Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/6.7.1
6.7.1 Open normen versus scherpe normen
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS595523:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De eis van ' buitengewone omstandigheden' om af te mogen wijken van het liquidatietarief werd het eerst geformuleerd in Hof Amsterdam 10 februari 1970, NJ 1971, 130, en later herhaald in o.a. Hof 's-Gravenhage 25 september 2002, NJ 2003, 128. Zie ook Van der Wiel 2004, p. 329 e.v. In MvT Inv. Boeken 3, 5 en 6, Wijziging Rv, Deventer: Kluwer 1992, p. 36, haalt de wetgever deze eis instemmend aan. De Hoge Raad heeft deze eis overigens nooit gesteld.
Zie art. 237 lid 1 Rv.
Onder andere in 21 en 22 Rv, zie verder Van der Wiel 2004, p. 333.
Zie art. 1019h Rv (proceskostenveroordeling in IE-zaken).
Hodges, Vogenauer & Tulibacka 2009, p. 21.
Zie § 8.3.
Vrijwel alle landen kennen een algemene regel dat gemaakte kosten redelijk moeten zijn, willen zij voor vergoeding in aanmerking komen. Dat is logisch, want de toegang tot het recht komt in het gedrang wanneer een partij riskeert om bij verlies de zakendiners, talloze juridische adviseurs en het limousinevervoer naar de rechtbank van de wederpartij te moeten betalen. Ook kennen veel landen met kosten-schalen een regel dat in onredelijke situaties of bij misbruik van procesrecht de rechter kan afwijken van het standaardbedrag. Dat zijn open normen, nu de regelgever niet opsomt in welke gevallen een situatie onredelijk is. Nederland kent in de sfeer van verstorend procesgedrag en proceskosten een aantal van deze open normen, zoals de 'buitengewone omstandigheden',1 'misbruik van procesrecht',2 'nodeloos gemaakte proceskosten',3 'geraden gevolgtrekking'4 en ' redelijke en evenredige gerechtskosten (.. ) tenzij de billijkheid zich daartegen verzet'.5 Soms wordt de norm niet eens als zodanig geformuleerd, maar krijgt de rechter volledig de vrije hand, zoals in artikel 237 lid 1 Rv, waarin staat in welke gevallen de rechter de kosten ' kan' compenseren. De wettekst noemt daarbij geen criteria om dat ' kunnen' verder in te vullen en schept dus een impliciete open norm.
Ook Frankrijk en België gaan uit van dit soort open normen. In paragraaf 6.4 is al ingegaan op de Belgische begrippen ' kennelijk onredelijke situatie' en ' tergend of roekeloos geding' . In Frankrijk geven de artikelen 696 en 700 CPC de rechter veel ruimte om de kostenbeslissing op basis van de billijkheid te nemen. De Oxfordse onderzoekers concluderen dat rechters in de meeste landen veel discretionaire ruime hebben bij het nemen van hun kostenbeslissingen.6
Er zijn echter ook landen die concrete regels hebben waarin de kosten-veroordeling aan specifiek procesgedrag wordt gekoppeld. In de voorgaande paragraaf kwam Duitsland al aan bod, maar onze oosterburen staan daarin niet alleen. Gedetailleerde criteria kwamen ook in de andere landenrapporten naar boven of werden gevonden als naar aanleiding van een landenrapport een kostenregeling nader werd bestudeerd. De vraag of open normen andere effecten sorteren dan scherpe normen is in de juridische en rechtseconomische literatuur al veelvuldig onderwerp van debat geweest.7 Het is daarom interessant om te bekijken welke landen scherpe normen hanteren en op welke specifieke verstorende gedragingen en andere situaties de meeste normen worden toegesneden. Dat gebeurt in deze paragraaf. De vraag of scherpe normen (soms) gewenst zijn, komt in hoofdstuk 8 aan bod.