Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.2.1.1
5.2.1.1 De concernrechtelijke benadering
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481376:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Gegeven de aard van de relatie van de derde met de ondernemer, zal ik hierna spreken van een dochter. De benadering vertoont gelijkenis met de toerekening die we in het mededingingsrecht zien, met die kanttekening dat in het mededingingsrecht geen sprake is van een min of meer automatische toerekening, maar van een weerlegbaar vermoeden.
In de derde druk (1997) hebben Bartman/Dorresteijn dit uitgangspunt verlaten.
Bartman/Dorresteijn beriepen zich onder meer op de volgende passage in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 1978-1979, 13 954, nr. 8d, p. 17 en 18): ‘Wij zijn van mening dat ten aanzien van de bevoegdheden genoemd in de wet op de ondernemingsraden, in het bijzonder de artikelen 25 en 30 van deze wet, het belang van de werknemers van een dochtervennootschap in Nederland ten aanzien van het kunnen uitoefenen van hun adviesbevoegdheid zwaarder dient te wegen dan het belang van de concerntop bij het zonder inspraak van de werknemers kunnen doorvoeren van een uniform concernbeleid … Wij vestigen er nog eens de aandacht op, dat het advies altijd gevraagd moet worden door tussenkomst van de bestuurder van de Nederlandse onderneming, ook als het besluit in feite wordt genomen door de buitenlandse moedermaatschappij. Deze moedermaatschappij neemt het besluit nl. in haar hoedanigheid van grootste aandeelhouder van de Nederlandse dochtervennootschap. Het bestuur van de dochtervennootschap dient het advies uiteraard door te zenden naar de moeder.’.
Hof Amsterdam 27 juli 1989, NJ 1990, 734 (PUEM).
OK 15 oktober 1992, NJ 1993, 210 m.nt. Ma. en JAR 1992/113 (Heuga).
Honée 1981, p. 150-151.
Ik verwijs naar de noot van Maeijer onder HR 26 januari 1994, NJ 1994, 545 (Heuga).
In de concernrechtelijke benadering volstaat voor toerekening het enkele feit dat een derde die de zeggenschap over de ondernemer kan uitoefenen (doorgaans in de vorm van aandeelhouderschap), een besluit neemt dat de onderneming van de dochter betreft.1 Deze benadering werd door Bartman/Dorresteijn in 1994 nog als uitgangspunt genomen.2 Neemt de derde een besluit in de zin van art. 25 lid 1 WOR dat de onderneming betreft waar de ondernemingsraad is ingesteld, dan dient de raad in de gelegenheid gesteld te worden dienaangaande een advies uit te brengen. Ter onderbouwing van de concernrechtelijke benadering voerden Bartman/ Dorresteijn onder meer aan dat alleen daarmee recht kan worden gedaan aan de in art. 25 lid 2 WOR neergelegde plicht de ondernemingsraad in staat te stellen wezenlijke invloed op besluitvorming uit te oefenen. De wetsgeschiedenis zou steun bieden voor die benadering.3 Ook in het arrest van het Hof Amsterdam in de PUEM-zaak4 en in de Heuga-beschikking van de Ondernemingskamer5 zagen Bartman/Dorresteijn aanknopingspunten voor hun benadering. Het beroep op de wetsgeschiedenis en de beide Hof-uitspraken overtuigen niet. Noch in de betreffende passage uit de wetsgeschiedenis noch in de twee uitspraken wordt toegerekend omdat sprake is van een concernverhouding, maar wordt toegerekend in een situatie waarin sprake is van een concernverhouding. De concernrechtelijke benadering is destijds reeds verworpen door onder meer Honée6 en Maeijer,7 die daar tegen inbrachten dat deze leidt tot een min of meer automatische toerekening van besluiten die geen steun vindt in het vennootschapsrecht. Dat ben ik met hen eens. Daar komt bij dat de benadering het gevaar in zich heeft dat de ondernemingsraad te vroeg om advies gevraagd moet worden, nl. op een moment dat het besluit nog onvoldoende uitgekristalliseerd is om al aan te kunnen geven wat de te verwachten gevolgen zijn.