Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.2.3.3:4.4.2.3.3 Overgang en uitoefening nevenrechten
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.2.3.3
4.4.2.3.3 Overgang en uitoefening nevenrechten
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931187:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de draagplicht in algemene zin hiervoor, par. 4.4.2.1.
Wibier 2020/12, die opmerkt dat “de gevolgen van overgang van vorderingen intreden zodra sprake is van daadwerkelijke overgang van de vordering”. Dat lijkt mij uiteraard juist. De vraag is echter wanneer de vordering overgaat.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 118 (TM).
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 527-528 (TM), waar wordt gesproken van “automatische overgang”. Zie voorts Booms 2019/728.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 531-532 (MvA II). Vgl. Heilbron 2019/457.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
177. Moment overschrijding draagplicht bepalend voor overgang. Waar de wettelijke regresvordering ontstaat op het moment waarop de draagplicht wordt overschreden, is dit moment tevens bepalend voor de overgang krachtens subrogatie van de vordering(en) op de hoofdschuldenaar.1 Op dat moment gaan de vorderingen van de hoofdschuldenaar op de medeschuldenaren van rechtswege op de presterende schuldenaar over.2 Dit moment van overgang is van belang omdat de vordering(en) die de presterende schuldenaar krachtens subrogatie verkrijgt, op dat moment worden gefixeerd.3
178. Uitoefening nevenrechten. Zoals al opgemerkt, is het nut en de noodzaak van subrogatie gelegen in de uitoefening door de presterende schuldenaar van de oorspronkelijk aan de vordering van de schuldeiser verbonden nevenrechten. Die nevenrechten gaan van rechtswege mee over (art. 6:142 lid 1 BW); er zijn in beginsel geen handelingen nodig om de nevenrechten te doen overgaan.4 Deze overgang van rechtswege brengt mee dat de schuldenaar die wordt gesubrogeerd in beginsel meteen de rechten kan uitoefenen die aan de overgegane vordering verbonden zijn.
Soms vereist de uitoefening van een nevenrecht echter wel enig handelen van de verkrijger. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan een vonnis waarin een van de hoofdelijk schuldenaren werd veroordeeld om aan de schuldeiser het hoofdelijk verschuldigde bedrag te voldoen. Heeft schuldeiser A een dergelijk veroordelend vonnis verkregen jegens schuldenaar B, bijvoorbeeld voor een bedrag van € 500.000, en is ook schuldenaar C hoofdelijk verbonden tot betaling van dit bedrag, dan gaat bij betaling door C aan A niet alleen een deel van de vordering op B over op C, maar gaat ook de executoriale titel als nevenrecht mee over (art. 6:142 lid 1 BW). Het is immers weinig efficiënt van C te verwachten dat hij een nieuwe procedure ten gronde voert jegens B.5 Toch gaat het uitoefenen van de executoriale titel door C niet altijd zonder slag of stoot. Wil C zich jegens B ter executie kunnen beroepen op de executoriale titel, dan zal hij de overgang eerst moeten betekenen aan B (art. 431a Rv). A is verplicht om C in staat te stellen de door hem verkregen executoriale titel uit te oefenen, onder meer door afgifte daarvan (art. 6:143 lid 2 BW). Zo lang dit niet gebeurt, kan C de executoriale titel als nevenrecht feitelijk nog niet uitoefenen. Daarbij komt nog dat ook na betekening de vraag kan rijzen of en, zo ja, in hoeverre C zich op die executoriale titel kan beroepen.6