Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.5.6
5.5.6 Stelplicht en bewijslast
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495124:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over stelplicht en bewijslast bij verweermiddelen: Snijders, Klaassen & Meijer 2011, nr. 207.
Immers, de vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie is een species van het genus onrechtmatige daad. Ook voor het ontstaan van de algemene vordering uit onrechtmatige daad (ex art. 6:162) is vereist dat de onrechtmatige daad toerekenbaar is. Hier dient de gelaedeerde de toerekenbaarheid wel te bewijzen.
Soms zal wel van de schuldeiser mogen worden verlangd dat hij de toerekenbaarheid aannemelijk maakt, vgl. Hof Leeuwarden 10 augustus 2005, NJF 2005/418; Van Schaik 2009, p. 211.
Tot slot een opmerking over stelplichten en bewijslasten. De voorgestelde invulling van het begrip rechtsgrond doet de vraag rijzen op wie de stelplicht en zo nodig de bewijslast rust van het ontbreken van een rechtsgrond voor een bepaalde prestatie. Artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op een bepaald rechtsgevolg de feiten die tot dit rechtsgevolg leiden, moet stellen en bij betwisting moet bewijzen, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Naar mijn mening volgt uit artikel 150 Rv dat de presterende partij moet stellen – en bij betwisting moet bewijzen – dat een rechtvaardiging voor het verrichten van de prestatie ontbreekt.
Moet de presterende partij ook stellen – en bij betwisting bewijzen – dat een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie ontbreekt? Voor een bevestigend antwoord pleit dat het ontbreken van een rechtvaardiging voor het behouden van een prestatie een materieel vereiste is voor het ontstaan van de vordering uit onverschuldigde betaling. De vordering ontstaat immers na een weging van de belangen van zowel de presterende als de ontvangende partij. Echter, bij de tweede vraag gaat om het perspectief van de ontvanger, zodat het voor de hand ligt dat deze partij de vraag aan de orde dient te stellen. Ik meen daarom dat hier de uitzondering van artikel 150 Rv geldt: de ontvanger moet stellen – en moet bij betwisting bewijzen – dat een rechtvaardiging bestaat voor het behouden van de prestatie. Het bestaan van een rechtvaardiging voor het behouden van de prestatie heeft daarmee de eigenschappen een verweer.1
Deze verdeling van stelplichten ten aanzien van materiële vereisten is niet een uniek verschijnsel. Zo bepaalt artikel 6:74 dat de schuldenaar die tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis verplicht is de schade te vergoeden die door deze tekortkoming is ontstaan, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend. De rechtvaardiging voor het ontstaan van de schadevergoedingsverplichting is dat de schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten.2 De toerekenbaarheid hoeft echter niet door de schuldeiser te worden gesteld. Het is aan de schuldenaar om de niet-toerekenbaarheid te stellen en bij betwisting te bewijzen.3 Niet-toerekenbaarheid is een verweer, evenals het bestaan van een rechtvaardiging voor het behouden van een prestatie.