege de aanbevelingen van het onderzoeksproject Strafvordering 2001, stelde de Minister van Justitie in 2004 een conceptwetsvoorstel op met vrij fundamentele wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering, dat uiteindelijk leidde tot de Wet versterking positie slachtoffers in het strafproces.1 Of alle bepalingen van het kaderbesluit volledig zijn geïmplementeerd is nog niet duidelijk, maar het lijkt er op dat de Nederlandse omzetting terughoudend is.2
De wet sluit aan bij een algemene keuze die is gemaakt om het Wetboek van Strafvordering zo te wijzigen dat de posities van de verschillende procesdeelnemers beter worden vastgelegd. De wet heeft Titel IIIA in twee afdelingen gesplitst, waarvan de eerste is getiteld ‘rechten van het slachtoffer’ en de tweede ‘schadevergoeding’. De tweede afdeling bevat daarmee de voornaamste elementen die de voeging regelen. De eerste afdeling betreft meer in het algemeen de positie van het slachtoffer. Bepalingen over bijstand (artikel 51c Sv) en kennisneming van processtukken (artikel 51b Sv), die al in de wet waren opgenomen in het kader van de voeging, worden nu naar de eerste, meer algemene afdeling overgebracht. Wijzigingen die enige discussie hebben losgemaakt zijn de bij amendement ingevoegde bijwoningsplicht van de ouders of voogd van de verdachte (artikel 496 Sv), en de nog enigszins beperkte regeling waarbij de Staat de schadevergoeding die de dader aan het slachtoffer moet betalen kan voorschieten (artikel 36f Sv). Verder zijn opgenomen, en daarmee deels uit de beleidssfeer gehaald, bepalingen over een correcte bejegening, informatieplichten en het recht om te verzoeken dat documenten aan het dossier worden toegevoegd (delen van artikel 51a en 51b Sv).
Opvallend is wel dat tussen beide nieuwe afdelingen van Titel IIIA een verschil blijft bestaan. De bepalingen van de eerste afdeling zijn van toepassing op ‘het slachtoffer’, dat wordt gedefinieerd als ‘degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden’, waarmee rechtspersonen worden gelijkgesteld. De tweede afdeling laat tot de voeging toe ‘degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit’. De definities zijn niet gelijkluidend, en de groepen die eronder vallen lopen nog sterker uiteen door de verschillende manieren waarop nabestaanden daaronder kunnen worden begrepen (artikel 51d, 51e lid 2 en 3, en 51f Sv). Met de uiteenlopende definities wordt in ieder geval beoogd om verzekeraars niet de mogelijkheid te geven zich te voegen in het strafproces teneinde schadevergoeding te verkrijgen.
Deze wetswijziging zal tot op grote hoogte ook voldoende zijn als implementatie van de Richtlijn slachtofferzorg van 2012, maar helemaal zeker is dat niet. Wat betreft de rechten van het slachtoffer op grond van artikel 11 van de richtlijn, dus met betrekking tot de rechterlijke toetsing van de beslissing tot niet-vervolging, lijkt het Nederlandse recht geen aanpassing te behoeven. De procedure van beklag tegen niet-vervolging kan daartoe als voldoende worden gezien. In ieder geval is het belanghebbendebegrip dat daarvoor wordt gebruikt ruim genoeg om alle slachtoffers van strafbare feiten onder te vatten. Met betrekking tot het doen van beklag tegen een transactie maakt artikel 11 lid 5 van de richtlijn wetgevend optreden voor Nederland overbodig. Wanneer het slachtoffer op grond van de richtlijn wel het recht zou moeten hebben beklag in te dienen tegen het aangaan van een transactie, zou wetgevend optreden wel noodzakelijk zijn. Bij inwerkingtreding van de Wet om-afdoening is artikel 12k Sv namelijk aangepast aan de introductie van de strafbeschikking, zonder dat een overgangsregeling is getroffen om het beklag tegen de transactie nog tot de wettelijke mogelijkheden te laten behoren. Sindsdien bestaat geen wettelijk recht meer om beklag in te dienen tegen het transigeren door het om. Als het slachtoffer dat recht in de richtlijn zou zijn toegekend, zou aanvulling van artikel 12k Sv nodig zijn geweest.