Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.4.10.5
10.4.10.5 Implementatie van het model van voorlopige preventieve maatregelen
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De vraag of de systematiek van het onderhavige model van ‘voorlopige preventieve maatregelen’ ook in het volwassenenstrafrecht dienst kan doen, valt echter buiten het bereik van dit onderzoek.
De stevige verankering van het doelgebonden karakter van voorlopige preventieve maatregelen (lees: de vereiste verbinding tussen strafvorderlijke gronden en te bevelen maatregelen) in het voorgestelde model verkleint reeds de ruimte van de rechter om voorlopige preventieve maatregelen in te zetten om schaduwdoelstellingen na te streven.
Tot besluit moet worden onderkend dat de implementatie van het voorgestelde model van voorlopige preventieve maatregelen niet over één nacht ijs zal gaan. Invoering in de wet vergt een aantal fundamentele wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering, waaruit onder meer het schorsingsmodel na meer dan 90 jaar zal moeten verdwijnen. Ook veronderstelt implementatie aanpassingen van aanverwante wet- en regelgeving om de coherentie in het wettelijke systeem te waarborgen. Bovendien vraagt de invoering van het model van voorlopige preventieve maatregelen om reflectie op de huidige situatie waarin een deel van het wettelijke kader van voorlopige hechtenis bestaat uit jeugdspecifieke bepalingen, maar een groot deel voor zowel jeugd als volwassenen heeft te gelden. Dit roept de fundamentele vraag op of invoering van het model van voorlopige preventieve maatregelen beperkt zou moeten blijven tot het jeugdspecifieke deel van het wetboek of dat dit model zich ook leent voor invoering in het commune strafrecht voor volwassenen.1
Voorts vergt de implementatie van het model van voorlopige preventieve maatregelen dat rechters hun vaste stramienen in de besluitvorming over voorlopige hechtenis van minderjarigen moeten loslaten. Rechters moeten worden in getraind in het nemen van beslissingen over voorlopige preventieve maatregelen ten aanzien van minderjarige verdachten, waarbij is gewaarborgd dat voorlopige hechtenis enkel op een rechtmatige, niet-willekeurige wijze en slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast. Hiervoor gelden in elk geval als randvoorwaarden dat de rechter voorlopige preventieve maatregelen niet gebruikt om vooruit te lopen op de straf, dat eventuele pedagogische schaduwfuncties van voorlopige preventieve maatregelen niet de overhand krijgen en dat de rechter zijn beslissingen adequaat motiveert (vgl. par. 10.3.2.1 – 10.3.2.3).2
Ook andere professionele actoren die actief zijn in de huidige voorlopige hechtenis- c.q. schorsingspraktijk van minderjarigen zullen met de invoering van het model van voorlopige preventieve maatregelen hun werkprocessen moeten aanpassen. Dit betekent dat invoering van het model direct invloed heeft op het werk van onder meer officieren van justitie, advocaten en professionals van de Raad voor de Kinderbescherming, jeugdreclassering en justitiële jeugdinrichtingen. Deze professionals zullen dan ook allemaal moeten worden bijgeschoold. Voorts geldt voor een kinder- en mensenrechtenconforme implementatie van het model van voorlopige preventieve maatregelen in de jeugdstrafrechtspraktijk dat het stelsel en de organisatie van instanties en voorzieningen dit moet faciliteren, hetgeen veronderstelt dat de aanbevelingen uit paragraaf 10.3.3.3 bij de implementatie in acht moeten worden genomen.
Al met al is de implementatie van het model van voorlopige preventieve maatregelen dus een omvangrijke en complexe exercitie. Het vergt ‘out of the box-denken’ en het loslaten van een systeem waarmee al decennia wordt gewerkt en waarbinnen een vaste praktijk is ontstaan. Bovendien zal een fundamentele hervorming van het systeem van een centraal instituut als de voorlopige hechtenis ongetwijfeld gevolgen hebben voor andere onderdelen van het jeugdstrafrecht en uiteindelijk voor het functioneren van het jeugdstrafrecht als geheel. Feit is echter dat er al jaren vanuit allerlei hoeken kritiek wordt geuit op de voorlopige hechtenispraktijk van minderjarigen in Nederland, dat het onderhavige onderzoek laat zien dat een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis in de huidige praktijk niet zonder meer is gegarandeerd en dat geconcludeerd moet worden dat deze praktijk onlosmakelijk is verbonden met het huidige wettelijke systeem. Dit impliceert dat zonder verandering van dit systeem de status quo in stand blijft, de kritiek zal aanhouden en de bescherming van minderjarige verdachten tegen onrechtmatige en willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis niet voldoet aan de eisen die het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten daaraan stellen.