Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.2.1.3:4.2.1.3 Stigmatisering
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.2.1.3
4.2.1.3 Stigmatisering
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715505:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kahan 1996, p. 640; Zimring & Hawkins 1973, p. 193.
Minkkinen 2006, p. 522; Dubber 2001, p. 846; Feinberg 1984, p. 24; Zimring & Hawkins 1973, p. 191 en 193.
Husak 2004, p. 233; Ashworth 2000, p. 232; Feinberg 1984, p. 24.
Zimring en Hawkins wijzen er bijvoorbeeld op dat een verdubbeling (of halvering) van de straf niet tot een verdubbeling (of halvering) van de mate van stigmatisering hoeft te leiden (Zimring & Hawkins 1973, p. 193).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een laatste punt dat aandacht verdient, is dat van stigmatisering. Naast de hiervoor al besproken opzettelijke leedtoevoeging (§4.2.1.1) brengt de inzet het strafrecht immers ook een zekere mate van stigmatisering met zich. Stigmatisering is vanuit liberaal oogpunt bijzonder problematisch, omdat de proportionaliteit van stigmatisering lastig te beheersen is.1 Stigmatisering vindt niet alleen plaats na het strafproces, maar kan ook voor of tijdens het proces al op gang komen, nog voordat iemands schuld formeel is vastgesteld, en kan ook nog tot ver na het einde van de straf en zelfs na vrijspraak doorwerken.2 Een relevante vraag die hier rijst is of de stigmatisering van voorbereiders en pogers wezenlijk verschilt van die van de plegers van het voltooide misdrijf. Er zijn voorzichtige indicaties dat dit niet het geval is, nu de mate van stigmatisering vooral afhankelijk lijkt te zijn van de aard van de sanctie (gevangenisstraf, taakstraf of geldboete) en het rechtsgoed dat in het geding was.3 Beide zijn identiek bij voorfasedelicten en voltooide delicten. Het belangrijkste verschilpunt – de hoogte van de straf – zou voor de mate van stigmatisering juist veel minder relevant zijn.4 Dat zou betekenen dat, vergeleken met voltooide delicten, de mate van stigmatisering van pogers en voorbereiders al snel disproportioneel is. Dat pleit wederom voor de nodige terughoudendheid met de inzet van het strafrecht tegen voorfasedelicten.